Opeens wilde ik april. April en een beetje mei, en ik wist waar ik ze kon krijgen. In april van het vorige jaar had ik een mailtje gekregen van een vrouw die aanbood April aan me op te sturen, een boek van Ellen Deckwitz over Herman Gorters gedicht Mei – ‘de Mei’ voor vrienden. Ik had het te druk gehad met mensen die bijna doodgingen of net dood waren gegaan om er aandacht aan te besteden, maar nu was het januari, ik had de doden in het oude jaar achtergelaten en ik verlangde ernaar over april te schrijven, over bloemen en groene blaadjes en andere voor de hand liggende lentedingen, waarvan ik vermoedde dat ze in April en Mei ruimschoots voorhanden zouden zijn.
Ik stuurde de vrouw een bericht om te vragen of ik April nog mocht hebben en een week later lag het bij me in de bus. Op het omslag een vaas met drie bloemen, een nog in de knop, een in bloei en een verwelkt. Het doodshoofd in de rechterbovenhoek zag ik pas toen ik het boek uit had en het enigszins teleurgesteld op mijn nachtkastje legde.
Gerda Blees is schrijver en columnist voor de Volkskrant.
Spoiler alert voor iedereen die April noch Mei gelezen heeft: April gaat dood, helemaal in het begin van Mei al, en eenendertig dagen later sterft haar zusje Mei, en volgens Deckwitz vormen die twee sterfgevallen de thematische spil van Gorters gedicht. Ik had bloemen en groene blaadjes gekregen, romantische verwikkelingen en erotiek, maar ook mijn neus op het door Gorter zo bloemrijk beschreven en toch pijnlijke feit dat alles en iedereen op een dag verdwijnt om nooit meer terug te keren. Ook April, over wie een onnozele denker zou kunnen beweren dat ze ieder jaar terugkeert. Nee, klaagt de maan, moeder van alle maanden, ieder jaar verliest ze een andere dochter, een andere April. Een andere Mei, een volgende Juni, weer een Juli, enzovoort.
Dat was niet de bedoeling. Daar had ik April niet voor besteld, om weer over de dood te moeten nadenken. Al mijn boeken gingen al over de dood en het werd wat veel als mijn columns er ook steeds over zouden gaan. Al wist ik inmiddels dat deze columnreeks ook ten dode opgeschreven was. Nog enkele afleveringen zouden op hun vaste plek tot leven komen en weer sterven en dan was het voorbij.
Je kunt de dood niet ontlopen, Gerda, riep April. Ook niet in de lente. En dat wist je best.
En troost? Op een literair verlichte manier is April een optimistisch boek, en Mei – dat ik nog altijd niet gelezen heb – waarschijnlijk ook. Mei sterft, maar de eenendertig dagen die ze heeft, gebruikt ze goed, misschien wel beter dan ze had gedaan als ze April niet had zien sterven. Deckwitz roept op om het leven te zien naast alle dood en doem die we zien aankomen. Er staan drie bloemen in de vaas, twee nog levende en een dode, en alle drie zijn ze onze aandacht waard.
April was uit, gestorven, als het ware, maar er was poëzie. Het vooruitzicht na April eindelijk ook Mei te zullen lezen, waarna ik het net als andere hooggeletterden ‘de Mei’ zou mogen noemen. De laatste regels van April, die lezen als een gedicht, waarin Deckwitz zich de aarde voorstelt nadat de laatste mens gestorven is. Die ene regel van Anna Enquist, dichtend over haar verloren dochter, die plotseling te binnen schiet. ‘Voorwaarts, het is januari.’
Source: Volkskrant columns