‘Laten we hopen dat de komende verkiezingen (…) het begrip klasse een comeback maakt’. Het is eind 2023 en aan het woord is Xandra Schutte, hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, het tijdschrift voor het ‘denkende deel der natie’, aldus de Volkskrant. Dat tijdschrift bracht namelijk een themanummer uit over klasse met gasthoofdredacteur Ron Meyer. Meyer, oud-vakbondsleider en SP-politicus, nu werkzaam als directeur nationaal programma Heerlen-Noord, weet waarover hij spreekt. Zijn praktijkervaring gecombineerd met deze redactionele finefleur leek mij een match made in heaven.
Zelden heb ik zo uitgekeken naar een tijdschrift. Zelden werd mijn intellectuele honger slechter gestild. Het illustreert namelijk de totale onmacht om in Nederland via klassen te denken. Begrijp me goed, dit zeg ik niet om de Groene in diskrediet te brengen, want het belang om dit denken verder te ontwikkelen kan nauwelijks worden overschat. Nee, dit zeg ik omdat deze Groene een ‘teken van een teken’ is, om met de Italiaanse schrijver Umberto Eco te spreken. Het staat voor een bredere onmacht om via sociale klassen, het belangenonderscheid van specifieke sociale milieus, te denken.
In welgeteld 130 pagina’s worden er namelijk arbeiderswijken bezocht in Zuid-Limburg, Rotterdam-Zuid en Oost-Groningen. Het gaat over zware beroepen, kansarme jongeren, nachtelijke treinschoonmakers en ‘of een arbeidersklasse nog wel bestaat’. Leuk en aardig, maar daarmee blijft klassendenken een eendimensionaal en – erger – een weinig relationeel begrip.
Mark van Ostaijen is als bestuurssocioloog verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij schrijft op deze plaats een wisselcolumn met Thomas van der Meer. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Klassendenken is namelijk relationeel denken, omdat een onder- of bovenklasse, een arbeiders- of vermogende klasse alleen kan bestaan in relatie of confrontatie tot elkaar. Dat conflictueuze denken is in de Nederlandse polder doorgaans ongemakkelijk. En dus sussen we elkaar in slaap met frictievrije begrippen zoals sociale mobiliteit, opklimmen en dalen.
En dus, wél inzoomen op de ‘kansarme’ stadswijken van Rotterdam, Heerlen en Groningen, zonder inzicht in Laren, de grachtengordel of de Zuidas. Daarmee blijft klassendenken primair arbeidersklassedenken en schrijft de schrijvende klasse altijd over ‘de ander’. Maar waarom gaat het bij ‘sociale mix’ of ‘sociale spreiding’ zelden over de bezittende klasse in Rozendaal, Kralingen of Wassenaar?
Waar blijft de drugspolitiek die de cocaïneverslaving van Randstedelijke yuppen aanpakt? Waarom tolereren we nog frequent flyers op Schiphol? Waarom worden rijken steeds rijker en hoe staat het met het geweten van grootaandeelhouders? En waarom voelt de adel zich inmiddels te goed voor de publieke sector door baantjes te verkiezen in het private domein?
Vanuit het Nederlandse egalitaire zelfbeeld is het niet verrassend dat de begripsvorming rondom klassen onderontwikkeld is. Dat valt ook op uit recente SCP-rapporten waarin wordt gepoogd Nederland te begrijpen als klassensamenleving. Het leidt vooral tot een vrolijke potpourri van ondoorzichtige definities en onbegrijpelijke categoriseringen.
Een groot contrast met de Franse literatuur waar schrijvers als Édouard Louis, Annie Ernaux en Didier Eribon die taal heroveren. Zo schrijft socioloog Eribon doorgaans liever niet over een ‘hogere klasse’ maar over ‘heersende klasse’, niet over ‘ongelijkheid’ maar over ‘overheersing’ en niet over ‘arbeidersklasse’, maar over een ‘onderdrukte’ of ‘gedomineerde klasse’. Vanuit een dergelijk vocabulaire is de vraag ‘of een arbeidersklasse nog wel bestaat’ volstrekt irrelevant.
Dit tekent dat progressief Nederland zich geen raad meer weet met de machtstaal van dominantie en overheersing. Het toont dat links niet meer de taal spreekt van de bestuurden, maar van de bestuurders. Niet van de gedomineerden maar van de dominante klasse. Tegelijkertijd is linkse klassenkritiek veelal naar beneden gericht. Het zijn maar populisten, racisten, tokkies of wappies.
De onbegrijpelijke staatsman-achtige campagne van Frans ‘jullie zijn mijn bondgenoten’ Timmermans wordt daarmee ineens begrijpelijker. Het ‘wie zijn die mensen?’ van Sigrid Kaag ook. Evenals de geportretteerde ‘working class heroes’ Goldband, Sophie Straat en, jawel, A.F.Th. van der Heijden in De Groene.
Hoewel er inhoudelijk veel op aan te merken is, was het voor PVV’er Martin Bosma heel duidelijk om direct vanaf de partij-oprichting ‘de taal te beheersen om de discussie te kunnen domineren’. Want zodra ‘mensen een bepaald vocabulaire gebruiken, zullen ze ook op die manier denken, en daarmee werd taal een frontlijn’.
Politieke strijd is een taalstrijd, een strijd over welke taal legitiem is, bijvoorbeeld om onderdrukking, uitbuiting en dominantie uit te drukken. Zolang links zich talig blijft vereenzelvigen met de heersende klasse is het totaal kansloos. De vraag is nu of ook het ‘denkend deel der natie’ dat falen durft aan te vechten. Dat zou pas klasse zijn.
Source: Volkskrant columns