Home

Wie is er nog laconiek in de politiek? Politici als Jan de Koning (1926-1994), nee, die zijn er niet meer

Wie wil weten hoe Nederland was, al was het maar om het huidige Nederland te snappen, zou de biografie over Jan de Koning moeten lezen. De CDA-politicus was alles wat de politici van nu niet zijn, betoogt Arnon Grunberg – en vooral een man om van te houden.

Ruud Lubbers, die premier van was van 1982 tot en met 1994, verklaarde: ‘Je kunt eigenlijk zeggen dat voor mij de ellende begon toen Jan de Koning wegging.’ Misschien geldt dat niet alleen voor Lubbers, maar wie was Jan de Koning?

Om die vraag te beantwoorden schreef politicoloog Peter Bootsma een biografie over De Koning (1926-1994) met de titel ‘Als het niet kan zoals het moet...’ Dit boek is ook te lezen als een geschiedenis van Nederland van de jaren dertig tot het eind van de vorige eeuw, en daarmee van de ontzuiling en de ontkerkelijking, oftewel van de tweede bevrijding, na die van 1945. Beide bevrijdingen stelden uiteindelijk teleur, demissionair minister Hugo de Jonge vatte de teleurstelling van de laatste recentelijk handzaam samen: ‘Ik mag het in deze adventstijd wel zeggen: mensen zijn toch op zoek naar een messias. Om daarna helaas te moeten constateren dat niet iedere messias in staat is om de wonderen te verrichten die hem zijn toegedicht.’

Over de auteur
Arnon Grunberg schrijft voor de Volkskrant over verlangen, politiek en ondergang. Zijn laatste boek is De vluchteling, de grenswacht en de rijke Jood.

De postreligieuze verlossingsleer nam eerder de vorm aan van het communisme, een grote teleurstelling. Fascisme en nazisme – die twee zijn niet hetzelfde – zijn eveneens op te vatten als verlossingsleer, zoals ook het nationalisme de mensen weet te verleiden met hoop op verlossing, al was het maar door de belofte om de grandeur van vroeger, die vermoedelijk nooit echt bestaan heeft, te herstellen. Het neonationalisme waarvan de hedendaagse politicus-verlosser zich bedient, heeft als eigenaardigheid dat de natiestaat die er de kern van zou moeten uitmaken weliswaar nog niet dood is maar toch al achter de rollator loopt, de meeste natiestaten kunnen hun eigen sokken niet meer aantrekken.

Het gevolg is dat de neonationalisten zich nog maar weinig bij die natiestaat kunnen voorstellen, ze zijn in elk geval niet bereid ervoor te sterven. Hoe hun verlossing er in de praktijk zal moeten uitzien is onduidelijk. Vast staat slechts dat het leven ook maar saai zou zijn zonder verleidingen en dat ieder blijkbaar zijn eigen verleider c.q. verlosser creëert.

Het boek van Bootsma stopt voor de teleurstelling de kans krijgt om zich heen te grijpen, maar de naoorlogse saaiheid komt aan bod – zonder dat het boek zelf saai wordt, een grote verdienste. En passant schetst Bootsma losjes de opkomst en ondergang van het CDA. Wat de ondergang betreft, blijft het begrijpelijkerwijs bij een ruwe schets. De Koning stierf immers voor zijn partij aan haar doodstrijd begon. Bootsma laat het bij een intrigerend zinnetje: ‘Achteraf werd duidelijk dat Lubbers ergens in deze periode [1989-1994] de kluts kwijtraakte, al is niet zeker wanneer precies.’

De ondergang van het CDA begon toen Lubbers de kluts kwijtraakte. Balkenende, de laatste CDA-premier, en wel van 2002 tot en met 2010, leek die ondergang een beetje te camoufleren, maar als hij de kluts in deze periode niet kwijtraakte, dan was dat alleen omdat hij al van begin af aan in opperste onzekerheid verkeerde waar hij en het CDA nu precies voor stonden. De algemene sympathie waarop de huidige aanvoerder van het CDA lijkt te kunnen rekenen wordt mede verklaard doordat hij het kruis van de ondergang zichtbaar op zijn rug draagt. Ook ik houd vurig doch platonisch van Bontenbal, wat wil zeggen dat ik me kan voorstellen bij hem in te trekken, maar zelfs dan zou ik waarschijnlijk niet op hem stemmen.

Terug naar de eerste vraag: wie was Jan de Koning, met wiens vertrek alle ellende begon?

Hij was een burgemeesterszoon, zijn vader bestuurde Zwartsluis, een dorp een kilometer of twintig ten noorden van Zwolle, waar het Meppelerdiep in het Zwarte Water stroomt. Het gereformeerde geloof speelde een vanzelfsprekende rol in het gezin, zonder verpletterend te worden. De Koning zei later over zichzelf: ‘Ik was een klein, erg verlegen jochie dat na een boos woord al in het trillende-lip-stadium verkeerde.’

Tijdens de oorlog ging het gezin in het verzet. Principes of toeval? Vermoedelijk een combinatie van beide. Bootsma schrijft er in elk geval over met een nuchterheid en relativeringsvermogen die mij passend lijken voor het gezin De Koning: ‘Zijn [Jans] schoolprestaties leden intussen wel onder zijn verzetsactiviteiten.’ Of, als de vader door de bezetter wordt opgepakt en mishandeld: ‘Hij was volkomen doof geslagen aan één kant en bleef dat de rest van zijn leven.’ Veel meer woorden worden er niet aan vuilgemaakt.

Met dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee het gezin in het verzet ging, melden Jan en zijn broer Koos zich na de oorlog bij het leger om in Indonesië tegen Soekarno te vechten. Koos sneuvelt door eigen vuur.

De brief van de vader aan Jan waarin de dood van Koos wordt gemeld is mede vanwege de stijfheid een aangrijpend hoogtepunt van het boek: ‘Liefste jongen, de treurige plicht moet ik vervullen je in kennis te stellen met het sneuvelen van je enige broer. Jan, het voelt zo zwaar je dit mede te delen. Nu pas voel ik, hoe diep een eigen kind in je leven is gegroeid. […] En nu moet ik mijn jongen heel erg missen maar ik hoop hem eenmaal in de hemel weer te zien.’

Jan en Koos dienden weliswaar allebei in Indië, maar niet bij hetzelfde commando en nieuws in die tijd verspreidde zich niet zo snel.

Over Indonesië heeft De Koning zijn leven lang gezwegen, zoals hij over al het persoonlijke het liefst lijkt te hebben gezwegen. Wel zou hij later opmerken dat de oorlog in Indonesië verkeerd was, maar dat zijn broer en hij dat toen niet konden overzien.

Na zijn terugkomst in Nederland gaat Jan sociale geografie studeren bij een wat merkwaardige hoogleraar, genaamd De Vooys. Deze man is zo zuinig dat hij de linten van de schrijfmachine weigert te vernieuwen, zodat zijn schrijfsels de onleesbaarheid steeds dichter naderen. Het forensisme, oftewel woon-werkverkeer, is het ‘lievelingsonderwerp’ van De Vooys. Ook Jan de Koning dient zich daarom op het forensisme te concentreren, hij wordt naar Castricum en Uitgeest gestuurd waar hij het woon-werkverkeer onder jongeren onderzoekt.

Tijdens zijn studie ontmoet hij zijn grote liefde, een meisje uit Suriname, Molly Grace Rellum. Haar huidskleur komt een paar keer terloops ter sprake. Ook hier geldt: wat vanzelfsprekend is of dat zou moeten zijn, daaraan hoeft men verder geen woorden vuil te maken.

Na zijn studie belandt De Koning via omwegen bij de Christelijke Boeren- en Tuindersbond, zonder verder veel van boeren en tuinders af te weten. Dat lost hij op door adviezen in te winnen van ‘een oude rot’ die hem vertelt dat hij, als hij een akkerbouwer bezoekt, altijd moet zeggen dat de rogge er mooi bij staat, maar wel wat dun. Hoewel van gereformeerden huize beheerst De Koning de kunst van het oprechte veinzen. Van diverse kanten wordt zijn vermogen om te luisteren geroemd, wat er ook mee te maken zal hebben dat hij ongaarne sprak.

Hij maakt carrière bij de ARP, de Anti-Revolutionaire Partij, een protestantse partij die later samen met de Katholieke Volkspartij (KVP) en de Christelijk-Historische Unie (CHU) opgegaan is in het CDA. Bij die fusie in de jaren zeventig speelt hij een cruciale rol door de bezwaren van enkele prominente partijgenoten (Biesheuvel en Aantjes, voor wie het nog wat zegt) weg te masseren. Aan conflicten had De Koning een hekel, het zachtjes wegmasseren van conflicten behoorde wat hem betreft tot het ambacht van de politicus. Jaren later zou hij het in het personeelsblad van Sociale Zaken zo zeggen: ‘Het kan geen kwaad voor een politicus zich erop toe te leggen met mensen om te gaan.’

Het is nu moeilijk voorstelbaar, maar de strijd die gevoerd werd binnen de ARP rond de toetreding tot het CDA ging over de vraag of het evangelie de grondslag zou moeten zijn voor die nieuw te vormen partij. Aantjes, die kort daarop ontmaskerd zou worden als oorlogsmisdadiger en jaren later weer min of meer zou worden gerehabiliteerd, zag in het evangelie inderdaad pijler en grondvest van de politiek en bracht dit sentiment tot uitdrukking in een eigen Bergrede: hongerigen moesten worden gevoed, dorstigen gelaafd, vreemdelingen gehuisvest, naakten gekleed en gevangenen bezocht, dat was volgens Aantjes’ christelijke politiek.

Voor De Koning gaat de Bergrede van Aantjes te ver. Elk ideaal dat niet ‘getoetst was op werkelijkheidsgehalte’ valt in zijn ogen buiten de politiek. De vervoering van Aantjes werd gereduceerd, als gezegd, tot een eenvoudig te nemen verkeersdrempel. Het CDA ontstaat, De Koning wordt minister van Ontwikkelingssamenwerking in het eerste kabinet-Van Agt (1977-1981) en schaamt zich niet voor het feit dat hij verslaafd is aan zijn werk. Om de suggestie van een privéleven niet geheel op te geven doet hij in het weekend thuis de vaat. Hij rookt als een bezetene, drinkt net iets minder bezeten jenever en krijgt een hartinfarct. Om zijn vrouw Molly te ontzien rookt hij na zijn hartinfarct in het geheim.

Na het verdwijnen van Van Agt wordt De Koning minister van Sociale Zaken onder Lubbers. Hij ontwikkelt een intieme en tegelijkertijd strategische band met de premier. Tijdens kabinetsvergaderingen komt er vaak een moment waar Lubbers het oog van De Koning zoekt. Knikt De Koning ja, rondt Lubbers af. Schudt De Koning nee, begrijpt Lubbers dat er nog even verder gemasseerd moet worden. Iedereen lijkt in deze periode van hem te houden, vrouwelijke Kamerleden geven aan dat ze voor De Koning wel de zonde zouden willen bedrijven, ze krijgen te horen dat De Koning niet aan zondes doet. Het betekent natuurlijk niet dat zijn plannen altijd overal op bijval kunnen rekenen. Uit protest tegen zijn gebrekkige emancipatoire kwaliteiten slaat een vrouw een ei op zijn hoofd stuk. De Koning veegt zijn hoofd af en zegt dat het hem aan zijn jeugd doet denken.

Als het Jeugdwerkgarantieplan ter tafel komt, dat de FNV-jongeren als ‘dwangarbeid’ beschouwen, belegeren actievoerders het huis van De Koning. Er volgt een kort ‘gesprekje’ met de minister en de toezegging dat hij later echt met hen in gesprek zal gaan en iedereen gaat rustig naar huis. De Koning had zijn laconieke stijl geperfectioneerd. Het grote verschil met huidige actievoerders en huidige bewindspersonen is dat het laconieke van beide kanten is verdwenen.

In 1994 wordt De Koning ernstig ziek. Een van zijn zonen wil hem op zijn sterfbed bedanken voor alles – hij was een nogal afwezige maar geliefde vader – maar De Koning onderbreekt hem, legt zijn hand in die van de zoon en zegt: ‘Het is goed zo.’

Tijdens de uitvaart verklaart ‘een zeer geëmotioneerde Ruud Lubbers’, die op dat moment duidelijk niet de kluts kwijt was: ‘Verdrietig zijn we en eigenlijk ook wel opstandig. Zonder Jan, dat kan toch eigenlijk niet.’

Elders in de wereld liep de twintigste eeuw door tot 11 september 2001, wie het boek van Bootsma leest bekruipt het gevoel dat de twintigste eeuw in Nederland eerder stopte, namelijk met het overlijden van Jan de Koning in 1994.

De lezer kan een gevoel van genegenheid en misschien zelfs iets van bewondering voor deze politicus die eerst gereformeerd was en toen Nederlands-hervormd niet onderdrukken. Zijn behoefte aan relativering moet iets groter zijn geweest dan zijn verlangen naar God.

Wie wil weten hoe Nederland was, al was het maar om meer te begrijpen van het huidige Nederland, is geholpen met dit boek. In nostalgie hoeft de lezer niet te vervallen, het verleden is voorbij, restauratie is onmogelijk en zinloos.

Via Jan de Koning leest men bij Bootsma hoe de Bergrede uit de Nederlandse politiek verdween, om plaats te maken voor andersoortige Bergredes, een nieuw soort spel, zoveel weten wij.

De oude verleiders en hun God zijn dood. Leve de nieuwe verleiders. Wat de consequenties zullen zijn van hun verleidingen, hoe hun Bergredes straks zullen klinken, daarover zal de toekomst ons inlichten.

Source: Volkskrant

Previous

Next