Home

Ik kan me welig tierend schaamhaar herinneren, en gekreunde Duitse teksten als ‘Du, geiles Luder’

Bij stralend winterweer liep ik over de Amsterdamse Wallen. Om burgemeester Halsema te citeren: ‘Het is daar een vergaarbak van mensen die heel luidruchtig consumeren en weinig oog hebben voor de schoonheid en historie.’ Halsema wil de rosse buurt dan ook opdoeken, en in een buitenwijk zónder schoonheid en historie een modern ‘erotisch centrum’ opzetten. Dat lijkt mij, om allerlei voor de hand liggende redenen, een slecht plan.

Ik passeerde het huis waar ik in de jaren tachtig een paar jaar heb gewoond met mijn toenmalige huisgenoot G., een keurige jongeman die oude geschiedenis studeerde en een zakcentje bijverdiende in de seksbioscoop om de hoek. Ik kan me welig tierend schaamhaar herinneren, en gekreunde Duitse teksten in het genre ‘Du, geiles Luder, mir kochen schon die Eier!’

Over de auteur

Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.

G. moest niet alleen de projector bedienen, maar na sluiting ook het zaaltje schoonmaken, een enerverend klusje. Bij thuiskomst schrobde hij zijn handen altijd langdurig en zorgvuldig met een nagelborstel en veel Dreft.

Intussen deed ik boodschappen bij de AH op de Nieuwmarkt. Ik liep dan door de Stoofsteeg, een nauw straatje met aan weerszijden allerlei hoeren in diverse kleuren en maten. Ze waren stuk voor stuk sprookjesachtig mooi in hun roodverlichte etalages.

Toen ik er een paar maanden woonde begonnen de hoeren mij te groeten, en al gauw groette ik terug, aanvankelijk aarzelend, maar later joviaal, met opgestoken hand. De mooiste van allemaal zag eruit als een Afrikaanse prinses. Ze zwaaide niet, maar schonk me steevast een hemelse glimlach. Ach, ik voelde me een vrouw van de wereld. Kijk mij nou familiair zijn met die fabelwezens van de beruchte rosse buurt!

Op de terugweg liep ik dan wéér door de Stoofsteeg, nu in omgekeerde richting, met mijn tasje boodschappen. Ik was pas 19 en kon kon nog niet zo veel verschillende gerechten koken. Mijn pièce de résistance was preitaart: bladerdeeg, prei, ‘macaronivlees’, geraspte kaas en ei.

Preitaart vonden we heel lekker en we aten het ontzettend vaak. Meermaals per week passeerde ik dus die meisjes van de Stoofsteeg met een tas van waaruit een flinke bos prei trots zijn groene loof presenteerde (zakjes voorgesneden groente bestonden toen nog niet). En wéér zwaaien, en wéér die mysterieuze glimlach van de prinses.

Op een goede dag liep ik daar weer, met mijn tas. Ik stak mijn hand al op. En daar sprong de Afrikaanse prinses naar haar deur, deed hem open, en riep, in onvervalst Amsterdams: ‘Jeeezus, meid, komt die prei nou nóg niet je oren uit?’

Wat ik maar zeggen wou: dat is een heel slecht plan, van Femke Halsema.

Source: Volkskrant

Previous

Next