Home

Ik werd een beetje somber van New York

Weinig geeft je zo sterk het gevoel dat een cultuur terminaal is als het bezoek aan een toeristische trekpleister. Afgelopen week was ik voor research in New York, wat me de kans gaf een bezoek te brengen aan The White Horse Tavern, het café waar de Welshe dichter Dylan Thomas zich in 1953 het graf in zou hebben gedronken. Zelf zei Thomas – vlak voor hij naar het ziekenhuis werd afgevoerd – dat hij achttien whisky’s had weggetikt, een record. Het zijn er waarschijnlijk niet meer dan negen geweest, en het waren longproblemen die hem nekten, maar dat Thomas zich in The White Horse Tavern graag bezatte staat vast. Hij was de enige niet. Sylvia Plath kwam er, net als Jack Kerouac, James Baldwin, Anaïs Nin en literair angehauchte muzikanten als Bob Dylan en Jim Morrison.

De drinkplaats is gelegen in de Village. Het is het op een na oudste bruincafé van New York, in business sinds 1880. Het decor bleek een charmante ratjetoe: originele houten bar en sierplafonds, Franse bistro-tafeltjes, marmeren paardenhoofden en hardnekkige kerstdecoratie. Naast een deur hing een foto van de betreurde dichter, naar wie ook de zijkamer is vernoemd.

Manager Peter Ferguson, een geboren New Yorker, wist te vertellen dat menig bezoeker voor Thomas komt, maar ook dat hij nog maar weinig schrijvers aan de toog treft – die kunnen het zich niet meer veroorloven in Manhattan te wonen. De huizenprijzen zijn te ridicuul en een beetje lunch kost al snel veertig dollar. Stevig innemen? Van royalty’s niet te betalen. Dus zitten er toeristen, zoals er toeristen zitten in het Algonquin van Dorothy Parker. Desgevraagd weigerde Ferguson te zeggen die verschraling van de clientèle – mijn woorden – te betreuren. Toeristen garandeerden de kroeg een toekomst. De tijd hield je niet tegen. Als om dat te onderstrepen vertelde het Noorse koppel aan het aanpalende tafeltje enthousiast over de scavenger hunt die ze hadden gedownload, en die ze langs winkels had geleid waar geld kon worden achtergelaten. The White Horse Tavern was in de app opgenomen als ‘rustpunt’.

Dit was ooit een rustpunt, een toevluchtsoord voor kunstenaars. Een dode bracht me ernaartoe, maar ik kreeg het gevoel dat de kroeg zelf een graf was, hoe levendig ook. Het is niet het gebouw, het is wat in het gebouw gebeurt dat de waarde bepaalt – wij levenden die in de voetsporen van historische figuren treden, animeren zulke plekken niet, we hollen ze uit. Niemand zal later nog denken aan wat The White Horse Tavern te betekenen had in het jaar 2024. Soms blijft zo’n plek bewaard uit weemoed of winstbejag, soms ook niet – het pand van Scribner’s Sons, de uitgever van F. Scott Fitzgerald en Ernest Hemingway, is nu een kledingwinkel. Dat zou niet erg zijn, als er nieuwe plekken voor in de plaats kwamen, toekomstige monumenten. Maar als ze er al zijn, dan niet in het hart van de wereld, het hart van de eilandstad.

Het is lastig dat niet als symbolisch op te vatten: kunst en literatuur hebben hun plek in het maatschappelijk discours verloren, de beoefenaars zijn beetje bij beetje naar de periferie verdwenen, versnipperd geraakt. Iets soortgelijks zie je in Amsterdam – in de spreekwoordelijke grachtengordel tref je steeds minder schrijvers en steeds meer expats met het type afzichtelijke kunst aan de muur dat je per strekkende meter koopt. Dat maakt die hele notie van een grachtengordel-elite wrang. Ook in de stad staan manieren van leven onder druk.

Ik werd een beetje somber van New York, geloof ik. Op Broadway speelden vooral musicals die al eeuwen op de planken stonden of hernemingen waren van films als Mean Girls of The Color Purple. Zoals de Nederlandse theaters vol tribute-acts staan die de muziek spelen van zogeheten „legacy artists” die in de afgelopen jaren hun muziekrechten voor honderden miljoenen aan investeerders hebben verkocht. Omdat die investeerders er vanuit gaan dat in de toekomst vooral aan oude muziek te verdienen valt. Aan nostalgie. Alsof het geld weet dat de cultuur stervende is, en hoe dat lijk nog zoveel mogelijk vlees van de botten te pikken.

Auke Hulst is schrijver.

Source: NRC

Previous

Next