Home

‘Als ik het bijltje erbij neergooi, wat betekent dat dan voor anderen met dezelfde achtergrond?’

Hij groeide op in achterstand. Zijn moeder overleed toen hij 9 was. Op zijn 15de werd hij van school gestuurd. Er had van alles van Khalid Kasem kunnen terechtkomen, maar eerst advocaat en nu tv-presentator? Hemzelf verbaast het niets. ‘Ik ben geknipt voor deze baan.’

Als je Khalid Kasem zou vragen of hij ooit twijfelt aan zijn kwaliteiten als talkshowpresentator, zou het antwoord zijn: nee. Want zo zit Kasem (44) in elkaar. ‘Ik had – en heb – de overtuiging dat ik geknipt ben voor deze baan. Zodra je accepteert dat er een optie B is, zul je niet meer vol voor optie A gaan. Ik had een goede functie bij een bank, die heb ik opgegeven om rechten te gaan studeren. Daarna ben ik gestopt als succesvol advocaat om deze talkshow te gaan presenteren. Steeds in de volle overtuiging dat ik het ga cheffen.’

Kasem begon deze week aan het derde seizoen van BNNVara-talkshow Khalid & Sophie, die hij om en om presenteert met Sophie Hilbrand. Als nieuwbakken tv-presentator kreeg Kasem vanaf het begin van het eerste seizoen te maken met tegenvallende kijkcijfers en met commentaren die niet mals waren. Kritisch is hij zelf ook: ‘Het is een feit, en dat is ook zelfkritiek, dat Khalid & Sophie te weinig eigen was. Het werd soms inwisselbaar.’

‘Ik was de outsider, relatief onbekend. Mijn televisie-ervaring bestond uit mijn deelname aan De slimste mens (Kasem werd tweede, red.) en een uitzending van De wereld draait door over Abdelhak Nouri (Kasem was woordvoerder van de familie en schreef een boek over de voetballer, red.). Dat ze de keuze voor mij maakten, zegt iets. Dat deden ze niet omdat ze denken: aardige jongen, die Khalid. Ze moeten er iets in hebben gezien.’

‘Ik had het idee dat ik contact maakte, écht contact maakte met de mensen aan tafel. En ik vond het heerlijk om te doen. Ik was ontspannen en voelde geen druk, omdat ik nooit een televisiecarrière had geambieerd. Maar de onbevangenheid die ik tijdens die pilot had, was weg toen we het programma echt gingen maken. Toen hing er ineens ontzettend veel vanaf.

Als ik in die eerste weken met mensen sprak die dichtbij me staan, zeiden ze dat ze me op tv niet herkenden, dat mijn blik naar binnen was gekeerd, dat ik verstarde. Dat ik wel luisterde naar mijn gasten, maar eigenlijk niet hoorde wat ze zeiden. Dat had ook met praktische zaken te maken, met iemand die in je oortje zegt hoeveel tijd je nog hebt tot je een gesprek moet afronden, met alles wat er om je heen gebeurt. Ik hield krampachtig vast aan het draaiboek. Toen ik strafrechter Frank Wieland interviewde, die ik vanuit mijn verleden als advocaat goed ken en met wie ik talloze gesprekken heb gevoerd, werd het gekunsteld, een toneelstukje. Dat is het moeilijkste – hoe zorg je dat het écht wordt? Dat is iets wat ik moest leren, en daar ben ik nog steeds mee bezig. Misschien had ik gedacht dat de kijkers, de critici, dat zouden begrijpen.’

‘Misschien naïef, maar ik had gehoopt dat ze meer oog zouden hebben voor mijn onervarenheid. Dat men niet een oordeel na een of twee uitzendingen velt, maar na een paar weken. Maar zo werkt het kennelijk niet. Ik heb voor veel dingen in mijn leven moeten vechten, maar voorheen kreeg ik daar de tijd voor, mijn inzet werd altijd gewaardeerd. Bij Khalid & Sophie werd ik meteen afgerekend op het eindresultaat. Terwijl je denk ik niet van Khalid, van wie dan ook, kunt verwachten dat hij meteen op hetzelfde niveau presteert als Matthijs van Nieuwkerk. De commentaren van sommige recensenten waren buitenproportioneel hard, Khalid & Sophie was na één aflevering al dood en begraven. Ik vond er weinig empathie in doorklinken.’

‘Eigenlijk niet. Ik gedij het beste als ik ergens vol voor ga, zonder terughoudendheid. Ik ben niet de persoon die denkt dat hij beter eerst met bandjes om kan gaan zwemmen.’

‘Ja, want dan moet het. Nog meer dan dat het daarvoor moest. Misschien interessant om te bedenken waar dat bij mij ooit vandaan is gekomen.’

‘Eh, dat is psychologiseren, dat is niet mijn sterkste kant.’

‘Als je opgroeit in de omstandigheden waarin ik ben opgegroeid, word je per definitie onderschat. Kijk maar naar hoe vaak kinderen uit achterstandswijken worden ondergeadviseerd. Je moet je altijd bewijzen. Dat is soms vermoeiend, maar als ik word onderschat en mezelf bewijs, vind ik dat heel lonend. Tegelijkertijd is het zo dat ik daardoor van mezelf nooit mag opgeven, want dan zouden ze kunnen zeggen: zie je wel. Als ik het bijltje erbij neergooi, wat betekent dat dan voor anderen met een achtergrond zoals die van mij, die zich aan mij op konden trekken? Je zou het druk kunnen noemen die ik mezelf opleg, maar ik zie het als brandstof, het maakt me extra hongerig.’

‘Het gaf ons geen gelukkige start, er werd meteen gekeken of wíj dan wel zo urgent waren. Maar bij die voorgeschiedenis was ik niet betrokken. Ik heb er nooit de vinger achter gekregen waarom De vooravond moest stoppen, die beslissing was genomen voordat ik werd gevraagd. Ik geef niet te pas en te onpas mijn mening, en ik presenteer mijn meningen niet als absolute waarheid. Maar ik neem wel bagage mee. Als ik het in de talkshow heb over armoede, denk ik terug aan hoe ik als jongen lege flessen moest verzamelen omdat ik bij de zelf gesneden friet die we thuis aten iets wilde hebben dat op mayonaise leek, maar dat mayonaise te duur was, en ik dus maar slasaus kocht.

Als het gaat over het toeslagenschandaal, of over misstanden in de jeugdzorg, kan ik putten uit de talloze keren dat ik als advocaat mensen heb bijgestaan die zijn vermalen door het systeem. Ik denk dat BNNVara gelooft dat ik een belangrijke bijdrage kan leveren aan het debat, omdat ik sommige dingen zelf heb doorleefd of van zeer dichtbij heb meegemaakt.’

‘Ik kwam als jongetje bij andere mensen thuis, zag wat ze daar in de koelkast hadden. Ik wist dat wij zelf vaak dagen achter elkaar ’s avonds hetzelfde aten, omdat er een bepaald product die week in de aanbieding was. Het was niet fijn om naar Piet Kerkhof te gaan en daar kleding te kopen die onooglijk was, of om O’Hara-schoenen te dragen terwijl andere jongens Nike Air Max droegen. Als het donkerder en kouder werd, ging bij ons de verwarming niet aan. Het betekende dat je je erop moest kleden.

Toen ik op het mbo zat, moest ik mijn eigen boeken en collegegeld betalen. Dat betekende dat ik moest werken, en ik nam een schoonmaakklus aan op het mbo waar ik zelf studeerde. Ik kwam mijn klasgenoten tegen terwijl ik hun peuken stond op te vegen. Natuurlijk denk je dan niet: wat leuk dat ze mij nu zo zien, maar ik schaamde me er ook niet voor. Het was noodzaak, ik bekeek het rationeel. Bij ons was er geen vangnet.’

Kasems moeder overleed in 1987 aan een leveraandoening, die op zich niet ernstig was, maar tijdens een zomer in Marokko ineens ernstig verslechterde. ‘Binnen een paar weken tijd veranderde ze van een vrouw van 42 die alles kon naar iemand die niets meer kon, en die er vrij plotseling helemaal niet meer was. In eerste instantie lag ze in een kliniek in Marokko, uiteindelijk is ze naar het AMC in Amsterdam gebracht, waar ze is overleden terwijl wij nog in Marokko waren. Ze is daarna in Marokko begraven. Ik was net 9, maar de beelden van die zomer zijn haarscherp. Mijn moeder was een vrouw die, veel meer dan mijn vader, midden in de samenleving stond. Door haar dood heb ik zoveel zelf moeten uitvinden.’

‘Rationeel. Het was zo, het was een feit, en ik ging door. Ik voelde het gemis, want mijn moeder was altijd thuis en ik sliep als jongste nog vaak bij haar in bed. Ik zag in de ogen van anderen de meewarige blikken als ze naar me keken. Dan liep ik met m’n zussen door het winkelcentrum en kreeg ik van een kennis een aai over m’n bol, en dan zag ik die blik. Maar ik heb mezelf nooit zielig gevonden, echt nooit. De wereld is hard, je moet je leven zelf vormgeven. Dat is wat ik heb geleerd door haar dood. Ik koos ervoor om niet in een hoekje te gaan zitten huilen.’

‘Dat is hem nooit gelukt. Hij kwam begin jaren zestig vanuit Marokko naar Nederland, het gezin kwam later, ik ben als jongste in Nieuwegein geboren. Mijn vader heeft in zijn leven teleurstelling op teleurstelling gestapeld. Als je de tocht naar Nederland wilde maken, betekende dat meestal dat je het in Marokko niet breed had. Hij droomde van een beter leven in Nederland, maar hier behoorde hij weer tot de onderkant van de samenleving. Dat was een bron van frustratie. Zijn focus bleef gericht op het moederland. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit met mijn vader heb gesproken over wat het betekende om in Nederland te leven. Hij was fysiek in Nederland, maar mentaal is hij hier nooit geweest. Hij sprak de taal beperkt, was analfabeet.’

‘Hij heeft altijd gehamerd op een goede opleiding, was liefdevol en betrokken, cijferde zichzelf volledig weg om ons kansen te bieden. Eén keer heb ik met hem gesproken over politiek, toen het spannend werd, na 11 september en de moord op Fortuyn, en ik me begon te roeren in het maatschappelijke debat. Ik had een stichting opgericht, Ben je bang voor mij, waarmee we debatten en manifestaties wilden organiseren. Hij belde me op vanuit Marokko en zei: realiseer je goed hoe belangrijk het is dat je je Marokkaanse paspoort hebt, want er komt een dag dat je daar niet meer gewenst bent. Het tweede wat hij zei was: probeer je niet te veel te manifesteren, focus je op je carrière en schop geen mensen tegen de schenen. Dat was zijn houding, en die van veel Marokkanen van zijn generatie: gezagsgetrouw, bescheiden.’

‘Het ging over geweld tegen vrouwen. Door Van Gogh werd gezegd dat dat geweld islamitisch gelegitimeerd was, dat de islam de oorzaak was van dat geweld. Ik zei, en dat geloof ik nog steeds, dat God weinig vrouwen slaat, het zijn mannenhanden die dat doen. Als je beweert dat er een islamitische legitimatie voor geweld is, leidt dat er alleen maar toe dat islamitische vrouwen in een onmogelijke positie terechtkomen. Ik heb hier veel met Theo over gesproken. Toen ik die manifestatie organiseerde, Ben je bang voor mij, was hij een van de eersten die zeiden: ik doe mee.

Alle hoofdrolspelers uit het maatschappelijk debat, daar zat ik in die tijd op een hele laagdrempelige manier mee aan tafel. Van Gogh, maar ook Ayaan Hirsi Ali, Hedy D’Ancona, Ahmed Aboutaleb. Toen werd Fortuyn vermoord en veranderde alles. Er werden mensen bedreigd, het vraagstuk van beveiliging werd een issue, dat was in Nederland ongekend. Hirsi Ali zegde af voor onze bijeenkomst in Paradiso. Toen voelde ik: we staan hier op een vulkaan, en als je deze gevoelens niet kanaliseert, barst hij straks uit.’

‘Ik was er als jonge jongen niet mee bezig, het was iets van mijn ouders. Ik deed mee aan de ramadan, maar in mijn puberteit dronk ik wel alcohol. Na 11 september werd ik ineens bevraagd over een geloofsovertuiging waar ik helemaal geen invulling aan gaf. ‘Hoe komt het dat jullie aanslagen plegen?’ Wie zijn ‘jullie’, dacht ik, want ik begreep niets van dat terrorisme. Toen ben ik me in het geloof gaan verdiepen en religieus geworden. Ik verricht het gebed, ik drink niet meer. Uit mijn persoonlijke relatie met God put ik rust en vertrouwen.’

Na het overlijden van zijn moeder viel het ouderlijk toezicht eigenlijk weg, vertelt Kasem. Zijn vader werkte veel avond- en nachtdiensten in de Persil-fabriek, Khalid kon zo laat thuis komen als hij wilde. ‘Ik heb lang genoeg op straat rondgehangen om te weten: de jongens die het langst bleven, waren de jongens naar wie het minste werd omgekeken. Als er geen toezicht is, is het makkelijk om kattenkwaad uit te halen. Dat deed ik zelf ook. We woonden met zeven kinderen op 60 vierkante meter, dan kun je niet met z’n allen binnen gaan zitten. Ik bracht meer tijd door met vriendjes op straat dan met familie. Ik ben op mijn 15de van school gestuurd. Geen enkele school wilde me nog hebben, dus het was verleidelijk om er maar helemaal mee te kappen, maar gelukkig nam mijn broer me mee naar de wethouder en vroeg: deze jongen is 15 en moet leren, wat gaan we doen?’

‘Nee, ik was een lastige puber, maar het werd te groot gemaakt. Ik moest nablijven en ben uit het raam geklommen, dat was de uiteindelijke druppel. Daarvoor zocht ik natuurlijk wel steeds de grenzen op, ik was aan het zuigen, had een grote bek. Maar toch: met mijn omstandigheden werd geen rekening gehouden. Wat me nog het meest raakte, is dat ik op mijn 15de op geen enkele andere school werd aangenomen. Ik werd afgeschreven, terwijl je mijn gedrag ook als een schreeuw om hulp had kunnen zien. Dankzij de interventie van mijn broer kon ik naar de moedermavo. Daar had ik zes uur per week les en keek echt niemand naar me om. Op dat moment wist ik: als ik er nog iets van wil maken, zal ik het helemaal zelf moeten doen.’

‘Winkeldiefstal en vechtpartijen, het stelen van cd’s bij de Free Record Shop, het mocht geen naam hebben. Mijn broers hielden me goed in de gaten, dus ik wist dat als ik me met de verkeerde mensen zou inlaten, ik een groot probleem zou hebben. Maar de mogelijkheden waren er altijd. Hoe later het werd op straat, hoe snoder de plannen. Dan werd me gevraagd of ik op de uitkijk wilde staan bij een inbraak – ik deed het niet, want ik was bang voor de consequenties. Ik had broers en zussen die meekeken, waardoor dat geen optie was. Soms zag ik sommige van die jongens de volgende dag, met spullen of geld, en dan wist ik waar dat vandaan moest zijn gekomen.

Een ander probleem is de handel in drugs. Ik heb als advocaat gezien hoe makkelijk het is. Je koopt een paar gram, versnijdt het, maakt er pakjes van, neemt een prepaid telefoonnummer, zet dat op kaartjes en die deel je rond op een festival of waar dan ook, en zo bouw je een klantenkring op. Jongens die beginnen te dealen zijn vaak minderjarig. Als advocaat heb ik me altijd verbaasd over het feit dat de gebruiker altijd buiten schot blijft, ook als hij harddrugs koopt van een minderjarige. Ik zou het een goed idee vinden als ook de koper zich in zo’n geval zou moeten verantwoorden voor de rechter. Dat heeft niks met snuifschaamte te maken, maar met het beschermen van minderjarigen, met het doorbreken van een systeem waarin jongeren beginnen met kleinschalig dealen en daarna doorgroeien in de criminaliteit.’

‘Ik denk niet dat er in Nieuwegein iets in het water heeft gezeten, het is simpelweg zo dat overal, ook in de criminele wereld, mensen willen werken met mensen die ze vertrouwen, mensen die ze lang kennen. Het is triest. Ik ken veel van die jongens van vroeger, van het voetballen, en had ze meer gegund dan dit. Ik lees het nieuws over die zaak niet zoals een gewone nieuwsconsument. Even los van de schuldvraag – ik ben te lang advocaat geweest om me daaraan te wagen – is het een feit dat een aantal van de jongens met wie ik vroeger voetbalde nu in detentie zit, en mogelijk lange gevangenisstraffen zal krijgen. Dat maakt me verdrietig. Maar uiteindelijk ligt mijn empathie bij de slachtoffers en nabestaanden, zij zijn de echte slachtoffers.’

‘Een gewone jongen, met wie ik tot de vijfde klas van de basisschool in de klas heb gezeten. Het beeld wat in de media voorbij komt, is niet het beeld dat ik heb. Ik zie nog steeds die jongen met wie ik buiten op het schoolplein speelde, die thuis op mijn verjaardag kwam. Het was geen jongen die katten vermoordde ofzo, ik heb nooit iets bijzonders aan hem gezien. Het is voor mij niet te doorgronden.’

Op 29 juni 2021 publiceerde het AD een verhaal waarin stond dat het OM Kasem verdacht van lekken naar de organisatie van Ridouan Taghi. Dat zou in 2015 zijn gebeurd, nadat een grote wapenopslag was opgerold. Taghi wilde weten, zo blijkt uit versleutelde pgp-berichten die zijn ontcijferd, hoe de politie wist van die opslag en droeg zijn handlangers op informatie in te winnen. Een van de verdachten meldt binnen enkele dagen in een versleuteld bericht aan Taghi dat hij ‘de man die devil helpt’ heeft gesproken, ‘het broertje van Mussa’ en vat vervolgens samen hoe het onderzoek is begonnen – informatie die op dat moment bekend is bij zeven advocaten die verdachten bijstonden en die niet met derden mocht worden gedeeld.

Kasem is een van die zeven advocaten, hij stond korte tijd een verdachte bij in de zaak die naar de bijnaam ‘devil’ luistert en heeft een broer die Musa heet. In het onderzoek dat de deken deed naar de beschuldiging, dat enkele maanden duurde, schrijft hij dat het onderschepte berichtje ‘kan worden opgevat als een aanwijzing’ dat het om Kasem zou gaan, maar dat er voor die stelling ‘geen bewijs of verdere aanwijzingen’ zijn gevonden, en er dus geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is vastgesteld.

‘De grond sloeg onder mijn voeten vandaan, omdat ik me bewust was van de mogelijke consequenties, voor het kantoor, voor mijn familie. De volgende dag zat ik bij BNNVara, waar ik die week mijn contract zou tekenen, om te zeggen dat ik voorlopig geen talkshow kon presenteren. Ik moest me concentreren op het zuiveren van mijn naam. Dat leverde weinig discussie op, het was op dat moment het enige logische om te doen. Ik heb snel geschakeld. Kom op Khalid, schouders eronder. Ik heb niet lang in de misère gezeten.’

‘Natuurlijk. Natuurlijk vroegen zij zich af: hè, wat is dit? Maar ik kon niet meer zeggen dan dat ik geen idee had waarom dat werd geschreven.’

‘Ik ben boos geweest omdat er meteen grote conclusies aan dat berichtje werden verbonden, omdat de suggestie eigenlijk als de vaststelling van een feit werd gezien. Ook omdat ik denk dat dat bij een advocaat met een andere achtergrond niet was gebeurd. Op het moment dat er een vermoeden is, zal je als Marokkaanse Nederlander niet snel het voordeel van de twijfel krijgen. Want zoiets bevestigt het beeld dat mensen, misschien latent, blijkbaar van iemand zoals ik hebben.’

‘Bij het overgrote deel van Nederland niet. De deken heeft uitvoerig onderzoek gedaan en er is geen bewijs gevonden. Ik hoop niet dat we in een samenleving wonen waarin een suggestie zonder onderbouwing iemand zijn leven lang kan worden nagedragen. Er zijn ook contra-indicaties voor het feit dat ik zou hebben gelekt. In de duizenden andere berichten die door het OM zijn ontcijferd is nergens gezegd: ga nog eens langs bij Khalid. En de verdachte die ik bijstond heeft na een dag om een andere advocaat gevraagd. Als je enig begrip hebt van hoe het werkt in dit soort zaken, weet je dat er geen logica in zit om iemand die bereidwillig is om jouw organisatie informatie te verschaffen, aan de kant te schuiven.’

‘Je kunt speculeren tot je een ons weegt, maar ik heb dat voor mezelf snel afgesloten. Veel van wat er gezegd wordt door mensen die strafbare feiten plegen, is niet conform de werkelijkheid. Misschien heeft iemand wel een bepaalde indruk willen wekken. Ik wist dat ik het niet gedaan had, dat maakte het voor mij redelijk comfortabel.’

‘Omdat het voor mij voltooid verleden tijd is. Ik heb niet veel ruimte, mentaal, om me bezig te houden met dingen uit het verleden. Maar goed, jij zei dat je overal naar wilde kunnen vragen, en ik heb toegestemd.’

‘Nee. Dan zou ik zeggen: jij gaat over je antwoorden en ik over de vragen. Zoals jij hebt gedaan. Fair enough.’

‘Ja. Ik had het gevoel dat dit zeer riskant zou kunnen zijn, omdat eerder de broer en de advocaat van deze kroongetuige waren vermoord. Dat heb ik indringend geprobeerd over te brengen, van vriend tot vriend. Ik heb alle argumenten uit de kast getrokken om hem te overtuigen het niet te doen. Zijn eigen veiligheid, maar ook die van zijn naasten.’

‘Ja, maar Peter was van mening dat, als er iemand op zijn deur klopte die zijn hulp nodig had en hij die persoon iets te bieden had, hij niet kón weigeren, omdat dat afbreuk zou doen aan wie hij was als mens. Als je iedereen in de wereld zou vragen of ze bereid zijn te sterven voor hun principes, zegt iedereen ‘ja’. Maar als het gevaar acuut wordt, heb je die bereidheid dan nog steeds? Peter wel. Hij was er niet vanaf te brengen.’

‘Ik keek films om te zien hoe personages omgaan met tegenslagen, met moeilijke omstandigheden in hun leven. Zo heb ik mezelf er vaak van kunnen overtuigen dat er licht was aan het einde van de tunnel. Eigenlijk is elk verhaal over ontwikkeling hetzelfde: het gaat om learning, earning, burning, returning. Dat pikte ik op uit het boek The hero with a thousand faces, van literatuurwetenschapper Joseph Campbell. Daarin beschrijft hij dat de hoofdpersoon in heldenverhalen steevast een reis doorloopt, een avontuur aangaat buiten zijn comfortzone, iets onderneemt in een nieuwe en onzekere wereld. Je leert iets, je past het toe, het toepassen valt tegen, maar uiteindelijk volgt de voldoening.’

‘Natuurlijk. Nu ook weer, tijdens mijn tv-carrière. Ik heb een leerfase gehad, die eigenlijk al is begonnen ver vóór ik op tv kwam, omdat alles wat ik heb meegemaakt bijdraagt aan mijn vermogen die talkshow te maken. Toen kwam de fase waarin ik dacht te gaan stralen. Dan sta je even zoals Leonardo DiCaprio op de boeg van de Titanic, roepend dat je de king of the world bent, niet wetend dat het schip straks zal zinken. Dat was voor mij de fase vlak voor het begin van Khalid & Sophie. Daarna kwam ik in de pijnlijke fase, waarin ik werd geconfronteerd met de weerbarstige realiteit. En nu kom ik, denk ik, in de laatste fase.’

‘Uiteindelijk misschien wel.’ Dan meteen: ‘In Cinema Paradiso is de hoofdpersoon een gevierd regisseur in Rome, die na het overlijden van een vriend teruggaat naar zijn geboortedorp. In zijn hang naar succes heeft hij zijn schepen achter zich verbrand. Als hij teruggaat naar zijn geboorteplaats, leert hij dat het opgroeien daar wezenlijk is geweest voor zijn vorming. Zelf heb ik ook lang gedacht dat ik mijn jeugd, de plek waar ik ben opgegroeid, moest wegstoppen. Dat het me niet zou helpen om verder te komen.’

‘Tijdens mijn rechtenstudie. Ik ging niet meer terug naar Nieuwegein, ik ontkoppelde mezelf van alles en iedereen die ik daar kende, omdat ik dacht: als ik om blijf gaan met dezelfde mensen als vroeger, mensen die in mijn ogen niet vooruit kwamen, houdt dat mij tegen.

Toen ik afgestudeerd was en bij een groot advocatenkantoor werkte, begon het aan me te knagen. Ik zat daar waarde toe te voegen aan een of ander groot bedrijf, maar ik kreeg het gevoel dat ik mijn talenten beter kon benutten. Ik had een mooi salaris, maar ik ben overgestapt naar een sociaal kantoor. En uiteindelijk denk ik dat ik mijn hele ontwikkeling als strafadvocaat te danken heb aan mijn verleden in Nieuwegein, omdat ik me daardoor beter kan voorstellen waarom mensen bepaalde verkeerde keuzes maken. Maar dit is het professionele aspect – ik voelde ook dat die breuk met mijn verleden me als mens verarmde. Ik kreeg het gevoel dat ik een kunstje aan het doen was zodat de ander mij zou accepteren. Als je alleen maar mag meedoen omdat je hebt laten zien dat je door een bepaalde hoepel kunt springen, doet dat geen recht aan wie je bent.’

‘Voor een deel wel. Het is nog steeds lastig om vast te stellen wanneer ik helemaal mezelf ben en wanneer ik toch weer in die reflex schiet. Want het gebeurt nog steeds, het zit er zo ingebakken. Het gebeurt nog steeds dat ik sociaal wenselijke antwoorden geef omdat ik de ander ervan wil overtuigen dat ik mee mag doen. Het is een trieste gewaarwording als je je dat nog steeds afvraagt terwijl je 44 jaar geleden geboren bent in Nederland. Want er ís geen alternatief, er is voor mij geen land waar ik heen kan gaan, zoals mijn vader, die na zijn pensionering in 1998 is terug verhuisd naar Marokko. Ik heb niets met die samenleving daar, dat is niet wie ik ben.’

‘Wat ik letterlijk zei was: jij bent Marokkaan, maar ik niet. Ik denk dat hij altijd heeft gehoopt dat zijn kinderen zich in Nederland konden ontwikkelen, maar hij heeft zich nooit gerealiseerd dat dat alleen kan als je Nederland omarmt, er onderdeel van wilt zijn. Mijn vader heeft in Marokko na zijn pensioen een nieuw gezin gesticht, drie kinderen gekregen. Hij verliet ons in de wetenschap dat zijn kinderen op eigen benen konden staan. Hij kwam in twintig jaar niet meer terug. Pas een paar jaar geleden, vlak voor zijn overlijden, is hij hier nog een keer geweest. Ik denk dat hij in Marokko gelukkig was, al is zijn definitie van geluk niet de mijne. Hij was tevreden binnen de grenzen van het dorp in Marokko waar hij is opgegroeid, ik wil meer van het leven.’

‘Nooit. Ik ben ervan overtuigd: als je aan het alternatief gaat denken, zal dat alternatief werkelijkheid worden. Er is alleen een plan A, geen plan B. Zoals ik ook kijk naar mijn tv-avontuur. Ik weet dat ik het kan.’

‘Dat is dus iets dat in mijn hoofd onmogelijk is. Het zal een succes worden.’

CV Khalid Kasem

30 mei 1978 Geboren in Nieuwegein.
Opleiding Doet moedermavo; mbo bank & verzekeringen; rechten aan de Universiteit van Amsterdam (toegelaten via colloquium doctum); beroepsopleiding voor advocaten; FIFA-examen spelersmakelaar.
2001-2003 Teamleider hypotheekafdeling ABN Amro.
2001 Een van de oprichters van stichting Ben je bang voor mij?
2006 Een van de oprichters Moroccan Dutch Leadership Institute.
2008-2009 Advocaat bij Allen & Overy.
2009-2011 Advocaat bij Van Oosten Advocaten.
2017 Oprichting advocatenkantoor De Vries & Kasem Advocaten.
2020 Tweede bij televisiequiz De slimste mens.
2020 Publicatie boek Nouri, een onvervulde droom.
2021 Presentator Khalid & Sophie.

Khalid Kasem is getrouwd, heeft drie kinderen en woont in Badhoevedorp.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

Voor snelle wijzigingen en bezorging

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next