Home

‘Het gevaar is dat ouderen en jongeren vanuit hun eigen bubbels naar elkaar wijzen, dat schiet niet op. We moeten het samen doen’

Kimberley Snijders was zich op haar 12de al bewust van de sociale verschillen tussen groepen mensen. Nu zet ze zich als voorzitter van de Nationale Jeugdraad in om kansarme jongeren een stem te geven in het openbaar bestuur. ‘Uiteindelijk draait het om macht. Als je die eenmaal hebt, wil je die niet zomaar afstaan.’

Als kind van een Nederlandse vader en een Oegandese moeder brengt ze haar zomervakanties ieder jaar in Oeganda door: ‘Ik begreep niet wat ik daar te zoeken had. Waarom kan ik niet gewoon naar Frankrijk op vakantie, zoals mijn vrienden, vroeg ik me af.’ Duidelijker wordt haar rol wanneer ze met haar moeder naar dorpen gaat om er eten en kleding te brengen: ‘Dat leeftijdgenoten van mij blij waren met mijn oude kleren, vond ik mooi, maar ook ingewikkeld. Als 12-jarige ging ik me vragen stellen over verschillen: hoe kon het dat mijn Nederlandse klasgenoten zich druk maakten over hun type iPhone en konden dromen over studeren in het buitenland, terwijl mijn Oegandese vriendinnen alleen maar hoopten dat ze ooit kleren in een eigen winkel zouden kunnen verkopen?’

Thuis in Amstelveen, samen met haar moeder, voelt ze zich tussen beide culturen in zitten. Haar middelbare school is ‘witter dan wit’, waardoor ze zich ‘best wel Oegandees’ voelt, terwijl ze op bezoek in Oeganda ontdekt dat ze ‘eigenlijk super Nederlands’ is. Want ook zij droomt over studeren in het buitenland. Een droom die uitkomt op haar 16de, wanneer ze voor een talencursus naar New York gaat: ‘Een heel diverse stad waar ik direct op mijn gemak was. Eenmaal thuis begreep ik opeens veel beter waarom ik me op school altijd zo anders had gevoeld.’

In deze serie interviewt Fokke Obbema voor de Volkskrant mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

Meer aansluiting bij leeftijdgenoten vindt ze wanneer ze, na een gewonnen debatwedstrijd in Amstelveen, vrijwilliger wordt bij het Nationaal Jeugddebat: ‘Daar kreeg ik vrienden met heel diverse achtergronden. Iedereen had daar iets eigens, anders dan op mijn school, waar ik als enige afweek in een verder homogene groep. Voor mij was het Jeugddebat een soort thuiskomen.’

Het blijkt ook haar opstap naar haar huidige functie: voorzitter van de Nationale Jeugdraad (NJR), een koepelorganisatie van een veertigtal jongerenclubs. In die rol wordt ze geregeld uitgenodigd voor bijeenkomsten met ‘leden van de top-200 die in Nederland de dienst uitmaakt’. Ook is ze voorzitter van het SER-Jongerenplatform, dat advies geeft aan de SER (Sociaal-Economische Raad). De voorzitter daarvan, Kim Putters, heeft ze hoog zitten, maar na anderhalf jaar voorzitterschap is ze sceptisch over het vermogen van instituties om maatschappelijke verandering tot stand te brengen. Waar ze relativerend aan toevoegt: ‘Ik ben 22, dus voor mij voelt alles te langzaam gaan.’

‘Ik hoop dat het me lukt jongeren die geloven dat hun mening er niet toe doet, duidelijk te maken dat ook zij het recht hebben om mee te praten over waar Nederland heen moet. Wanneer me dat lukt, geeft me dat veel energie. Ik probeer ze erbij te betrekken wanneer ik voor bijeenkomsten met hoge bestuurders word uitgenodigd. Ik stel dan altijd aan de orde of jongeren zelf ook zijn uitgenodigd. Veel maatschappelijke problemen, zoals inkomensongelijkheid en het tekort aan woningen, raken vooral de meest kwetsbare groepen in de samenleving. Naar hun mening moet je als bestuurder willen luisteren.’

‘Mijn vraag leidt vaak tot ongemak. Als voorzitter van de Nationale Jeugdraad word ik als een verrijking van het perspectief van bestuurders gezien, maar om met de doelgroep zelf het contact aan te gaan, dat vinden ze heel spannend. Zolang je hen buiten de deur houdt, kun je het debat fijn onder elkaar voeren en hoef je vooral niet je zwaktes te tonen. Het gevaar is dan wel dat je het kernprobleem uit het oog verliest.

‘Onlangs was ik uitgenodigd voor een diner waarbij het over de toeslagenaffaire ging. Zo’n 25 man, onder wie allerlei topambtenaren, wisselden daar van gedachten over hoe je het vertrouwen van de burger kunt terugwinnen. De enige twee mensen van kleur waren een schuldenexpert en ik. Wij werden een beetje moedeloos. Het ging over van alles, zoals het inbouwen van meer reflectief vermogen bij de overheid en het aantrekken van jonge talenten voor bepaalde overheidsfuncties, maar niemand sprak over het simpele feit dat er in de toeslagenaffaire op basis van achternamen is gediscrimineerd.

‘Terwijl dat toch de kern is: dat discrimineren, wat je bovendien niet als een op zichzelf staand iets kunt zien. Ga toch praten met degenen voor wie het beleid bedoeld is, denk ik dan. Zou je hen uitnodigen, dan krijg je niet een discussie die zo ver weg van hun realiteit staat.’

‘Ik heb nog nooit iemand ontmoet die hardop zegt: die mensen mogen niet aan tafel zitten. Iedereen is ervan overtuigd dat dit anders moet. Maar dan moet je ook de logische vervolgstap durven zetten, namelijk concluderen dat sommigen dus niet meer aan tafel kunnen zitten. Daar zit het probleem: het is moeilijk je eigen positie af te staan aan iemand die minder opgeleid is of minder kansen heeft gehad. Iedereen denkt: ik kan wel iets van de ruimte innemen. Uiteindelijk blijkt er dan geen plek voor een ander geluid te zijn.

‘Uiteindelijk draait het om macht. Als je hem eenmaal hebt, wil je die niet zomaar afstaan. De vraag die je moet stellen, is: who’s got skin in the game? Wie heeft er wat te verliezen wanneer het anders wordt georganiseerd? Dan zie je dat er altijd krachten zijn die tegen verandering in werken. Neem het advies: er moeten meer mbo-studenten beleidsadviseur bij de overheid worden. Dan zegt iedereen: ja, fantastisch, goed idee. Kijk je wie er vervolgens bij ministeries worden aangenomen, dan zijn dat toch weer hbo’ers of universitair opgeleiden. Ik heb het gevoel dat goede ideeën die hoog in een grote organisatie leven, niet doorsijpelen naar onderen. Dat maakt me wel pessimistisch over de kansen op verandering door grote instituties.’

‘Ik heb er meer vertrouwen in gekregen dat mensen met een zekere macht ook echt iets willen doen aan problemen waarmee burgers zitten. De meesten willen heus het goede doen. Alleen zitten ze vast in een systeem dat erg weinig bewegingsruimte laat om iets innovatiefs tot stand te brengen. Neem een secretaris-generaal van een ministerie. Met zijn pet van topambtenaar op denkt hij: ik moet mijn ministerie vertegenwoordigen, dus ik sta achter dat toeslagenbeleid. Ook al kan hij dat als mens helemaal niet aan zijn eigen familieleden uitleggen. Hij gedraagt zich dus als iemand die de wetten goed begrijpt, maar geen eigen initiatief durft te nemen als hij onrecht ziet.

‘Gelukkig ontmoet ik ook mensen die mij hoop geven. Kim Putters, de voorzitter van de SER, is een voorbeeld. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die vanuit een positie van macht zo goed luistert, zonder dat hij zijn eigen visie verliest. Vanaf zijn aantreden maakte hij duidelijk dat de SER niet alleen over welvaart moet praten, maar veel breder moet nadenken over het sociale, economische en ecologische welzijn van de samenleving. Dat vind ik inspirerend.

‘De eerste keer dat ik hem sprak, schreef hij vijf to-dopunten op. In de maanden erna heeft hij me van alle vijf over hun voortgang verteld. Hij geeft mij hoop dat je op een constructieve manier tegengas kunt bieden aan de belangen van bedrijven en vakbonden die bij de SER spelen. Hij weet draagvlak te creëren. Alleen verlies ik soms iets van mijn hoop als ik zie hoe bizar langzaam dat gaat.’

‘Van Mariëtte Hamer ben ik ook onder de indruk. Zij is een beetje de moeder van de jongerenbeweging in de SER en heeft veel oog voor onze belangen. En iemand als prinses Laurentien geeft me hoop. Eerst dacht ik dat ze veel te ver van de mensen in de toeslagenaffaire af zou staan. Maar ze heeft Number 90 in Almere helpen oprichten (een huis waar slachtoffers van de affaire en ambtenaren elkaar op neutraal terrein ontmoeten, red.) en wilde daarbij niet met overheidsinstanties werken om het vertrouwen van de betrokkenen te winnen. Dat is haar gelukt. Wat ze met de toeslagenouders voor elkaar heeft gekregen, heeft me echt vertrouwen in haar gegeven. Ze doet veel meer dan vrij filosoferen over maatschappelijke verandering.’

‘Voor mij komt op de eerste plaats het creëren van meer kansen voor de kansarmen, ik wil hen helpen meer regie over hun leven te nemen. Duurzaamheid vind ik natuurlijk ook belangrijk, maar mijn halve generatie strijdt daar al voor. Met sociale problemen houden maar weinig jongeren zich bezig, zeker als het gaat om de lange termijn van bijvoorbeeld huisvesting en zorg.

Homegoing, Yaa Gyasi

‘Yaa Gyasi maakt duidelijk hoe pijn en onrecht in het verleden doorwerken in het heden. Ze doet dat aan de hand van twee zussen; de een wordt tot slaaf gemaakt, de ander trouwt met een slavenhandelaar. Hun nakomelingen ondervinden de gevolgen. Door dit boek begreep ik ook beter waar institutioneel racisme vandaan komt.’

‘Jongeren zijn zich er absoluut niet bewust van dat velen van hen in 2050 mantelzorger moeten worden. Op dit moment doen we ook veel te weinig aan preventieve gezondheidszorg. En we bouwen nog helemaal geen huizen waar ouders bij hun kinderen kunnen intrekken, gecombineerd met kinderopvang, zodat ze op kleinkinderen kunnen passen. Over dat soort creatieve oplossingen moeten we het gesprek aangaan, jong en oud.’

‘Als je veel ervaring en kennis in je leven hebt opgedaan, vind ik het je verantwoordelijkheid die op jongeren over te dragen. Het gevaar is dat ouderen en jongeren vanuit hun eigen bubbels naar elkaar wijzen. Dan krijgen ouderen van jongeren de schuld dat ze alle problemen hebben veroorzaakt, terwijl ouderen de jongeren verwijten dat ze mentaal slap zijn. Dat schiet niet op. We moeten het samen doen. Dat kan ook, jong en oud verschillen in mijn ogen niet zoveel van mening over wat er anders moet. Er zouden meer mentorrelaties moeten komen, zoals in de natuur oude olifanten de jonge olifanten in de kudde op weg helpen.’

‘Eerlijk gezegd put ik vooral energie uit het vooruitzicht dat ik over een jaar stop, waarna ik hopelijk weer gewoon student word. Door dit werk tik ik de vijftig uur per week aan en zit ik krap bij kas, want het voorzitterschap levert niet genoeg op om normaal te kunnen leven. Er staat van alles tegenover, maar toch vind ik dat lastig. Ik wil nu nog alles geven, omdat ik in een positie zit waarin ik iets kan betekenen. Er zijn zoveel jongeren die zich niet gehoord voelen. Dat er naar mij wordt geluisterd geeft me energie, maar ik voel het ook wel als druk, dat is mijn verantwoordelijkheidsgevoel.

‘Ik hoop later een baan te krijgen waarmee ik impact kan hebben en van betekenis kan zijn voor anderen. Als ik alleen voor de beleidskant zou kiezen, zou me dat, vrees ik, vooral energie kosten. Maar zou ik alleen praktisch werk voor anderen doen, dan mis ik het grotere perspectief. Een combinatie van die twee zou ideaal zijn. Als ik door mijn idealen wat minder zou verdienen, vind ik dat niet erg. Betekenisvol werk gaat me als mens gelukkiger maken.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

Voor snelle wijzigingen en bezorging

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next