Met zijn ogen beschermd door een grote bruine zonnehoed, hetzelfde bruin als de kaftan die losjes om zijn smalle bovenlijf valt, stapt Badou Njie door zijn veld. Het groen kraakt onder zijn voeten, tot de zeventiger stilhoudt, voorover buigt en met een draaiende beweging een bos pinda’s uit de grond trekt. Voorzichtig schudt hij de aarde eraf, kijkt ernaar en trekt een zorgelijk gezicht.
Het is eind oktober, oogsttijd, en daarmee breekt het belangrijkste moment van het jaar aan voor de familie Njie in Fass Omar Saho, een dorpje aan de noordkant van de Gambiarivier. Pinda’s en mais vormen het middelpunt van het leven hier. Eindeloze velden vullen de horizon. De mais is meer een extraatje, zegt Njie. Waar het hem en zijn buren vooral om gaat, zijn de pinda’s.
Zijn hele leven staat hij al op deze velden, zijn grootouders en ouders waren ook pindaboeren. Aan een ander leven heeft hij nooit gedacht. Maar, zegt Njie, „we hebben problemen”.
De afgelopen twee jaar waren zijn pinda’s niet zoals ze hoorden. Brak je hun jasje open, zaten er piepkleine nootjes in. Beschimmeld soms. „We moeten geloven dat het dit jaar beter wordt.” Maar het verschrompelde nootje dat hij nu in zijn hand houdt, is niet wat hij hoopte te zien.
In Gambia is zo’n driekwart van de werkende bevolking afhankelijk van landbouw. Rijst, mais, granen. Maar vooral pinda’s, één van de belangrijkste exportproducten van het land, te koop in kraampjes langs wegen en op markten, en dagelijks gegeten door vrijwel iedere Gambiaan.
Alleen is er, zoals Nije al zei, een probleem. Gambia worstelt net als andere landen in Afrika ten zuiden van de Sahara met een onzichtbare vijand: de gifstof aflatoxine. Die wordt aangemaakt door een schimmel – aspergillus flavus – die gedijt in een warm, vochtig klimaat. En zeker waar het kleine boeren ontbreekt aan koele en droge opslagplekken voor hun mais en pinda’s.
Besmette gewassen kunnen uiteindelijk zelfs dodelijk zijn. Zo stierven in het zuiden van Kenia in 2004 meer dan 125 mensen nadat zij mais hadden gegeten die extreem hoge concentraties van de stof bleek te bevatten. Twaalf jaar later, in 2016, werden in buurland Tanzania 65 mensen doodziek na het eten van mais vol aflatoxine. Negentien van hen overleefden het niet.
Acute aflatoxicosis wordt het genoemd: de hoeveelheid gifstof was zo hoog, dat mensen stierven aan acute leverschade. Vaker zijn de gevaren sluipend. Groeistoornissen, een onderdrukt immuunsysteem, schade aan de organen, vooral de lever. Wetenschappers ontdekten dat aflatoxine een versterkend effect heeft op hepatitis B, een infectie die veel schade aanricht in het Afrika bezuiden de Sahara, en een belangrijke veroorzaker is van leverkanker.
Ook in Gambia. Volgens artsen heeft minstens 8 procent van de 2,5 miljoen Gambianen hepatitis B. Onder mannen is leverkanker met stip op één de meest voorkomende vorm van kanker. Bij de vrouwen is het de nummer drie.
De man kijkt ernstig. Natúúrlijk is het een kopzorg. In het kantoortje van wat tot niet zo lang geleden de Gambia Groundnut Corporation heette, de instantie die namens de staat pinda’s opkoopt en exporteert, schuift Francis Beyai in zijn stoel. Als ambtenaar is hij verantwoordelijk voor de kwaliteitscontrole van de pinda’s. „De economische impact is groot.”
Vroeger, zegt de ambtenaar met een vriendelijk rond gezicht, verkochten ze hun pinda’s aan Europa. Eerst voor consumptie. Later, toen de eerste sporen van aflatoxine werden aangetroffen, als vogelvoer. Dat stopte toen het ‘Rapid Alert System’ van de Europese Unie, dat lidstaten onder andere waarschuwt als een geïmporteerde lading voedsel gevaarlijke hoeveelheden aflatoxine bevat, te vaak alarmsloeg.
Nu heeft alleen de Aziatische markt, die volgens Beyai veel minder lucratief is, nog interesse in hun pinda’s, en dan vooral China, zelf de grootste pindaproducent van de wereld. Nadat Gambia’s export van pinda’s het afgelopen decennium afnam tot op het dieptepunt 160 ton in 2020, schoot het de laatste twee jaar weer omhoog naar 7.000 ton in 2022. Alles ging naar China. Naar Europa: nul.
De Chinezen zijn minder streng, legt de ambtenaar uit. Volgens EU-regels mag voedsel maximaal 4 microgram aflatoxine per kilo bevatten. In China (en de Verenigde Staten) ligt die limiet op 20 microgram. Voor mensen. „Maar zij gebruiken het als voer voor vee en vogels”, zegt Beyai. „Dat is wel een teken dat wat wij hier eten niet veilig is.”
Zo kwamen hij en zijn collega’s bij het nemen van monsters waarden van 53 microgram tegen. „Dat is te veel”, zegt de ambtenaar. Hij schudt zijn hoofd. „Te veel.”
Maar het kan erger. In 2013 verzamelde een team van wetenschappers onder leiding van de Senegalese Amadou Lamine Senghor, gespecialiseerd in plantenpathologie, monsters van pindavelden in alle regio’s van Gambia. In North Bank kwamen ze concentraties tot wel 570 microgram tegen, in West Coast schoot dat zelfs uit naar 1.411 microgram. „Kun je het je voorstellen?”, vraagt de wetenschapper tien jaar later door de telefoon.
In Kenia, waar meer dan honderd mensen overleden na het eten van mais, waren destijds concentraties van 4.400 microgram aflatoxine gemeten.
Senghor was naar Gambia gestuurd namens het Internationale Instituut voor Tropische Agricultuur, een ngo met een hoofdkwartier in Nigeria. Niet alleen om te kijken hoe erg het er gesteld was met aflatoxine, maar vooral om een oplossing te testen: aflasafe, blauwige korrels die bestaan uit een concurrerend schimmelspoor die géén aflatoxine aanmaakt en zo voorkomt dat de gifstof zich in een gewas kan vormen.
In Senghors thuisland Senegal, de grote buur van Gambia waar aflatoxine de pindaboeren evenzeer plaagt, hadden ze het middel al een paar jaar getest, vertelt hij. De resultaten waren verbluffend. „In pindavelden zagen we een aflatoxine-afname van wel 95 procent. Bij mais was dat zelfs 100 procent.”
Badou Njie ziet ze nog aankomen, de mensen van het ministerie van Landbouw. Een paar jaar geleden liepen ze de binnenplaats op waar de pindaboer nu onder een golfplaten afdakje zit, terwijl zijn kleinkinderen gillend achter elkaar aanrennen op blote voeten. De mannen overhandigden Njie een grote zak met blauwige korrels, en zeiden: „Strooi dit over jullie gezaaide pinda’s, dan zullen jullie geen problemen meer hebben.”
Wat die problemen precies waren, dat wist de pindaboer niet helemaal. Hij kon zíén dat zijn pinda’s er niet zo goed uit zagen als vroeger, dat ze schimmelig konden zijn als hij ze openmaakte. De zepige smaak die het in je mond naliet. Maar aflatoxine, daar had hij nog niet van gehoord.
Die zepige smaak wil overigens niet per se zeggen dat de pinda met de gifstof is besmet, zegt Amare Ayalew. Deze onderzoeker uit Ethiopië houdt zich al 25 jaar met het onderwerp bezig en geeft leiding aan PACA (het Partnerschap voor Aflatoxine Controle Afrika), een programma van de Afrikaanse Unie. „Het verraderlijke aan aflatoxine is dat het geen geur of smaakt heeft.”
Een beschimmelde pinda hoeft de gifstof niet te bevatten, terwijl dat voor een pinda die er goed uitziet juist wél het geval kan zijn. Daarom is testen zo belangrijk, zegt Ayalew. Maar voor arme landen is dat vaak lastig. Bovendien zijn in landen als Gambia vooral veel kleine boeren. „Wat ga je doen met hun pinda’s als je aflatoxine vindt? In een ontwikkeld voedselkwaliteitsysteem worden die vernietigd, maar kun je dat hier doen?”
De blauwe wonderkorrels die Njie en honderden andere pindaboeren gedurende enkele jaren kregen deden ook hier hun werk. De resultaten waren zelfs zó goed, zegt Senghor, dat er weer ladingen Gambiaanse pinda’s naar het Verenigd Koninkrijk werden geëxporteerd.
Maar toen was het geld op. In zijn kantoortje is de zorgelijke blik weer terug op het gezicht van kwaliteitscontroleur Francis Beyai. Met hulp van partners konden zij de boeren van het natuurlijke controlemiddel voorzien, zegt hij. Op het eind dankzij de FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties. Maar dat project kwam in 2021 ten einde. De Gambiaanse regering had het moeten overnemen, zegt hij. Maar dat gebeurde niet.
Het West-Afrikaanse landje is wat de VN omschrijft als een „minst ontwikkeld land”. Dan zijn er veel concurrerende prioriteiten, zegt onderzoeker Ayalew van PACA. Zoals de ondergefinancierde zorg, de slechte wegen. „Gambia kan zich niet zoals in een ontwikkeld land op alles tegelijk richten.” De laatste keer dat er pinda’s op aflatoxine werden getest, was in 2021. Daarna was er geen financiering meer, vertelt een van de betrokken onderzoekers. „Zonder financiële steun kunnen we dit niet doen.”
Strenge regels beschermen Europeanen tegen voedsel met deze gifstof, maar dat geldt niet voor Gambianen. Net als in buurland Senegal is er geen wet die een limiet stelt aan de hoeveel aflatoxine die bijvoorbeeld in de pinda’s mogen zitten die mensen eten. Nóg niet in het geval van Gambia – een wetsvoorstel ligt nu bij het parlement.
Het zal heus niet zo zijn dat alle pinda’s slecht zijn, zegt Sheikh Omar Bittaye, één van de slechts enkele leverspecialisten die Gambia telt. „Maar we moeten wel weten wat we eten.” De kliniek waar hij werkt in de hoofdstad Banjul is de enige die patiënten met leverkanker kan behandelen, zegt hij.
De meesten overleven de ziekte niet. Bittaye: „Gemiddeld zit er niet meer dan anderhalve maand tussen het moment dat patiënten zich bij ons melden en dat ze overlijden.” Soms spoken hun namen nog door zijn hoofd. De vader en zoon die kort na elkaar bij hem kwamen, de twee ooms uit dezelfde familie. Hij ziet zo’n honderd patiënten met leverkanker per jaar, zegt hij. Dat zijn degenen die Banjul halen. Velen met de ziekte komen daar niet op tijd achter.
Hepatitis B is daarbij een belangrijke factor. Bittaye: „Maar we weten óók dat aflatoxine dat kan zijn.” Tegen zijn patiënten met hepatitis is hij dan ook helder: pas op met pinda’s. De beschimmelden altijd vermijden, net als de pindakaas die op de markt wordt verkocht. Wie weet wat voor pinda’s daarin zijn gebruikt. „Voor mij is preventie is de sleutel.”
Ze hadden de oplossing. Ploegend door gewassen die tot boven hun middel reiken, banen de goedlachse Abdoul Aziz Seck (55) en zijn dorpsgenoot Bala Ceesay (61) zich een weg naar een stenen gebouw met een dak van rode golfplaten. Over enkele weken zullen hun pinda’s vanuit dit verzamelpunt worden verkocht, vertelt Ceesay terwijl Seck een van de deuren opensjort. Binnen ruikt het naar vochtig steen.
Beide mannen, gekleed in een roze en witte kaftan en met mutsjes op, willen graag vertellen over „dokter Senghor”. „Hij heeft ons erg geholpen”, zegt Seck. Vijf oogsten lang kregen zij net als anderen uit hun dorp aflasafe om hun pinda’s mee te behandelen. De schimmels werden minder, de prijs die ze kregen hoger. „Voor aflasafe kregen we zo’n vijftien dalasi (20 eurocent) voor een kilo, daarna 22 dalasi”, zegt Ceesay. „En toen stopte het ineens.” Voortaan moesten de boeren het weer zonder de korrels doen.
Onbegrijpelijk, vinden de twee. Meermaals vroegen ze aan de collega’s van Francis Beyai, die namens de staat hun pinda’s kwamen kopen, of ze weer aflasafe konden krijgen. Tot nu toe zonder succes. Ook tot frustratie van Beyai zelf. Als ze alle pindaboeren in Gambia deze korrels zouden kunnen geven, dan zou aflatoxine over twee, drie jaar misschien niet helemaal verdwenen zijn, maar op zijn minst wel onder controle, zegt de ambtenaar.
Maar ja, geld.
Source: NRC