De vriend werkt bij een kleine kunstinstelling, hij kwam een paar maanden geleden bij mij langs met een dringende vraag: wat moest eigenlijk zijn mening zijn over de oorlog tussen Israël en Hamas? Op de automatische piloot begon ik aan een antwoord, met om de twee zinnen woorden als ‘complexiteit’ en ‘historische context’, totdat het me daagde dat ik met de vriend gewoonlijk over nieuwe kunsttentoonstellingen spreek, maar eigenlijk nooit over de wereldpolitiek. Vanwaar deze plotse verandering van conversatiestof?
Toen bleek dat zijn werkgever van plan was te komen tot een soort gezamenlijke verklaring over die oorlog, en de positie die de kunstinstelling daarbij zou moeten innemen. Ik was verbijsterd, en ben dat eigenlijk nog steeds.
Waarom zou een Nederlandse kunstinstelling een verklaring moeten afleggen over zo ongeveer het meest ingewikkelde geopolitieke vraagstuk ter wereld? Een vraagstuk bovendien dat mijlenver verwijderd ligt van de eigen expertise? Ik zei tegen de goede vriend dat hij zich vooral een mening moest aanmeten, als hij daarom verlegen zat, maar dat zijn kunsthistorische inbreng misschien niet onmisbaar zou blijken.
Het is na 7 oktober een gangbare praktijk geworden: studenten, en trouwens ook docenten van universiteiten en hogescholen, die vinden dat er één ferme, gezamenlijke uitspraak moet worden gedaan, als cadeau van Wageningen, Nijmegen en Amsterdam-Zuid, aan… ja, aan wie eigenlijk? Je kunt nog redeneren dat op die universiteiten over mensenrechten wordt onderwezen, over de geschiedenis van kolonialisme en dekolonisatie, over politiek en internationale betrekkingen: maar waarom zou zo’n academische of hogere beroepsopleiding met één mond willen spreken, als was zij het Nederlands kabinet? Dat de meningen mogen botsen, en dat de argumenten over en weer gaan; dat niemand op voorhand het recht van spreken wordt ontnomen.
De voldragen mening van de Universiteit van Amsterdam, mijn alma mater, vind ik net zo relevant als die van mijn accountantskantoor. De academie is er voor de kennis, niet voor de mening.
Vond ik dat ook toen Rusland de oorlog tegen Oekraïne begon? Ja. Toch verscheen toen dit bericht: ‘De UvA veroordeelt de Russische inval in Oekraïne’. In mijn ogen is de Russische oorlog niet vergelijkbaar met die in Gaza, en kennelijk dacht de UvA daar ook zo over. Maar toch, in alle redelijkheid: de UvA heeft geen ogen, het is een onderwijsmoloch met 34.000 studenten en 6.000 medewerkers. Hoe sympathiek ook, die veroordeling van de UvA is nergens voor nodig. Het is een bewijs van goed gedrag, een medaille op de eigen borst gespeld.
Dat ex cathedra spreken (vanuit de zetel) was ooit het voorrecht van de paus.
De katholieken zijn een slinkende minderheid in dit land, maar het ex cathedra spreken neemt onrustbarend snel toe.
Source: NRC