Home

Mest, watervervuiling en brandgevaar: van handhaven komt in de veehouderij doorgaans weinig terecht

Zolang branden gelden als een overzichtelijk en te verzekeren risico, zijn dieren hun leven in de Nederlandse stallen niet zeker.

1 januari: 6.000 eenden in Ermelo. 20 februari: 10 duizend kippen in Dronten. 1 maart: 40 schapen en 25 lammetjes in Maassluis. 5 april: 9.000 varkens in Sint-Oedenrode. 23 mei: 3.000 varkens in Reusel. 9 juli: 400 varkens in Aalten.

Er zijn vrolijker jaaroverzichten te maken. Dit exemplaar, van het aantal door stalbranden gedode dieren in 2023, is bovendien verre van volledig. Daarbij moet gezegd dat het aantal slachtoffers nog meeviel, in vergelijking met voorgaande jaren, doordat er weinig kippenschuren vlam vatten.

In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.

Wat dat betreft begon 2024 slecht, met de verbrandingsdood van 50 duizend kippen in het Gelderse Puiflijk deze week. In het algemeen geldt dat sinds het dramatische brandjaar 2011 (319 duizend omgekomen dieren) al wel veel maatregelen zijn voorgesteld, maar nog nauwelijks met resultaat. Dieren zijn in de Nederlandse stallen hun leven niet zeker.

Dat dat niet tot grote politieke consternatie leidt, is alleen te verklaren door de manier waarop de samenleving landbouwdieren sinds de jaren zeventig als anonieme producten is gaan beschouwen. Hoe hoog zouden de gemoederen oplopen als er maandelijks tientallen golden retrievers om het leven kwamen bij kennelbranden?

Dieren die toch al grotendeels voorbestemd waren voor de slacht, roepen nou eenmaal minder emoties op als zich onverhoeds een andere doodsoorzaak aandient. Ook onder veehouders zelf. Die reageren wel altijd zeer geroerd als hun dieren vanwege een ziekte op last van de overheid geruimd moeten worden, maar intussen zien velen ook na reeksen aanbevelingen nog altijd te weinig aanleiding om voor diezelfde dieren voldoende brandveiligheidsmaatregelen te nemen.

Dat daar wel degelijk een morele en een wettelijke plicht geldt, werd al in 2021 scherp verwoord door de Onderzoeksraad voor Veiligheid. De sector zelf gaat er graag prat op dat de slacht weliswaar een pijler is van het verdienmodel, maar dat er alles aan wordt gedaan om dat zo diervriendelijk mogelijk te organiseren. Dieren die levend verbranden, verstikken door rook of ernstig gewond raken passen niet in dat verhaal.

Daarbij geldt dat opgehokte dieren voor hun veiligheid volledig afhankelijk zijn van mensen. Dat schept een dure plicht. Wie dieren houdt, is verantwoordelijk voor hun gezondheid en welzijn. Het is bovendien gewoon een wettelijke opdracht. De Dierenwet schrijft voor dat dieren wezens met gevoel zijn, die gevrijwaard moeten blijven van pijn, verwonding en angst.

Wie z’n hond op een hete dag achterlaat in een afgesloten auto, kan dan ook rekenen op woedende reacties en een forse boete. Tegelijkertijd zijn er nog vele veehouders die honderden tot duizenden dieren wegstoppen in brandgevaarlijke stallen vol met stof, stro en mestgassen, met daken van uiterst ontvlambaar materiaal, zonder afdoende brandwering of sprinklerinstallaties. Brand geldt voor hen als een overzichtelijk en te verzekeren bedrijfsrisico.

Dat zij daar in de meeste gevallen ook nog mee wegkomen, is een symptoom van de nonchalante houding van de Nederlandse overheid tegenover de intensieve veehouderij. Dezelfde houding dus die er ook al veel te lang toe leidt dat regels over het uitrijden van mest, de uitstoot van stikstof en het verspreiden van landbouwgif in het oppervlaktewater zo abominabel worden gehandhaafd.

Source: Volkskrant

Previous

Next