‘Een deel van mijzelf wilde het met iedereen delen. Sorry, het gaat even wat minder, ik heb kanker’, schrijft Herman Koch in zijn nieuwe boek. Toch besloot hij de mededeling van zijn arts dat hij ongeneeslijk ziek is lange tijd geheim te houden. Tot nu.
‘‘Ik kan het helaas niet mooier maken dan het is,’ zei dokter Francken terwijl hij me vanachter zijn bureau ernstig aankeek. Het was 3 februari 2020. Ik bevond me in zijn spreekkamer op de afdeling urologie van het OLVG West. Naast mij zat mijn 25-jarige zoon Pablo’, schrijft Herman Koch (70) in zijn nieuwe boek Ga je erover schrijven?, dat deze week verschijnt. ‘‘Het zit overal’, vervolgde dokter Francken, die een week eerder nog sprak van prostaatkanker. Maar nu constateert hij uitzaaiingen in het bekken en meerdere ruggewervels, in het sleutelbeen en ook in enkele lymfeklieren. ‘Helaas is er bij u sprake van een bijzonder agressieve kanker’, zegt hij. ‘Bestraling of een operatie is niet mogelijk. Dat heeft in dit stadium echt geen enkele zin meer. Het spijt me dat ik dat zo moet zeggen, maar het is niet meer te genezen.’’
‘Ze zijn bij mij zelfs helemaal niet gaan rinkelen, doordat ik vanaf mijn 25ste gewend was dat ik altijd vaak en lang naar de wc moest. Michiel maakte daar vaak grappen over. ‘Jezus man, zullen wij anders een hotelkamer nemen tot je klaar bent?’ ‘Het is juist gezond’, zei ik dan, ‘want je spoelt alles goed door.’ Dat had ik ergens gelezen. Maar tijdens het landelijke onderzoek darmkanker zagen ze iets raars, waarna ik een endoscopie kreeg. Er bleek niets aan de hand, maar mijn huisarts vond het wel een goed moment om meteen alles even te checken. En toen bleek ik een verhoogde PSA-waarde te hebben, wat kan duiden op prostaatkanker. ‘Maar het kan ook iets onschuldigs zijn’, zei mijn huisarts, ‘we bekijken het over drie maanden nog een keer’. Toen bleek die waarde ineens weer lager. De huisarts stelde voor het na zes maanden nogmaals te herhalen, maar ik was er niet helemaal gerust op, waarna we toch weer voor een periode van drie maanden gingen. En toen was die waarde zo verhoogd dat ik naar een specialist werd doorgestuurd.’
‘Ja. Ik was samen met Pablo bij die uitslag. Amalia en ik zouden eigenlijk in Barcelona naar een appartement kijken dat we overwogen te kopen. ‘Meestal is dit soort tumoren goed te behandelen met een operatie of met bestraling’, had dokter Francken over de prostaatkanker gezegd, dus ik had haar aangespoord in haar eentje te gaan. Maar ineens keek de dokter mij van onder zijn bril aan en zei: ‘Ja Herman, ik kan het niet mooier maken dan het is. Het zit overal, in de botten, in je lymfeklieren.’ Daarna ben ik tijdens dat gesprek wel een tijdje weggeweest. Ik was verdoofd, ik heb niet alles meer gehoord, want dat is dan toch een soort doodsvonnis. Hij zei wel: ‘Je gaat hier niet meteen dood aan’, maar verder viel er weinig over te zeggen. ‘Drie tot vijftien jaar, het kan alles zijn’, zei hij.’
‘Ik weet niet of ik ‘Está en todas partes’ heb gezegd. Eerder iets als: ‘Het is niet de uitslag waarmee we rekening hielden, het is vrij ernstig allemaal.’ En dan wel in het Spaans denk ik, ook omdat de verplegers, doktoren en patiënten die steeds af en aan liepen dan niet mee konden luisteren.’
‘Ja. We probeerden daar allebei onze tranen terug te dringen, maar hadden toch het ene servet na het andere nodig. Ik werd er niet goed van dat hij zo verdrietig was. God, dacht ik, dit doe ik hem aan. Het komt door mij. In de auto op de parkeerplaats hebben we elkaar omhelsd. Niet van: het komt wel goed. Maar: dit is het. Het was een soort accepteren zonder flauwekul te gaan verkondigen. Want ik had niet het gevoel dat ik tegen een 25-jarige kon gaan zeggen: je zult zien dat het allemaal wel meevalt. Daarna is hij even naar zijn vriendin, Anna, gegaan. Daar heeft hij nog wel een traantje gelaten, vertelde hij later. Ik ben hier thuis in mijn eentje even helemaal ingestort.’
‘Ik huilde om de nieuwe werkelijkheid die ons leven was binnengedrongen, in het leven van ons vieren, met Anna erbij. Ik dacht: o god, daar kom ik met mijn kanker, terwijl we het zo leuk hadden. Ik voelde dat er iets kapot was gemaakt, wat niet meer goed zou komen. Gewoon het onbezorgde. We hadden het zo leuk. Ik dacht: dit geeft definitief een andere draai aan onze levens.
‘Ik had volgens mij geen zelfmedelijden, misschien een beetje. Ik was vooral heel verdrietig om ons. We komen nu in een fase van ziekenhuizen en een leven waarin het steeds slechter gaat, zo zag ik het voor me. En die anderen moeten dat gaan bijwonen. Dat wil ik helemaal niet. Dat wil ik ze niet aandoen. Tegelijkertijd is het een egocentrische gedachte, omdat je jezelf zo belangrijk maakt. Zij kunnen mij niet verliezen, denk je, want zoveel ben ik waard. Dat zijn rare gedachten, en die speelden op dat moment allemaal door mijn hoofd.’
‘Wel de gedachte dat het ene land de grens van de andere is overgestoken en nu begonnen is met bombarderen. En ook dat ik vanaf nu die man ben waarvan mensen denken: oh, die is er binnenkort niet meer. Een andere wonderlijke gedachte die in me opkwam was: dit is erg, maar het is wel heel spannend. Het is avontuurlijk wat er nu allemaal staat te gebeuren.’
‘Ja, die fantasie had ik ook nog: ongeluk en rampen zullen Amalia, Pablo en Anna bespaard blijven omdat ik al alle ongeluk en rampen op mijn schouders had genomen. Ik was de bliksemafleider geweest, de volgende bliksem zou ergens anders inslaan, ver weg van hier.’
‘Ja. Zeker in het begin vond ik het soms heerlijk om me te laten vertroetelen en te laten beknuffelen. ‘Kun jij misschien een tosti voor me maken?, dan ga ik even liggen, want ik heb kanker’, zei ik dan. Dat heb ik niet te lang gedaan hoor. Maar het verluchtigde de boel, zonder het te ontkennen. Ik heb eigenlijk nooit in een ontkenningsfase gezeten. Het drong juist goed tot me door. Maar de impact van de boodschap dat je ongeneeslijk ziek bent, vermindert gek genoeg al best snel in je hoofd. Toen ik het later aan de telefoon aan mensen ging vertellen, schrokken die heel erg, sommigen begonnen zelfs te huilen, en dan dacht ik: nou nou. Toen was ik die fase al gepasseerd met Amalia en Pablo. Ik merkte ook dat ik bij zo’n telefoongesprek weleens dacht: nu ga ik zo die bom laten vallen. Je hebt een raar iets in handen gekregen, waarmee je iemand zijn hele dag kan ruïneren. Haha, dat klinkt gek, maar het is wel een emotie die er ook bij hoort.’
‘Ja, we hebben dat appartement uiteindelijk wel gekocht, maar dat gevoel is gebleven. Van dag tot dag leven is een cliché, maar ik leef wel meer op de korte termijn. Dat gevoel blijft wel stabiel, ook al zijn we de eerste drie jaar van die voorspelling al door.
‘Ik heb me ook meteen voorgenomen om nergens meer heen te gaan waar ik niet naartoe wilde. Ik zou bijvoorbeeld nooit meer op zondagmiddag in een boekwinkel optreden. De zondagmiddagen zou ik voortaan doorbrengen met de mensen die het belangrijkst waren in mijn leven. In gedachten speelde ik de bijbehorende dialogen af. ‘Zouden wij misschien mogen weten waarom u zo laat nog afzegt?’ ‘Prostaatkanker met uitzaaiingen.’ Wie zou dan nog durven zeggen dat het toch wel erg jammer was dat ik niet kon komen. Uiteindelijk was dat door corona allemaal niet nodig, er ging überhaupt niks meer door tijdens de lockdown.
‘Corona heeft sowieso goed voor mij uitgepakt. Het had maar weinig gescheeld of ik had een zware chemokuur gehad. Maar door de pandemie vonden ze chemo te riskant, daar zou ik te kwetsbaar van worden, en kreeg ik hormoontherapie. Daar reageert mijn lijf tot op heden ontzettend goed op. De kankercellen zijn stabiel tegengehouden. Zonder corona had ik die behandeling nooit gekregen. Dat is een geldkwestie, zeiden de doktoren, de verzekering vergoedt die medicijnen niet omdat ze heel duur zijn.’
‘Het is alsof een vreemde invasiemacht door het leger van de hormooninjecties en pillen wordt tegengehouden. Zo zegt de dokter het ook tegen me, die kankercellen kunnen op dit moment niet om die defensie heen. Het schijnt wel dat die kankercellen bij veel mensen op een gegeven moment doorkrijgen dat ze een andere route moeten nemen. Hoe snel dat gebeurt, weet je alleen niet.
‘Dat het bij mij nu al drie jaar goed gaat, kan volgens de arts wel iets te maken hebben met dat ik geestelijk goed in balans ben. Dat is een theorie van hem, hij denkt dat iemand die goed in balans is een betere immuniteit heeft. Je kunt je afvragen waarom je dan in the first place die kanker hebt gekregen, als je zo’n goede immuniteit hebt. Maar goed, het idee is dat je de kanker met ‘een leuk leven’ beter bestrijdt dan met in bed gaan liggen en bij de pakken neerzitten. Daar ontkom je natuurlijk nooit helemaal aan. Ik ben af en toe ook echt zwaarmoedig en depressief door het hele gedoe. Ik kan terneergeslagen denken: hoe lang gaat mijn leven nog duren? Natuurlijk, ik ben al 70, maar er is toch iets van de toekomst af. Je mag als mens heel blij zijn als je 80 kan worden, maar ik heb toch het idee dat ik anders misschien wel 95 was geworden. Maar goed, als ik hetzelfde op mijn 40ste zou meemaken en Pablo was net geboren, zou het nog tien keer zo erg zijn.’
‘Precies dat. Dat is een goeie. Er is geen open eind meer. Dus ik moet nu gewoon proberen het op dit moment leuk te hebben en om leuk, lief en aardig voor anderen te zijn.’
‘Ja. Dat is wat mijn leven nu is. Het is als wonen op een vulkaanhelling. Je hoort steeds wat gerommel, voelt lichte schokken, en denkt: straks moeten we gaan ontruimen.’
‘Ja, ik ben gevoeliger voor alles geworden. Ik maak me snel zorgen en als ik aan die ongerustheid denk, beginnen mijn ogen al te prikken. Op dit moment rijden Pablo en Anna van Noord-Spanje terug naar Amsterdam. Daar ben ik dan veel mee bezig. Ik moet dit eigenlijk helemaal niet benoemen, want dat is al vragen om moeilijkheden. Ze zijn vaker op een langere reis geweest. O, ik wil niet dat ze nu weggaan, dacht ik twee jaar geleden toen ze op punt van vertrek stonden met hun kleine auto met surfplanken erbovenop. Maar ik wilde ook niet de vader zijn die staat te huilen bij het afscheid. Dus ik ging naar boven, naar een wasbak, om mijn gezicht te spoelen. Verman je, sprak ik mezelf toe. Ga niet zitten huilen, laat het niet merken. Toen ik de trap afliep stond Pablo daar. ‘Pap, wat is er?’, vroeg hij. En toen hield ik het helemaal niet meer. En dan is hij ook weer zo lief. Dan gaan we op de bank zitten en dan slaat hij zijn arm om me heen en begint hij mijn haar te kroelen. ‘O, wat zielig’, zegt hij dan. Dat woord ‘zielig’ gebruiken we ook vaak in de gezinsgroepsapp die we met zijn vieren hebben. Als ik griep heb, schrijft Pablo: ah, zielig. Haha. Het zijn inmiddels codewoorden geworden om de boel te relativeren. Maar Pablo blijft mijn gevoeligste plek. Ik ben altijd weer blij als ik de sleutel in het slot hoor, wanneer hij is weggeweest.’
‘Ja serieus. Als dit het emotionele leven van een vrouw is, dan weet ik nu wat het is en hoe zwaar dat kan zijn. Dat vrouwen ineens helemaal in tranen kunnen raken, dat heb ik nu ook. Ik besprak het met de verpleegkundige die mij elke zes maanden die injectie komt geven, een aardige Antilliaanse vrouw. Zij vertelde mij dat er mannen zijn die echt van de leg raken door die hormoonbehandeling. Sommigen stopten er zelfs mee omdat ze dachten: dan maar eerder dood.’
‘Haha, zo moet je je stuk beginnen. ‘Ik zit hier tegenover de half vrouw geworden Herman Koch en dat is ook wel te merken.’ Maar nee, dat is zeker zo. In Finse Dagen schrijf ik ook al heel openhartig over mijn ouders en mijn jeugd, maar dit is toch anders. Ik vind het inmiddels trouwens wel een opluchting dat het boek nu uitkomt. Er zullen best veel mensen zijn die denken: o, daarom zei hij op elke uitnodiging ‘nee’. Maar ik wilde het gewoon niet aan de grote klok hangen. Ik heb ook tegen iedereen die het wist gezegd dat ze het een beetje stil moesten houden.’
‘Voornamelijk vanwege het idee van een krantenbericht met de kop: Herman Koch ongeneeslijk ziek. Dat leek me voor Pablo heel naar. Ook omdat iedereen dan meteen zou gaan bellen. O wat erg, hoe is het met je? De voornaamste reden was dat ik geen zin heb in zo’n berg met medeleven. Ik wilde me richten op mijn gezin. Nadat ik met de hormoontherapie was begonnen, bleek Amalia ineens borstkanker te hebben. Dat is nu weer onder controle, het is geopereerd en zij zit nu ook aan de hormonen. Maar toen dat bekend werd, stonden Pablo en Anna ineens voor ons deur, met poes en al. ‘We komen hier wonen’, zeiden ze. Toen hebben ze een maand hier met z’n vieren gezeten en waren we weer een gezinnetje. Amalia en ik vonden het allemaal best veel, twee ouders waar je je zorgen over moet maken, maar zij zijn toen spontaan bij ons komen wonen. Dat is weer zo lief.’
‘Zeker in het begin had ik dat. Het voelde als een verdrietige herhaling. Maar ook dan geldt weer: je moet jezelf niet te belangrijk maken. Want zijn leven zal ook weer doorgaan. Wat er ook gebeurt. En je haalt er ook iets uit. Ik voelde mezelf heel volwassen toen ik op mijn 17ste de begrafenis van mijn moeder organiseerde. Dus het is niet alleen maar negatief, je groeit er ook van.’
‘Ja, heel erg. Je tilt niet meer licht aan dat soort dingen, die tijd is dan gewoon voorbij. En dat gevoel heb ik nu ook. Die drie-eenheid met mijn vrouw en mijn kind is het allerbelangrijkste. Belangrijker dan schrijven ook.’
‘Ja, ik zie mensen dan een paar stapjes verderop gaan staan, omdat ze denken: die spoort niet helemaal. Maar dat maakt me niks uit. Ik sta daar dan echt als een hond, niet als mezelf. Dwars door alle schaamte heen, spring ik letterlijk tegen dat raam op. Ik weet het ook niet wat dat is, maar ik kan daar dan zelf heel erg om lachen. Amalia geneert zich kapot.
‘Ik doe dat soort dingen ook wel in mijn eentje. Dan sta ik op de roltrap van de Bijenkorf en dan maak ik ineens heel hard een keelgeluid. WHAHHHHH! En dan zie ik mensen kijken, die draaien zich om. Ze zien mij en denken: nee, die is het niet, die ziet er veel te keurig uit. Het moet iemand anders zijn. En als iedereen weer voor zich kijkt, doe ik het weer. MWHOEOEOE!’
‘Gelukkig vind jij dat wel leuk. Voor hetzelfde geld denk je: jezus wat flauw zeg, wat kinderachtig.’
‘Ja, als ik haar naar boven hoor lopen, dan ga ik daar al zitten. Ik pas altijd wel op, ik doe nooit, WAAAAH! ik doe altijd: huh! Want ik ben bang dat zij er anders wat van krijgt. Ik ben heel voorzichtig met haar.’
‘Dat is wel een goede typering. Michiel en ik spreken elkaar trouwens wel vrijwel dagelijks, hij is heel lief en betrokken. Zeker in het begin van de coronatijd merkte ik dat de aandacht verslapte omdat iedereen zich ineens met de dood bedreigd voelde. Dat gebeurt sowieso, vertelde dokter Francken. Er staan vijf maanden voor, dat mensen nog belangstelling hebben voor hoe het met je gaat. Dat merk ik zelf ook. Mensen vragen nog weleens uit beleefdheid hoe het met mij gaat, maar eigenlijk is het genormaliseerd. Dat komt ook omdat ik er nog goed uitzie. Zeker als mensen me een tijdje niet hebben gezien, zeggen ze: wat zie je er goed uit! Ze bedoelen natuurlijk: we hadden een uitgemergelde kankerpatiënt verwacht. Ze zijn eigenlijk een beetje teleurgesteld, haha. Ik ga nog een biertje halen. Heb je nog ergens trek in? Zullen we de haring iets opzij schuiven? Heb je zin in een koekje of liever iets van kaas? En nog een gingerbeer?’
‘Nee. O, nou dat is niet helemaal waar. Ik heb wel permanente pijn achter in mijn rug.’
‘Dat is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk is het iets heel anders. Maar ik ben ook een beetje hypochondrisch geworden door het geheel. O, ik heb hier pijn, ik zal toch niet? Maar dan zegt die aardige arts tegen mij: ‘Nee, als dat de kanker zou zijn, dan zou die pijn langzaam toenemen, en dat is niet zo.’’
Trekt hard aan het lipje. ‘Nee, dat lukt mij ook niet. O, toch wel. Jezus, wat een kracht van mij. Testosteron bouwt spieren op, dus nu ik dat niet meer heb, word ik slapper, daar is niks aan te doen. Ik merk bij veel dingen die spierkracht vereisen: het is niet veel meer. Zodra jij weg bent, ga ik allemaal gingerbeers opentrekken. Tien per dag.’
‘Dat ik dacht: ik moet hier niet mijn leven door laten beheersen. Dat was mijn besluit vanaf het allereerste moment. Ik zou niets gaan doen. Geen strijd. Gewoon kijken hoe de medicijnen aanslaan. Niet googlen, geen onderzoek doen naar alternatieven. Ook letterlijk niks doen. Als je in de wachtkamer zit, niets doen. In het vliegtuig, niets doen. Niet lezen, alleen maar voor je uit staren. Niks doen is de kortste weg naar geluk, is mijn motto. En ik voelde dat ik op die manier die ziekte ook het beste kon benaderen. De kanker had er vast niet op gerekend dat er iemand zou zijn die niets zou doen. Die ziekte is ook een aandachttrekker, die wil erkenning voor het delen van zijn celletjes. Maar als je dat negeert en denkt: nou jongen, zoek het lekker uit, dan heb je een andere houding dan wanneer je de hele tijd denkt dat er een gevaarlijk beest in je zit dat je aan het opvreten is.
‘Ik wil de kanker best naast me dulden, maar het mag me niet de baas worden. En dus moet het ook niet op te veel aandacht rekenen. En dat betekent dat ik gewoon moet blijven doen wat ik altijd heb gedaan. Natuurlijk veranderen er wel dingen, maar ik ben gewoon blijven schrijven, niet minder, niet meer. Je moet je niet direct gewonnen geven aan de aandacht die die ziekte opeist, en het leven gewoon in stilte voortzetten. Ik ga er in de openbaarheid ook niet te veel aandacht aan geven. Ik ga niet alle media af. Ik ga ook niet in een talkshow zitten. Dan zit je daar met zes mensen aan tafel, die allemaal gaan zeggen: ‘Wat erg voor je’, en dan zijn de 8 minuten weer voorbij.’
‘Ik wil dat inderdaad een beetje voor zijn door te laten zien dat ik er nog gewoon uitzie, en dat ik niet alleen maar iemand met kanker ben. Want mensen denken vaak: kanker, uitzaaiingen, die heeft nog maar een jaar en dat zie je er wel aan af. En ik vind het vooral erg leuk dit met Pablo te doen. We hebben tijdens het maken vaak de slappe lach.’
‘Dat je gewoon moet doorgaan. Toen hij jong was, keken we naar foto’s van mijn ouders en mij. Op een andere foto zag hij mij met lange haren, en ik lachte. ‘Hoe lang geleden was het hier dat je ouders dood gingen?’, vroeg hij. ‘Nog geen jaar’, zei ik. Ik zag hem denken: o, dus na een jaar was hij er wel overheen. Dat was voor Pablo de boodschap van de foto. Ook hij zal over de dood van zijn ouders heenkomen. Misschien al op de middag van de begrafenis, maar anders in elk geval na een jaar ongeveer. En dat is denk ik de boodschap die ik wil meegeven als het zwaard van Damocles valt: jij zult ook weer lachen.’
Hij raakt geëmotioneerd.
Snel neemt hij een teug van zijn biertje, maar het is net te laat om er zijn tranen mee te bedwingen.
‘Ja, nu raak ik toch geëmotioneerd.’
‘Het gevoel dat je krijgt als je je voorstelt dat het inderdaad ophoudt.’
Na nog een slok bier: ‘Maar ik zou dat het liefst aan hem willen overbrengen: denk eraan hoe leuk we het altijd hebben gehad. En dat je het ook in de rest van je leven leuk zult hebben. Nou, nu heb je het in levenden lijve gezien. Ik heb het over Pablo en ik raak ontroerd. Als ik zijn naam noem raak ik al geëmotioneerd.’
Het is inmiddels donker geworden buiten, zo ook in huis. ‘Wil je een lichtje aan of juist niet?’
‘Ja, ik vind het ook leuk zo. Nu vind ik het fijn in het donker, maar ik word ook weleens midden in de nacht wakker en dan denk ik: o, wat eng, het is midden in de nacht. Dan moet ik even de lichten aan doen, en zien dat Amalia er nog ligt. Dat is een beetje een abstracte angst. Dat zal vast komen doordat ik er bijna niet aan denk, dan gaat het zich op die manier misschien uiten.
‘Ik ben ruim een jaar geleden ook een tijdje bij een heel aardige psycholoog geweest. Vanwege die sombere gevoelens en die overgevoeligheid. Maar het kwam erop neer dat ze zei: je staat al stevig in je schoenen, dus ik zou die gevoelens maar gewoon toelaten. Daar was ik het wel mee eens. Ik moest ermee leven in plaats van ze proberen op te lossen. Dat is eigenlijk steeds mijn conclusie. Doe niets, maar leef door.’
Gemorrel aan de voordeur. Amalia komt thuis. ‘Hoi! Wat zitten jullie in het donker.’
Herman: ‘Hola.’
Amalia: ‘Hola. Ik merk daaraan dat het heel leuk is!’
Herman: ‘Ja, het is leuk. Er valt nog genoeg te lachen, om het hele ding heen.’
CV Herman Koch
5 september 1953 Geboren in Arnhem. Studeerde drie maanden Russisch en ruim een jaar Geschiedenis.
1989 Romandebuut: Red ons, Maria Montanelli.
1990-2005 Televisieserie Jiskefet, met Michiel Romeyn en Kees Prins.
1996 Eindelijk oorlog.
1998 Geen agenda.
2000 Eten met Emma.
2003 Odessa Star.
2005 Denken aan Bruce Kennedy.
2009 Het diner.
2011 Zomerhuis met zwembad.
2014 Geachte heer M.
2016 De greppel.
2017 Boekenweekgeschenk: Makkelijk Leven.
2020 Finse dagen.
2021 Een film met Sophia.
2022 Het Koninklijk Huis: een modern koningsdrama.
Herman Koch is getrouwd met schrijver Amalia de Tena. Ze hebben een zoon, Pablo.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
Voor snelle wijzigingen en bezorging
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2024 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden