Als kind van Blokker-winkeliers – mijn wieg en de box stonden achter de toonbank – luister ik met gemengde gevoelens naar de leiders van grote supermarktketens, die klagen over ons, de klanten, dat we zoveel meer zijn gaan stelen. Kijk naar je werknemers, denk ik, die stelen pas. Of naar de winkeliers en hun gezinnen, nog erger. En vertrouw vooral de kinderen niet.
Zelf ben ik met diefstal begonnen toen ik met mijn vingers bij de kassa kon. Ik groeide als kool, dat versnelde het proces. Het geld rinkelde voor mijn ogen, als speelgoed. De kassa was altijd vol, elke dag kwamen de mensen nieuw geld brengen. Uit de snoepwinkel kwam een telefoontje: ‘Hij staat hier met een briefje van 100 en vraagt hoeveel Marsen hij daarvoor kan krijgen.’
Over de auteur
Peter Middendorp is schrijver en columnist van de Volkskrant. Van zijn hand verschenen onder meer de romans Vertrouwd voordelig en Jij bent van mij. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Het voelde heel gewoon, heel natuurlijk. Zaterdagsavonds hielp ik mijn vader altijd met het opmaken van de kas. Ik verzamelde het geld uit de kassa’s op een bureau in het kantoor. Van het briefgeld moest ik nette stapeltjes van veertig stuks maken, soort bij soort, en kop op kop, met een elastiekje erom. Mijn vader telde en noteerde, en deed de stapeltjes in cassettes, die we vervolgens, via een soort omgekeerde pinautomaat, in de zijmuur van de Nederlandse Middenstandsbank lieten verdwijnen. Als beloning kreeg ik een milkshake, waar ik, een tientje in de zak, een geeltje in de sok, zonder wroeging van genoot.
Vlak voordat ik mijn laatste munten in de gokkast had gegooid, liep ik er even mee naar de winkel, stopte ze in de kassa – ‘even wisselen, hoor’ – en haalde er wat briefjes uit. Vijf minuten later stapte ik alweer welgemoed de snackbar in: ‘Mag ik nog wel tien knaken?’
Maar ik werd ook ouder. Naarmate de jaren verstreken en het gokken serieuzer werd, begon ik me steeds vaker af te vragen hoe het mogelijk was dat mijn vader nooit iets merkte, die arme man, met al zijn kasverschillen en tekorten. Signalen genoeg, maar er ging nooit een lichtje branden. Toen de Middenstandsbank belde met de vraag waarom de stapeltjes briefgeld van mijn vader altijd precies 39 exemplaren bevatten, hoorde ik hem tegen mijn moeder zeggen: ‘Ik snap er niks van. Ons Peter heeft het drie keer nageteld!’
Wat ik stal bleek volkomen in het niet te vallen bij wat het personeel wist weg te nemen, vooral een werkneemster eigenlijk, die er luxe van leefde. Maar ook dat wilde mijn vader niet zien. Hij hield van zijn meiden, en zij van hem. Alles had hij ervoor over om de gedachte op afstand te kunnen houden dat hij door zijn eigen meiden bestolen werd.
Er moesten heterdaadjes aan te pas komen om ons uit onze dure dromen te helpen. De werkneemster werd betrapt door klanten. En de eigenaar van de surfwinkel belde mijn vader dat zijn zoon met een kameraad twee heel dure shirts van Kappa had gestolen. Als verklaring hadden de heren opgegeven dat ze naar Lloret de Mar op vakantie gingen en zonder die shirts geen schijn van kans bij de meiden zouden hebben.
Geen Kappa op onze shirts die zomer, maar Hoppa! Mijn vader durfde niet meer naar de vergaderingen van het comité tegen winkeldiefstal, dat hij met de eigenaar van de surfwinkel had opgericht.
Source: Volkskrant