Home

Een loflied op verspilling

Column

Het is weer januari, wat betekent dat een aanzienlijk deel van de Nederlanders bezig is zichzelf te straffen met sportschoolabonnementen, koolhydraatloze diëten en alcoholvrije wijn. Ik heb dit ook wel eens gedaan, zonder succes. Daarom heb ik dit jaar een ander goed voornemen: meer verspillen.

Even een omweg. Waar ik een hekel aan heb, is als mensen vragen over een in hun ogen futiele activiteit: „Is dit iets waaraan je denkt op je sterfbed?” Mijn eerste reactie: hoe moet ik weten waaraan ik denk op mijn sterfbed? Misschien vertonen mijn hersenen dan wel een compilatie van alle blunders uit mijn leven, of heb ik een realtime herbeleving van die keer dat ik in de rij stond op St. Pancras International en het inchecken zo lang duurde, met dank aan het personeelstekort, dat de Eurostar uiteindelijk twee uur vertraagd was. Maar dan neem ik de vraag te letterlijk (mijn eeuwige valkuil). De implicatie van de vraagsteller is namelijk: op je sterfbed denk je aan wat er echt toe deed, en daar valt deze activiteit niet onder. Maar ik houd mij juist graag bezig met dingen die er niet toe doen. Dat is de luxe van niet op je sterfbed liggen, dat je nog wat tijd hebt om te verspillen.

Verspilling heeft een slechte naam, op allerlei vlakken. In een huurhuis wonen: geldverspilling. Verliefd zijn op een onbereikbaar iemand: tijdverspilling. ‘Niet-nuttige gedachten’: verspilde denkruimte. Werk dat niet goed staat op je cv: verspilde moeite. Vruchtensap: verspilde calorieën.

Wie deze denktrant doorvoert, maakt bij elke nieuwe ontmoeting, consumptie en carrièrekeuze een kosten-batenanalyse: gaat het plezier in het nu wel opwegen tegen de latere schade? Dit is een zeer ongezellige manier van denken, en het lastige is ook dat je van tevoren niet altijd weet of iets verspilling is. Bovendien gaat dit soort afwegingen in tegen dat andere moderne gebod: ‘in het moment leven’. Je kunt niet in het moment leven én altijd de meest efficiënte keuze maken. Vandaar mijn voornemen om meer te verspillen, of in elk geval: open te staan voor verspilling.

Toen ik dit eenmaal had geformuleerd, vroeg ik me af wat verspilling eigenlijk ís. Letterlijk betekent het, volgens Van Dale, ‘roekeloos of nutteloos besteden’. Dan denk je aan voedselverspilling, of aan bergen kleding die wordt vernietigd. Maar dat is iets anders dan de verspilling van tijd, geld en moeite waarop ik hierboven doelde. In die voorbeelden betekent verspilling eerder ‘suboptimaal gebruik’. Geld dat je uitgeeft aan een huurhuis is niet nutteloos, je hebt er een dak boven je hoofd voor teruggekregen. Maar je had het ook aan een hypotheek kunnen uitgeven; dan had je dat dak gehad én een verstandige investering gedaan. Tijd die je besteedt aan een onbereikbare liefde is ook niet per se nutteloos: de ervaring is vast waardevol op haar eigen manier. Maar met een bereikbare liefde had je misschien wel even mooie ervaringen gehad, plus leuke extra’s als seks en intimiteit.

Wanneer we het hebben over verspilling, bedoelen we meestal niet dat iets nergens goed voor is, maar dat het suboptimaal of inefficiënt is. En ondanks de kritiek op het ‘efficiencydenken’ van de laatste jaren, vinden we dat nog steeds een naar idee. Wie suboptimaal of inefficiënt te werk gaat, is een dief van z’n eigen tijd, geld, moeite, levensgeluk. Die is, kortom, een sukkel.

Hoe erg we verstrikt zitten in het optimalisatiedenken realiseerde ik me tijdens het lezen van Alan Lightmans boekje In Praise of Wasting Time uit 2018. Volgens Lightman is het gezond om tijd te verspillen: genieën als Gustav Mahler, Carl Jung en Albert Einstein deden het ook. Juist als je doelloos door een bos struint of naar de einder staart, schieten je briljante ideeën te binnen. Hier moest ik om lachen, want het idee dat tijdverspilling goed en gezond is, is natuurlijk een contradictio in terminis. Als iets nut heeft, is het geen verspilling. En laten we eerlijk zijn, er bestaan ook boswandelingen die géén briljante ideeën opleveren. Misschien is door een bos wandelen wel fijn op zichzelf, los van welke ideeën zich daar aandienen. Of het ook de optimale dagbesteding was, weet je vaak pas achteraf.

Openstaan voor verspilling betekent, kortom, kiezen voor het ongewisse en voor suboptimale uitkomsten. Fietsen zonder routeplanner; een voor je carrière onnodige cursus volgen; een boek lezen dat slechte recensies kreeg. Niet verspillen als doel op zich, maar verspilling als gevolg van ondoelmatigheid. Omdat juist het hebben van die optie ons menselijk maakt.

Source: NRC

Previous

Next