Hoeveel discipline moet de Joodse onderduiker Curt Bloch hebben gehad om in de oorlog élke week zijn verzetstijdschrift Het Onderwater Cabaret (OWC) vol te schrijven en van een sarcastische, dan wel vrolijk stemmende cover te voorzien? Hoeveel doorzettingsvermogen, in de wetenschap dat zijn bijtende gedichten in dat blad met een oplage van 1 slechts door enkele mensen zouden worden gelezen? En hoe bereikt het OWC, dat altijd onaangeroerd lag opgeborgen in een New Yorkse boekenkast, 78 jaar na het einde van de oorlog alsnog een groot publiek?
Niet elke vraag over de tijdens de Duitse bezetting in Enschede ondergedoken Curt Bloch (1908-1975) laat zich beantwoorden. Maar buiten kijf staat dat hij een doorzetter was, een creatieve geest, een getalenteerd ontwerper die, onder dreiging van de naziterreur, in de benauwenis van de onderduik tot een imposant levenswerk kwam. Dat krijgt nu internationaal aandacht door het boek dat over hem en zijn unieke nalatenschap is verschenen.
Arno Haijtema is redacteur van de Volkskrant. Hij schrijft onder meer over fotografie en de manier waarop nieuwsfoto’s ons wereldbeeld bepalen.
Bloch zelf, een Duits-Joodse jurist uit Dortmund die in 1933 naar Nederland vluchtte voor het opkomende nazisme, is al in 1975 in de VS overleden. Zijn weduwe, 98 inmiddels, leeft nog, in New York, maar de oorlogsjaren en haar eigen ervaringen in concentratiekampen waren zo traumatisch dat er nauwelijks met haar over valt te praten. Bovendien, zegt historicus Gerard Groeneveld, trouwde zij pas na de oorlog met Curt. Goedbeschouwd wist zij weinig over het hoe en waarom van die 95 deeltjes van het Onderwater Cabaret, minuscule, fragiele priegelwerkjes van plak- en knipwerk en met handgeschreven teksten op het formaat van 10 x 15 centimeter.
Het was hun dochter Simone die opperde dat er misschien toch eens iets moest gebeuren met de oude documenten in de boekenkast. Wellicht vormden de gedichten studiemateriaal voor een scriptie? Zo kwam via een reeks contacten, te veel om hier te benoemen, Gerard Groeneveld (67) in beeld: gezaghebbend auteur van (foto)boeken over de Tweede Wereldoorlog, goed bekend met de Nederlandse geschiedenis, en daarom, met zijn kennis van Blochs in het OWC gevoerde Nederlandse en Duitse taal, de aangewezen persoon om diens schepping een waardig podium te bezorgen. Dat is Het Onderwater Cabaret – Satirisch verzet van Curt Bloch geworden.
Met de afbeeldingen van alle 95 covers die Bloch vervaardigde vanaf september 1943 tot de bevrijding in het voorjaar 1945 (het laatste nummer uit april heet, hoe toepasselijk, De Bovenwater finale van het o.w.c.) en het afdrukken van een selectie uit de 470 gedichten vormt het boek de prachtige weerslag van Blochs creatieve arbeid tijdens de onderduik. Haat jegens het oorlogsgeweld en de naziboegbeelden, Hitler, propagandachef Goebbels, Himmler, maar ook hun vijand Stalin, vormen de constanten in woord en beeld.
De cabareteske gedichten, afwisselend in het Duits en Nederlands, hebben uit artistiek oogpunt niet allemaal eeuwigheidswaarde, maar als weerspiegeling van de oorlogstijd (en de ervaringen en visie van de onderduiker) zijn ze veelzeggend. De ijzersterke fotocollages, met plaatjes uit oude kranten waaruit Bloch de covers samenstelde, aangevuld met eigenhandige tekeningetjes, ademen de sfeer van dada. Ook de geest van het bloeiende Berlijnse cabaret in het interbellum waart rond, net als die van de Russische avant-garde, met grootmeesters als Rodchenko, El Lissitzky en Malevitsj.
Stijlvast, kleurrijk, met minimale artistieke middelen vervaardigd en met ongekende schwung vormen Blochs 95 covers een aangrijpende kroniek van verzet tegen vervolging en onderdrukking. Onvermijdelijk doemt de vraag op: voor wie? Volgens Groeneveld begon Bloch het OWC als een daad van verzet, ontstaan door woest makende machteloosheid. Hij wilde zijn voormalige (Duitse) landgenoten een ‘geestelijk klysma’ toedienen om Goebbels’ ‘propagandadrek’ uit hun hersenen te spoelen. Zijn lezerspubliek werd gevormd door een groep mensen in zijn directe omgeving: de gastgevers die zijn onderduik mogelijk maakten, hun helpers en zijn al dan niet Joodse lotgenoten. Hij declameerde verzen op stiekeme bijeenkomsten, zijn publiek las het tijdschrift en gaf elk exemplaar, zo blijkt uit de compleetheid van de verzameling, aan de schepper terug.
Groeneveld reconstrueert in zijn boek nauwgezet het leven van Bloch voor en tijdens de oorlog. Hij verbaasde zich over de taalvaardigheid van de latere onderduiker, die nadat hij in Enschede was neergestreken en bij een tapijthandelaar was gaan werken, het Nederlands uitstekend leerde beheersen. Nadat zijn werkgever was gedwongen hem te ontslaan bij de tapijtzaak, werkte Bloch korte tijd voor de Joodsche Raad in Enschede. Anders dan die in Amsterdam, weigerde de raad in Enschede als instrument van vervolging door nazi’s te fungeren, maar raadde Joden aan zich aan deportaties te onttrekken, door zich te verbergen. Zo begon ook voor Bloch de onderduik, in augustus 1942.
Het was de aanvang van een periode van (vermoedelijk) verveling, angst, stiekeme verhuizingen, onzekerheid en ook verliefdheid (bijvoorbeeld op zijn mede-onderduiker Ola). Een lange tijd van hoge druk, die zijn uitweg vond in Het Onderwater Cabaret. Hij dichtte over Goebbels: ‘Men speelt niet intuïtief vabanque/ Zoals de Führer doet/ Die onder propagandaklank/ Vergiet het Duitsche bloed./ Die alles inzet en verliest/ Voor ijdel hersenschim/ Of ’t leger sneuvelt of verliest, / Das ist ja nicht so schlimm.’
Mooi sarcastisch klinkt ook het ‘overlijdensbericht’ van de 19-jarige SS-stormman Johan Strootmann, van wiens dood Bloch in het Twentsch Nieuwsblad had vernomen: ‘In de krant kunnen we het lezen/ Goed van hart ben je geweest/ En je diende braaf in de storm/ Nu vreet aan jou de dodenworm.’ De Italiaanse dictator Mussolini hekelde hij met: ‘Hij is een pop aan Hitlers draad/ En doet wat Adolf zegt,/ Benito is een Duitsch soldaat/ En is een moffenknecht./ Dat is het, wat thans ieder ziet/ En wat thans ieder weet./ Snapt u het hoezoo de Duce niet/ Allang de ‘Duitsche’ heet?’
Een van Blochs latere gedichten (uit begin april 1944) in het OWC is opgedragen aan zijn moeder, die op 14 april 1883 was geboren: ‘Een jaar ging heen, een jaar zonder berichten,/ Ik weet vandaag niet waar U bent/ En toch ga ik vandaag iets voor U dichten/ Ik ben nu eens van ouds eraan gewend/ Voor uw verjaardag een gedicht te schrijven/ En daarom doe ik het ook thans,/ Al zal ’t voorlopig ongelezen blijven, Ik hoop nog altijd op de kleine kans/ Dat men elkaar na afloop dezer tijden/ Nog eens in leven wederziet.’ Bloch wist dat zijn moeder en zus Helene waren gearresteerd, maar was er onwetend van dat zij al op 23 mei 1943 in Sobibor waren vermoord.
De bevrijding begroette Bloch met zijn laatste gedicht, de Bovenwaterfinale, dat eindigt met: ‘Voorbij de tijd van krijg en bommen,/ Voorbij de tijd van oorlogswee./ Het o.c.w. sluit zijn colommen/ En zegt voorgoed vandaag/ Tabé!’ In weerwil van de optimistische toon begon in 1945 een periode van nieuwe beproevingen voor Bloch. Het gemis van zijn moeder en zus, omslaand in rouw en somberheid, de chaos die volgde op de repatriëring van Nederlanders, de kilheid en vijandigheid die Joodse overlevenden ontmoetten. De economische ellende die na de oorlog het antisemitisme opnieuw aanwakkerde.
De grootste schande die de naoorlogse overheid over hem afriep, was Bloch te bestempelen als een ‘vijandig onderdaan’. Duitsland had hem in 1941 onder de naziwetten zijn staatsburgerschap ontnomen, Nederland maakte na de oorlog een ‘vijandige’ Duitser van hem. Als gevolg daarvan werd zijn vermogen bevroren. Bureaucraten van het Nederlands Beheersinstituut, belast met onderzoek naar en beoordeling van Duitsers en hun collaborateurs, traineerden het onderzoek naar de voormalige onderduiker eindeloos, zodat die pas in mei 1947 een ‘non-enemy-verklaring’ ontving en door kon gaan met leven.
In die deprimerende periode van afwachten ontmoette Bloch Ruth Kan, net als hij in Dortmund geboren en met haar Joodse familie voor de oorlog uit Duitsland gevlucht, naar Amsterdam. Geen van haar gezinsleden zou de vervolging door de nazi’s overleven. Ruth zelf kwam in strafkamp Vught terecht bij het Philips-Kommando, om radiobuizen te produceren. Via Westerbork werd ze gedeporteerd naar Auschwitz, maar ook die hel overleefde ze; met haar in Vught opgedane technische kennis was ze waardevol voor de oorlogsindustrie, en zo doorstond ze de oorlog ternauwernood.
In 1948 vertrok het jonge echtpaar Kan-Bloch met hun pasgeboren zoon Stephen per SS Nieuw Amsterdam richting Amerika. Om in hun levensonderhoud te voorzien, werkte Bloch in New York in een vleesverwerkingsfabriek, gevolgd door een margarinefabriek. Na vijf jaar werd hij Amerikaans staatsburger en hij ontwikkelde zich tot succesvol antiekhandelaar. In 1959 werd Curt en Ruths dochter Simone geboren, tien jaar later stierf hun aan depressies lijdende zoon Stephen door zelfmoord: tijdens een behandelsessie bij zijn psychiater sprong hij vanaf de dertiende etage uit het raam. Curt Blochs gezondheid ging in de jaren zeventig hard achteruit. Hij liep moeilijk, en uiteindelijk met krukken. Hij onderging operaties en overleed in 1975, toch nog plotseling. Hij werd 66 en heeft voor zover bekend zijn artistieke talenten nooit meer beproefd.
Gerard Groeneveld: Het Onderwater Cabaret – Satirisch verzet van Curt Bloch; WBooks, € 44,95. Het Joods Museum Berlijn stelt de OCW’s tentoon van 9/2 t/m 26/5.
Nadat Gerard Groeneveld in contact was gekomen met de familie Bloch in New York, begon zijn onderzoek naar Het Onderwater Cabaret. Intussen zocht de familie naar mogelijkheden om de collectie fiscaalvriendelijk te doneren. Dat liep via de Charities Aid Foundation (CAF) America, een liefdadigheidsinstelling. Kort voordat ze daarmee in zee ging voor de schenking hadden Groeneveld en Curts dochter Simone Bloch schriftelijk overeenstemming bereikt over zijn gebruik van het materiaal. De CAF, inmiddels copyrighthouder van de OWC’s, dreigde een publicatie te blokkeren als Groeneveld zonder toestemming het boek zou uitbrengen. Maar door die tijdige schriftelijke overeenkomst kon de publicatie van het boek probleemloos doorgang vinden. De collectie is geschonken aan het Joods Museum in Berlijn.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
Voor snelle wijzigingen en bezorging
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden