Home

Regisseur Jos Stelling heeft zijn laatste film gemaakt: ‘Ik wil niks meer met de filmwereld te maken hebben’

‘Er zijn zes of zeven redenen om ermee uit te scheiden. En jij bent er een van – dat zeg ik er dan bij, als iemand uit de filmwereld tegenover me zit.’

Jos Stelling (78) grinnikt. Hij gaat dus stoppen. Zijn nieuwe speelfilm De dans van Natasja, deze week in de Nederlandse bioscopen verschenen, betreft het slotstuk van zijn 50-jarige filmersleven. ‘Het is klaar. Ik heb alles gedaan. Trouwens: er worden zo veel fantastisch mooie films gemaakt, dus niemand zit op die van mij te wachten. Weet je wat het ook is? De snelheid. Als je nu een film maakt, is-ie eigenlijk alweer weg voordat je ’m kunt zien. De romantiek van zo’n bioscoopuitbreng is eraf. Verder wil ik ook niks meer met de filmwereld te maken hebben. Niet uit defaitisme hoor, heus niet.’

Stelling, naast regisseur ook bioscoopexploitant, loopt monter door zijn met persoonlijke filmmemorabilia volgehangen kantoor boven Springhaver, een van zijn drie Utrechtse filmtheaters. Achter zijn bureau hangt een ingelijste voorpagina van een Russische krant met daarop een enorme foto van de Nederlandse filmmaker, geflankeerd door zijn dochters Roos en Linde. Het was toeval dat ze de stapel kranten zagen liggen op de luchthaven van Sint-Petersburg, alweer een jaar of vijftien geleden. ‘Hee, zei Roos, die mevrouw op de foto heeft dezelfde zonnebril op als ik. Kijk eens goed, zei ik, dat ben jij zelf!’

De aanleiding van het bezoek aan Rusland? ‘Weet ik niet meer. Ik kreeg een prijs, denk ik. Ik heb veel prijzen gehad.’

Over de auteur
Bor Beekman is sinds 2008 filmredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft recensies, interviews en langere verhalen over de filmwereld

De glazen kast op de gang puilt uit van de trofeeën en oorkonden; de geëerde zelf drijft er vrolijk de spot mee. ‘Moet je zien’, zegt hij, wijzend naar een pluchen eland. ‘De lifetime achievement award van een lullig festivalletje in Maine. Vliegen ze je daar helemaal naartoe, sta je op een podium met dat ding. Ik vroeg: kunnen jullie er niet midlifetime achievement van maken? Hebben ze dat er nog even bij geborduurd.’

Hij overhandigt een wankele metalen globe, met gegraveerd cyrillisch schrift op het voetstuk. ‘Wat denk je hiervan? Belden ze uit Rusland, of ik naar hun festival wilde komen. Dat doet Jos alleen als hij een prijs wint, zei mijn assistent. Twee weken later: weer telefoon uit Rusland. Nou, meneer Stelling krijgt een prijs. Dus ik daarheen, helemaal in het noorden. Wat bleek? Er wás daar helemaal geen festival. Alleen een overheidsgebouw, met een orkest en een rode loper over straat, waar allemaal schoolkinderen met vlaggetjes voor me stonden te zwaaien. Binnen was er koffie en die oeuvreprijs, daarna kon je weer naar huis. Dat verzin je niet, toch? Maar het leuke was: een half jaar later werd ik op Huis ten Bosch uitgenodigd, bij de koningin, ómdat ik die Russische prijs had gewonnen. Zat ik aan de lunch bij Máxima met die zwemster Kromowidjojo en met Marlies Dekkers, die vrouw van dat ondergoed.’

Voor wie nu denkt dat Stellings uitstalkast enkel flauwekulprijzen telt: dat is zeker niet het geval. De buitenlandse waardering voor zijn films is zijn carrière lang al groot, zeker in Rusland en diverse post-Sovjetlanden. Een belangrijk filmmaker, zo zien ze de Utrechter daar, al sinds hij in 1975 debuteerde – een unicum voor ons land – in de hoofdcompetitie van het Cannes-filmfestival met zijn rauwe, vuige en sterk beeldende verfilming van het laat-middeleeuwse mirakelspel Mariken van Nieumeghen.

Zijn absurdistische drama De wisselwachter uit 1986 (plus de door Russische professoren verstrekte diepte-analyse) gold als verplichte lesstof aan de filmacademie van Moskou. De filmmaker, over de keer dat hij er doceerde: ‘Zal ik nooit vergeten. Alle mensen die langer zijn dan 1 meter 70 kunnen het wel vergeten, zei ik tegen de Russische studenten. Want een regisseur moet klein zijn. Je moet klein zijn, om groter te kunnen líjken. Er stonden al wat lange mensen op om weg te lopen. Grapje, zei ik.’

Zijn vorige film, Het meisje en de dood, werd in Rusland in veertig zalen uitgebracht, om daarna te worden vertoond op de nationale televisie. ‘Zonder dat Russische publiek was ik er waarschijnlijk al niet meer. Je moet wel een publiek hebben. Bij mij zit het niet alleen daar, hoor. Ook in Italië, de katholieke landen.’

‘Zo denk ik helemaal niet. Natuurlijk is het lekker als je veel publiek hebt. Maar het is ook relatief. En het is net als met geld: je wilt altijd meer. Heb ik trouwens geen last van, echt niet. Maar er moeten wel mensen naar mijn films kijken. Een film zonder publiek is geen film. Wat kan ik zeggen? Ik had No Trains No Planes gemaakt (1999), een film die hier helemaal werd afgekraakt. Poppenkast, schreven ze. Kreeg ik een uitnodiging van het festival in Sint-Petersburg. Nou, daar werd die film bijna heilig verklaard. Ik gaf persconferenties, er waren fans, voor handtekeningen en zo. En er werden vragen gesteld waarbij ik dacht: het zit er dus allemaal wél in.

‘Ik bezocht daar een museum waar ik de conservator vroeg wat de Russen toch hebben met al die iconen. Zijn allemaal hetzelfde, toch, plat als een dubbeltje, emotieloos? Jawel, zei hij, maar die emotie zit juist bij de kijker. En die kijker maakt een religieuze beweging naar zo’n schilderij toe. Bij jullie in het Westen zitten de emoties allemaal al in het schilderij – daar word je lui van.’

De dans van Natasja vertelt het sprookjesachtige en melancholische verhaal van de zwijgzame zoon van een sigarenboer. Die wordt als kind ondergebracht bij paters en reist op latere leeftijd met een Russische oud-ballerina af naar haar familie-datsja op de toendra. Wie het wil, zou de filmmaker kunnen wijzen op wat raakvlakken met diens eigen leven. Als het negende kind van een katholieke patissier bracht Stelling zijn jeugd ook door bij de paters. En hij bleek met zijn intuïtieve gevoel voor film (hij ging er nooit voor naar de academie) toch een soort halve Rus.

Afhoudend: ‘Ja, natuurlijk zijn er raakvlakken. Maar ik bén niet dat jongetje op die kostschool, dat zijn archetypen. Het is een archetypisch kostschooljongetje. Luister, dan ben ik óók de moeder en de vader in de film. Je voedt alles met je eigen energie.’

‘En dat heeft voor veel problemen gezorgd bij de selectie voor festivals. Rusland is uit. En alles wat ruikt naar Rusland wordt geboycot. Dat gaat ver, hoor, er zijn zelfs orkesten die geen Tsjaikovski meer spelen. Gelukkig konden we wel nog naar het festival van Tallinn. En gisteren hoorde ik dat het festival van Bari, in Zuid-Italië, de film gaat vertonen. Leuk, ga ik daar heen. Ik heb ook vijf uitnodigingen gehad van Russische festivaldirecteurs. Dat gaat niet, heb ik ze gemaild. Dat kun je niet doen.’

‘Heel zwaar.’

‘De financiering. Kijk, film ís het creëren van problemen. Daar hoort de financiering ook bij. Ik heb weleens films gemaakt met drie scripts: eentje voor de acteurs, eentje voor het Filmfonds, eentje voor de televisie. Hoort erbij. Maar bij deze film raakte ik vast in iets... destructiefs.

‘Ik wil geen namen noemen van mensen van het fonds, daar gaat het niet om. Maar daar verklaren ze het script heilig, want dat hebben ze dan zo geleerd bij theaterwetenschappen, of kunstmanagement ofzo. Terwijl helemaal niemand een script kan beoordelen. Want het gaat nooit om dat script, het gaat om de visualisatie van dat script.

‘Ik had al financiering toegezegd gekregen in Duitsland én van de omroep, maar dat hing wel af van de toezegging van het Filmfonds. Daar vonden ze sommige dingen niet duidelijk genoeg. Maar wat wil je dan, dat ik alles in het script uitleg? Over urgentie hadden ze het ook. Ik begreep niet wat ze daarmee bedoelden. Ik ben al achter in de zeventig, straks heb ik geen tijd meer om te filmen. Is dat niet urgent?’

Lang verhaal kort: na vele jaren en een moment waarop bij hem de ‘stoppen doorbrandden’ kwam er toch financiering, en nam Stelling zich voor om ‘nooit meer’ een stap te zetten op het Filmfonds-kantoor.

‘We doen nu de hele tijd voorpremières, door het hele land. Gisteren ook. De mensen zijn heel enthousiast. Krijg ik na afloop allemaal van die vragen.’

‘We vonden het mooi, maar we begrijpen bepaalde dingen in de film niet. Alsof dat het ultieme doel is, om iets te begrijpen! Dat hoeft toch niet? Muziek begrijp je toch ook niet?’

‘Ja, dat is ook zo. Scheidsrechters, boekhouders, dominees. We hebben niks met kunst. Omdat we altijd denken: wat levert het op? Dat zie je ook aan de Nederlandse film.

‘In mijn tijd, toen ik het Nederlands Film Festival begon, of de Nederlandse Filmdagen zoals het toen heette (Stelling was de oprichter van het Utrechtse festival, red.), hadden we de pretentie om de Nederlandse film een artistieke impuls te geven. Dat film tot de kunsten ging behoren. Film was altijd een beetje abject gebleven, in lezerskringen. Goedkoop was het, kermis. Je had hooguit Remco Campert die stiekem naar de bioscoop ging.

‘Daar wilden wij wat aan doen, met die Filmdagen. Met een lezing over film in een kerk, een jury die uit de verschillende kunstdisciplines bestond: een beeldhouwer, een schrijver, een dichter. We wilden het verheffen.

‘Later veranderde dat allemaal. Het festival moest ook op de televisie, vond men. Nou, bij de televisie willen ze acteurs – anders zijn ze niet geïnteresseerd. Toen kwam er geld bij, en geld wil óók acteurs. Dat heeft me wel opgebroken, die alomtegenwoordige heiligverklaring van de acteur. Acteurs... ze zijn belangrijk. Je kunt niet zonder. Maar dat is het dan ook.’

‘Nee, ze maken niet de film. En echte filmacteurs weten dat, juist daarom zijn ze ook zo goed. Omdat ze inzien dat film een samenspel is. Mensen identificeren zich ook niet met acteurs. Dat is een misverstand: mensen identificeren zich met situaties. Als hier beneden op straat een eend komt aanlopen is er niks aan de hand, tót ik laat zien dat er aan de andere kant van de straat een eend met een mes wacht. Dan denk je ineens: wat een goeie acteur is die eend, hij doet net alsof ie niet bang is.’

‘Toch dat gevoel van samen film maken. Het idee van een auteursfilm is dat je samen iets maakt wat boven die auteur uitgroeit. Het is gesamtkunst: je verzamelt mensen om je heen die ergens beter in zijn dan jij. En dan, ineens, neemt de film het over. Die gaat het zelf dicteren, je hoeft alleen maar te volgen. Dat is genieten, hoor. Het moment ook in de montage, dat voor het eerst de muziek eronder zit...

‘En dan knip je de navelstreng door en vliegt de film weg. Dan gebeuren er ineens vreemde dingen. Iemand begrijpt het niet. Of iemand begrijpt het juist wel. En die iemand gaat het je dan uitleggen, terwijl jij denkt: hoe komt-ie erop?’

Mariken van Nieumeghen (1974)
Elckerlyc (1975)
Rembrandt fecit 1669 (1977)
De pretenders (1981)
De illusionist (1983)
De wisselwachter (1986)
De vliegende Hollander (1995)
No Trains No Planes (1999)
Duska (2007)
Het meisje en de dood (2012)
De dans van Natasja (2023)

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

Voor snelle wijzigingen en bezorging

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next