Verleden jaar ontving ik een uitnodiging van een museum in Zwitserland om een tekst te schrijven bij een expositie van een kunstenaarscollectief (Gaffa) over een heg. Ik dacht aan een grap. De naam van het museum (Zeughaus) en de plaats (Teufen) zeiden mij niets, terwijl ik meende Zwitserland aardig te kennen. En dan die heg.
Ondanks mijn aarzelingen schreef ik een tekst, om mij ervan te vergewissen dat ik echt niet het slachtoffer was van een practical joke reisde ik begin januari naar Teufen.
Het dorp, zo’n zesduizend inwoners, ligt in het kanton Appenzell Ausserrhoden. In 2014 berichtte de Zwitserse radio dat er ongeveer vierhonderd miljonairs in Teufen woonachtig waren.
De artistieke directie van het museum, David en Lilia, haalde mij op van het station in Zürich, zij namen mij mee naar het befaamde restaurant Kronenhalle. Voor zover dit een practical joke was, dan een waar geld en moeite in was gaan zitten.
David bleek een schuchtere man die als student had bijverdiend door als levende reclamezuil voor bepaalde boeken op vliegvelden rond te wandelen. Hij had zelf met dit idee een uitgever benaderd.
Tijdens de maaltijd kwam ik te weten dat het museum nog maar kort bestond en gehuisvest was in een wapendepot uit de 19de eeuw. Miljonairs waren er nog steeds in Teufen. Zelf kwam David uit Wallis, hij gaf me een boekje van de beroemdste schrijver uit dat kanton, Maurice Chappaz. Het heette Les maquereaux des cimes blanches, oftewel: de pooiers van de eeuwige sneeuw.
Laat reisden wij naar Teufen. Het regende. In het licht van de lantaarns lag het voormalig wapendepot te glinsteren.
‘Wij kunnen niet genoeg benadrukken hoe blij we zijn met je tekst’, zei David.
De bergen waren onzichtbaar maar ik meende de pooiers van de eeuwige sneeuw in de verte te horen grommen.
Source: Volkskrant columns