Home

‘Hoewel ik nooit een overbezorgde moeder was, had ik toen hij naar Albanië ging een onbestemd gevoel’

‘Als kind hield Robin er al van om de randjes op te zoeken: altijd in bomen klimmen, altijd raakte ik hem kwijt in de V&D. Hij deed niets liever dan buiten crossen op zijn fietsje, en later in de oude Amerikaanse auto’s waar hij weg van was. Hij reed een tijdje een Chevrolet – naast zijn gewone baan was hij Uber-chauffeur, puur omdat hij zoveel lol in autorijden had, hij kreeg altijd de beste reviews omdat iedereen het relaxed vond om bij hem in de auto te zitten. Zijn laatste auto was een witte Ford Crown Victoria, een oude politiewagen die hij zelf uit Amerika had geïmporteerd.

‘Daarmee ging hij in de zomer van 2016 op vakantie naar de Balkan, in zijn eentje. Zijn relatie was al een tijd uit en hij wilde van Bosnië, waar hij was geweest toen hij in het leger zat, richting Montenegro en Albanië. En hoewel ik nooit een overbezorgde moeder was, had ik nu een onbestemd gevoel; Albanië vond ik niet veilig klinken. Laat je elke dag even aan iemand weten waar je bent, vroeg ik hem. Dat hoefde niet aan mij te zijn, het kon ook aan zijn vader – mijn ex –, zijn zus Janine of vrienden, als er maar even een levensteken kwam.

Leven na de dood is een rubriek in Volkskrant Magazine over rouwen en leven. Reacties: e.vanveen@volkskrant.nl

‘Hier heb ik een paar foto’s van hem, samen met Janine op haar verjaardag. Die twee waren echt gek samen, die konden met niemand zo lachen als met elkaar. Ook zo bijzonder, dat ik er die dag op stond om foto’s van ze te maken. Ik ben helemaal niet van de foto’s, maar nu moest en zou het – ook weer dat vreemde voorgevoel, denk ik achteraf.

‘Ik was met Rick, mijn man, op vakantie in Avignon toen we daar een telefoontje kregen van Robin. Hij lag in het ziekenhuis van Podgorica in Montenegro. Een dag eerder, op vrijdag, had hij vanuit zijn hotelkamer een rangeerterrein met militaire treinwagons gezien en daar was hij op af gegaan om foto’s te maken. Hij is op een van die treinen geklommen en toen in brand gevlogen – hij heeft kennelijk een hoogspanningskabel geraakt, hij werd zó van die wagon geblazen. Voorbijgangers hebben de ambulance voor hem gebeld. Hij bleek tweede-, derde- en vierdegraadsbrandwonden te hebben over zijn hele lijf, van zijn rechterschouder tot zijn linkerdij.

‘Op maandagochtend zijn we naar hem toe gevlogen, mijn ex-man, onze dochter Janine en ik. Ik ben zo blij dat we dat hebben gedaan – daardoor heb ik Robin tenminste nog levend gezien. ‘Hoe heb ik zo stom kunnen zijn, mama?’, zei hij, maar ik zei: ssst, praat maar niet. Hij lag erbij als een Michelinmannetje, helemaal ingepakt. We hebben zitten bellen, bellen, bellen, hij moest weg uit dat Oostblokziekenhuis en overgebracht worden naar het Brandwondencentrum in Beverwijk. Maar het schoot niet op, de alarmcentrale wees naar de verzekering, en de verzekering wees naar de alarmcentrale, het was een lange nachtmerrie van traagheid en onduidelijkheid. Uiteindelijk werd Robin pas op woensdag naar Nederland overgebracht. Ik arriveerde op hetzelfde moment bij het Brandwondencentrum als hij. Toen was hij al niet meer aanspreekbaar – ik heb hem nooit meer gesproken. Dat had ik totaal niet voorzien toen ik aan zijn bed in Podgorica zei: stil maar, spaar je energie.

‘Zondagnacht om 3 uur is hij overleden, waarschijnlijk had hij een MRSA-bacterie. Ik denk nog altijd dat dat niet had hoeven gebeuren als de alarmcentrale sneller had gehandeld. Maar ja, wat moet je? Een rechtszaak aanspannen? Daar wordt niemand wijzer van.

‘Als je me nu, zeven jaar later, vraagt hoe het met me gaat, kan ik in alle oprechtheid zeggen: goed. Ja, ik moet nu huilen, ik ben een gevoelsmens, Rick en ik zitten ook te grienen als we naar Spoorloos kijken. Maar ik heb een dochter om voor te zorgen – met haar is het na Robins dood een tijd niet goed gegaan, nu gaat het gelukkig heel veel beter – en ik heb mijn kunst. Die is mijn redding geweest, op een bepaalde manier. Ik moet altijd een project onder handen hebben, ik moet niet stil gaan zitten. En dat is het mooie van schilderen en beeldhouwen; ik zit vol ideeën, ik kan altijd aan de slag.

‘Al voor Robins dood had ik me opgegeven voor de kunstacademie, ik zou na de zomer beginnen. De eerste les was ik afwezig omdat die viel op de dag van de begrafenis. Maar daarna heb ik geen les meer gemist. Je bent met een groep gelijkgestemden, je deelt vijf jaar lang lief en leed, dat is heel belangrijk geweest. Maar het is vooral het maken van kunst zelf dat me heeft gered: je kunt jezelf ergens in verliezen, ergens in opgaan. Het is niet dat ik daardoor even niet met Robins dood bezig ben, want dat ben ik elke dag, maar het creëren van iets is gewoon ontzettend fijn om te doen.

‘In de tuin staat een beeld van Robin dat ik uit steen heb gehouwen, kijk, je kunt het zien vanuit het raam. Hakken in steen is echt hard werken, dat is goed voor mij. En tegelijkertijd moet je voorzichtig handelen; als de steen breekt, is al je werk voor niets geweest. Om zijn gezicht te laten lijken had ik er foto’s bij, maar die zijn plat, dat is niet hetzelfde als iemand driedimensionaal opmeten, wat je idealiter voor een beeld zou doen. Dus zo zat ik een jaar lang te puzzelen, moet zijn kin niet wat langer? Ik heb er elke week wel een dag aan gewerkt. Het is heel technisch, en af en toe aai je de steen en je hoopt, ik weet niet – dat hij tevoorschijn komt. Dat is gelukt. Hij is het.

‘Boven op zolder heb ik een atelier waar ik schilderles geef, dan ben ik echt de kunstenaar. Ik hoor mezelf tegen mijn cursisten zeggen: kom op jongens, niet lummelen, wérken. Ik heb altijd zin om te maken, te doen, dingen te beleven. De doden in de hemel zouden niet willen dat wij hier beneden zitten te verpieteren, daarvan ben ik overtuigd. Er hangt een schilderij dat ik van Robin heb gemaakt waarop hij me gedag zegt, die groetende hand ontstond zomaar tijdens het schilderen. Er staat ook een Vlaamse gaai op – ik had nooit veel met vogels, maar een dag na Robins dood dook er opeens een op in de achtertuin en die is regelmatig blijven komen. Ja, dat zijn dingen... Altijd als ik nu een Vlaamse gaai zie, denk ik aan Robin. En dan zeg ik: ga maar, jongen.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

Voor snelle wijzigingen en bezorging

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next