Hawa Kargbo slikt met moeite de laatste happen van haar ontbijt weg. Ze voelt een golf van misselijkheid door haar lijf gaan. Nog net kan ze naar de bosjes rennen voordat haar lievelingseten, rijst met een pittige saus van cassavebladeren, omhoogkomt.
Terug op de veranda voelt ze de ogen van haar familie op zich gericht. ‘Dit is al de zoveelste keer. Weet je zeker dat je niet zwanger bent?’, vraagt haar moeder. Hawa ontkent driftig. ‘Nee joh, ik ben gewoon een beetje ziek.’ Ze begint het ontbijt op te ruimen, net als elke ochtend, en stuurt haar zusje naar de pomp om water te halen.
Carlijn van Esch is buitenlandredacteur. Ze woont en werkt in Sierra Leone.
Toch is de 17-jarige Hawa er niet gerust op. Ze durft het niet tegen haar moeder te zeggen, maar de laatste weken voelt haar lichaam anders. Ze zou zweren dat haar borsten groter worden en ze heeft al minstens één ongesteldheid gemist. Maar zwanger? Dat kan niet. Een baby zou alles verpesten.
Als haar moeder naar de moskee vertrekt, controleert Hawa of de kust veilig is. Achter het huis ligt een doolhof van binnenplaatsjes, stegen en lemen huizen. Mensen zitten te praten op een bankje of koken boven een vuurtje, maar niemand let op haar. Hawa vlucht de latrine in, die haar familie met wat buren deelt, en haalt een zwangerschapstest uit een plastic zakje.
Ze telt de seconden af. Als de tijd verstreken is, ziet ze twee blauwe streepjes op het venstertje. Positief. De schrik slaat haar om het hart. Zou er echt een baby in haar buik groeien? Ze moet denken aan alle verhalen die ze heeft gehoord over vrouwen die zijn overleden bij de bevalling. Wat als ze het zelf niet haalt?
Hawa leeft in Sierra Leone, een van de gevaarlijkste plekken ter wereld om zwanger te zijn. De cijfers lopen uiteen, volgens sommige schattingen komen er 443 vrouwen per honderdduizend bevallingen te overlijden, volgens het ministerie van Volksgezondheid in Sierra Leone zijn dat zelfs 796 vrouwen per honderdduizend bevallingen. In Nederland gaat het om vier vrouwen per honderdduizend bevallingen.
Het terugdringen van de wereldwijde moedersterfte was een van de millenniumdoelen waarmee de wereldgemeenschap de strijd tegen armoede aanging. Tussen 2000 en 2015 leidden die inspanningen tot bijna een halvering van de sterfgevallen, maar sindsdien is de vooruitgang gestokt, concludeerde de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) afgelopen voorjaar. Door het opdrogen van de geldstromen blijven vooral de armste regio’s achter: 70 procent van de wereldwijde moedersterfte vindt plaats in Sub-Sahara Afrika.
Bijna alle sterfgevallen zijn volgens de WHO te voorkomen door relatief simpele oplossingen als regelmatige zwangerschapscontroles. Maar armoede en lange afstanden maken het voor vrouwen als Hawa moeilijk om plekken voor gezondheidszorg te bereiken. En dan is het nog maar de vraag of daar geschoold personeel en medicijnen zijn.
Hawa’s paarse teenslippers kletsen tegen haar hakken. Gehaast loopt ze door de kleine straatjes van Baomahun. Hier is ze opgegroeid, tussen de beboste heuvels in het afgelegen hart van Sierra Leone. Gewoonlijk zwaait ze links en rechts naar vrienden en bekenden, maar vandaag, twee weken na de test, wil ze niet dat iemand haar opmerkt. Niemand weet wat ze vandaag gaat doen, zelfs haar vriendje Patrick Fortune niet.
Het is donker in het huis van de medicijnvrouw, alleen een dun streepje licht valt door de gesloten luiken. Op een paar rieten matten na is de kamer leeg. Als Hawa binnenkomt, zit een andere jonge vrouw al te wachten. Ze is drie maanden zwanger, vertelt ze. Hawa denkt dat zijzelf ongeveer twee maanden zwanger is.
De medicijnvrouw geeft een beker aan, die ze in één keer op moet drinken. Het drankje is helder en donkergeel, het doet Hawa aan appelsap denken. Ze zet de beker aan haar lippen. Bah, bitter. Ze heeft geen idee wat ze drinkt, maar volgens de vrouw werkt dit medicijn goed en snel. Aan de risico’s probeert Hawa zo min mogelijk te denken.
Patrick heeft nog geprobeerd haar om te praten. Hij vindt het te gevaarlijk. Vanwege het abortusverbod kan Hawa niet bij een kliniek of ziekenhuis terecht. Ze strijkt met haar hand over haar buik. Het moet eruit, houdt ze zichzelf voor. Ooit wil ze wel kinderen, maar eerst moet ze de middelbare school afmaken en gaan studeren. Ze kan haar ouders niet teleurstellen. Hawa haalt een keer diep adem en giet het drankje achterover.
De vrouw maant hen op te staan. Hawa draait haar heupen, springt op en neer, en schudt haar armen en benen, precies zoals de vrouw voordoet. Al snel voelt ze haar ledematen zwaar worden. Elke beweging doet pijn, alsof ze gisteren tientallen kilometers heeft gelopen. Hawa laat zich op de mat zakken en staart naar het golfplaten dak, zich nauwelijks bewust van de abortus die zich naast haar afspeelt. Ze is moe, zo moe.
Als Hawa wakker wordt, helpt de medicijnvrouw haar overeind. Hawa ziet de verbazing op haar gezicht. Ze kijkt naar beneden, de mat is schoon. ‘Ik snap het niet’, zegt de vrouw. ‘Normaal werkt het altijd.’
Paniek op de verlosafdeling van het ziekenhuis. Vanaf een bankje ziet Hawa verpleegkundigen en dokters heen en weer rennen. Het gaat helemaal mis met een vrouw die ook uit Baomahun komt. Ze is hoogzwanger van haar zesde kindje, weet Hawa.
Deze week is Hawa al twee keer flauw gevallen. Vanuit de eerstelijnskliniek in haar dorp werd ze naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis gestuurd, een ngo-ziekenhuis op twee uur rijden. Uit de labresultaten bleek dat ze bloedarmoede heeft. De dokter schreef ijzerpillen voor en besloot haar een nachtje op te nemen.
Hawa zit met haar moeder te wachten tot ze naar huis mag, als ze een groep vrouwen uit de openslaande deuren van de verlosafdeling naar buiten ziet schuifelen. Ze ondersteunen elkaar. Een vrouw breekt los van de rest en laat zich op haar knieën vallen. Ze heft haar handen naar de hemel en huilt met harde uithalen.
Dan komen de artsen naar buiten. Ze kijken naar de grond en trekken zich terug in hun kantoor. Een van de schoonmakers rolt een brancard door de klapdeuren. Het lichaam is toegedekt met gekleurde stoffen.
Hawa kijkt toe hoe de familie uit Baomahun rouwt. Ze vreest haar eigen bevalling. Volgens de dokter is Hawa nu vier maanden zwanger. Ze hoopt dat God haar beschermt. Drie keer heeft ze geprobeerd de zwangerschap te beëindigen en drie keer is het mislukt. Dat moet wel een teken zijn, een teken dat God wil dat ze de baby houdt.
Hawa ontmoette Patrick een paar jaar geleden, kort nadat hij vanuit de grote stad was verhuisd om in de goudmijnen te werken. Ze had medicijnen voor haar moeder gehaald in het centrum van Baomahun, toen ze langs een groepje jongens liep dat op een veranda hing. Eentje riep haar. Met haar handen in haar zij stapte ze op hem af en vroeg wat hij van haar moest. Ze was hem opgevallen en hij wilde haar leren kennen. Haar gegiechel verraadde dat ze zich gevleid voelde.
Hoewel de ontmoeting misschien brutaal was, leerde ze Patrick al snel kennen als een serieuze en respectvolle jongen. Hij is aardig tegen haar familie en goed met kinderen.
Patrick en Hawa hadden allebei geen idee hoe je zwanger kunt raken. Hawa zou eerst trouwen en dan pas zwanger worden, dacht ze. Haar moeder had haar nooit verteld over de bloemetjes en de bijtjes. Ook op school werd geen voorlichting gegeven.
Het stel is onderweg naar de kliniek voor zwangerschapscontrole. Hawa is intussen zeven maanden zwanger, haar buik duidelijk zichtbaar onder de felgele stof die ze nog eens goed om haar heupen slaat.
Sinds ze haar zwangerschap niet meer kan verhullen, durft Hawa niet meer naar school. Ze schaamt zich. Ondanks dat Sierra Leone een van de hoogste percentages tienerzwangerschappen ter wereld heeft (dertiende plek met 113 bevallingen per duizend tieners) wordt er op zwangere meisjes neergekeken. Tot een paar jaar geleden was het voor hen zelfs verboden om naar school te gaan.
Als Hawa de kliniek binnenloopt, schuiven de jonge wachtende vrouwen als vanzelf een stukje op om ruimte te maken. Patrick blijft op een afstandje tegen de muur leunen.
Langzaam druppelen meer vrouwen binnen, sommigen met een kindje op hun rug. Veel moeten van ver komen, weet Hawa. De motortaxi is het meest gebruikte vervoermiddel, maar door de stijgende brandstofprijzen kunnen steeds minder mensen dat betalen. Het enige alternatief is lopen. Gelukkig woont ze zelf vlakbij.
Als de houten bankjes vol zitten, bidden de vrouwen samen tot God en Allah om hen bij te staan tijdens de zwangerschap en de bevalling. Dan is het tijd voor muziek, een vast onderdeel van gezondheidsvoorlichting. Onder begeleiding van een rammelaar zingt verloskundige Juliët Tucker over bij welke alarmsignalen de vrouwen met spoed naar de kliniek moeten. Langzaamaan komen de vrouwen los en wordt er gedanst.
De verloskundige, gekleed in een stralend wit uniform, verdwijnt in haar kantoortje en roept de vrouwen om de beurt binnen. Als Hawa’s naam klinkt, loopt Patrick weifelend achter haar aan. Hij is de enige man die is meegekomen.
Hawa klimt op het oude onderzoeksbed. De stof puilt uit de gescheurde bekleding. Tucker betast haar buik eerst voorzichtig, dan duwt ze steeds harder. Haar handen omlijnen een soort halve maan; daar moet de baby liggen. ‘Hoofdligging’, zegt Tucker. ‘Zo’n 32 weken.’ Daarna luistert ze met een toeter naar de hartslag.
‘Het gaat goed met de baby’, zegt de verloskundige, terwijl ze notities maakt in het schoolschrift dat functioneert als Hawa’s medisch dossier. Maar hoe kan ze dat weten? In de kliniek is geen dokter, geen laboratorium en geen echo. Dat Tucker alles op gevoel kan controleren, vindt Hawa moeilijk te geloven.
Verspreid over het land staan 1.500 van dit soort eerstelijnsklinieken, die kampen met grote tekorten, van elektriciteit en medicatie tot vakkundig personeel. In de meeste klinieken werkt niet eens een verloskundige, laat staan een dokter. Sierra Leone telt ongeveer één arts per veertienduizend inwoners, terwijl volgens de WHO één per duizend inwoners het absolute minimum is.
Tucker schudt zes pillen tegen bloedarmoede op een velletje papier, dat ze zorgvuldig dichtvouwt en in Hawa’s handen drukt. De malariapillen zijn op. ‘Gewoonlijk levert de overheid die elk kwartaal, maar we hebben ze al heel lang niet gehad.’
In de hoofdstraat hoeft Hawa niet lang te zoeken naar een motortaxi. De jongemannen stappen direct op haar af: waar wil je heen? Met hoeveel personen? Ze deelt een motor met een vrouw die ook naar het ngo-ziekenhuis gaat. Allebei moeten ze 50 leones betalen, ongeveer de prijs van vijf maaltijden. Gelukkig is de controle zelf gratis.
Hawa heeft her en der kleine beetjes geld kunnen lenen voor de rit. Het is niet makkelijk thuis sinds haar moeder is vertrokken. Ze is naar een traditionele genezer gegaan voor haar chronische buikpijn. Soms belt ze en dan belooft ze dat ze snel terugkomt. Intussen verkopen Hawa en haar zusjes visspiesjes en andere snacks om wat geld te verdienen, maar het is nauwelijks genoeg om van te eten.
De motor trekt een stofwolk over de zandweg. De bestuurder probeert de ergste gaten in de weg te vermijden, maar bij elke hobbel schiet een pijnscheut van Hawa’s stuitje naar haar voeten. Met één hand houdt ze zich aan de motor vast en de ander klemt ze uit alle macht om haar buik, zodat de baby zo min mogelijk schudt. Ze kan alleen maar hopen dat het snel voorbij is.
Aangekomen bij het ziekenhuis klopt ze het stof van zich af. Net als tientallen andere zwangere vrouwen brengt Hawa hier de hele dag door, van formulier naar test naar verloskundige naar echo, en vooral heel veel wachten tussendoor. Het wachten maakt haar nerveus.
Als de witte dokter haar de echokamer binnenroept, springt Hawa op. Hij knijpt een koude klodder gel op haar buik en gaat met de echokop heen en weer. Als ze naar het geslacht vraagt, zoekt hij met het apparaat naar de juiste hoek. ‘Dit is de penis. Het is een jongetje’, zegt hij tot haar grote vreugde. ‘Alles gaat goed’, sluit de dokter af. ‘I love you!’, roept Hawa, terwijl ze de deur uitloopt.
Hawa laat een berg vuile was in een grote teil met sop rollen. Ze kijkt naar haar buik. Hij zit in de weg. Ze moet helemaal met haar benen wijd op het krukje gaan zitten om diep genoeg te kunnen bukken. Wassen, koken en zelfs lopen, het gaat allemaal eigenlijk niet meer.
Ze is inmiddels bijna negen maanden zwanger en woont bij haar schoonmoeder in de stad Bo. Het is even niet anders. Patrick heeft geen werk meer, en haar moeder kan ze al weken niet bereiken.
Als de was te drogen hangt, gaat ze bij Patrick, zijn moeder en zijn tante onder de grote mangoboom zitten. Hawa schuift haar shirt omhoog om haar buik wat ruimte te geven. Ze is bang dat de baby te groot is en ze een keizersnede moet.
Voor een operatie in het overheidsziekenhuis van Bo moet de familie eerst naar een apotheek om handschoenen, hechtingen en andere benodigdheden te kopen. Te duur, volgens Patricks moeder. Hawa heeft gehoord dat ze je niet aanraken zolang de spullen er niet zijn. Ook als het gaat om een spoedgeval.
De schoonfamilie overweegt om Hawa naar een van haar tantes te sturen die dicht bij het ngo-ziekenhuis woont. Dat vindt Hawa een goed idee, daar zullen ze haar vast niet dood laten gaan. Het wordt stil onder de mangoboom. Iedereen kijkt naar Patrick. Hij is de man en moet het besluit nemen. Patrick zegt dat Hawa morgenochtend vertrekt.
Hawa zit op een stoeprandje buiten het poligebouw te wachten. Af en toe voelt ze aan haar opgezwollen voeten. Ze voelt zich alleen. Patrick heeft haar bij haar tante afgezet met twee grote tassen vol kleren, een plastic teiltje en de belofte dat hij na de bevalling – een vrouwenaangelegenheid – terugkomt. Ze kreeg een warm welkom, maar haar tante kon niet mee naar het ziekenhuis.
De dokter bevestigt haar zorgen. De baby is groot, alsof ze een halve maand over tijd is. Hawa moet morgen terugkomen met een verzorger, dan gaan ze de bevalling inleiden. In Sierra Leone nemen familieleden een deel van de verzorgende taken in het ziekenhuis op zich, zoals het wassen van het beddengoed of het brengen van voedsel.
Hawa probeert niet in paniek te raken. De gedachten razen door haar hoofd. Wat zijn ze met haar van plan? Wie moet haar verzorger zijn? Zullen ze haar wegsturen als ze geen verzorger kan vinden? En waar moet ze dan heen?
Weer probeert ze haar moeder te bellen, en weer krijgt ze geen gehoor. Hawa voelt zich in de steek gelaten. Het meest nog door haar schoonmoeder. Die heeft beloofd dat ze na de bevalling voor de baby gaat zorgen, zodat Hawa weer naar school kan. Maar meegaan naar het ziekenhuis was al een brug te ver.
Dan is er plots goed nieuws. Hawa’s moeder belt eindelijk terug. Ze komt er zo snel mogelijk aan.
Aan haar moeders hand schuifelt Hawa naar haar bed op de zaal. Heel voorzichtig laat ze zich op het matras zakken. Ze heeft geen idee wat haar te wachten staat. Wat ze wel weet, is dat ze nog nooit zo bang is geweest. Bang voor de pijn. Bang voor alles wat er nog mis kan gaan. Steeds weer verschijnen glanzende rode plassen bloed op haar netvlies.
Een helse nacht later heeft ze ongeveer vijf centimeter ontsluiting. ‘Je moet nog even volhouden’, zegt de verloskundige. Hawa kreunt. Ze ligt op een van de bedden in de wit betegelde bevalkamer. ‘Heb geduld, Hawa’, zegt haar moeder op strenge toon in hun stamtaal vanaf het krukje naast haar.
De volgende wee. Hawa wil niet meer, ze wil dat het allemaal voorbij is. Dat ze haar oude leven weer kan oppakken. Het liefste zou ze verpleegkundige willen worden. Ze weet dat het moeilijk wordt, maar ze hoopt vurig dat het haar gaat lukken de middelbare school af te maken. Over vijf maanden begint het nieuwe schooljaar. Ze heeft dus nog vijf maanden om een goed onderkomen voor de baby te vinden.
Plotseling krijgt ze het gevoel dat het kindje gaat komen. Hawa gaat op haar rug liggen en wil haar knieën optrekken, maar dan roept verpleegkundige Josephine: ‘Niet persen! Het is te vroeg!’ Ze draait terug op haar zij met haar knieën bij elkaar, maar er is geen houden meer aan. Het hoofd komt naar buiten. Voordat Josephine de verloskundige kan halen, is het kindje er.
Josephine reageert snel. Ze klemt de navelstreng aan twee kanten af en knipt hem door. Dan brengt ze het kindje voorzichtig maar vlug naar de tafel en wrijft hem droog. Hawa ziet dat het jongetje ademt en beweegt, maar niet huilt. De verpleegkundige wrijft over zijn rug en tikt tegen de onderkant van zijn voetjes. Dan klinkt er een geluid. Eerst zachtjes, met wat gerochel. Dan steeds harder.
OVER DIT VERHAAL
Voor deze reportage volgde Volkskrant-journalist Carlijn van Esch Hawa Kargbo gedurende vier maanden. Ook sprak ze met andere Sierra Leoonse vrouwen, zorgpersoneel en verschillende instanties, waaronder het ministerie van Gezondheid. Sinds de bevalling staat Hawa er grotendeels alleen voor. Zij en haar zoontje verkeren naar omstandigheden in redelijke gezondheid.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
Voor snelle wijzigingen en bezorging
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden