Home

‘Mijn jonge dochter ziet al dat zij meer mag dan Palestijnen’

De Israëlische Sari Bashi, programmadirecteur bij Human Rights Watch, woont met haar Palestijnse man en twee kinderen op de bezette Westoever. Het ene deel van haar familie bombardeert het andere. ‘Dat levert spanningen op, maar daar kunnen we goed over praten.’

Elke dag probeert de Israëlische Sari Bashi haar schoonmoeder aan de telefoon te krijgen – ze wil weten hoe het met haar gaat, of ze genoeg te eten heeft, en hoe het is met de rest van de familie. Naar haar veiligheid vraagt ze niet, vertelt Bashi. ‘Mijn schoonmoeder woont in Gaza, daar ben je nergens veilig.’

Het is voor iedereen in deze regio lastig om een normaal leven te leiden in een absurde, meedogenloze realiteit, maar als een man uit een vluchtelingenkamp in Gaza trouwt met een Joodse vrouw uit Tel Aviv, zit de buitenwereld vaak bij het ontbijt al aan tafel.

De 48-jarige Bashi, programmadirecteur bij Human Rights Watch, woont met haar man en twee kinderen (5 en 9 jaar) in de omgeving van Ramallah, op de bezette Westelijke Jordaanoever. Dat leverde altijd al lastige of opmerkelijke situaties op, waarover Bashi een aantal jaar columns heeft geschreven voor de Israëlische krant Haaretz. Over haar dochtertje bijvoorbeeld, dat in de lokale supermarkt keihard in het Hebreeuws schreeuwt dat ze een lolly wil – een taal die mensen in Ramallah alleen horen als er tegen hen wordt geschreeuwd bij checkpoints.

De afgelopen maanden heeft Bashi’s leven tussen twee werelden een extra scherpe rand gekregen. Terwijl haar Israëlische familie en vrienden nog in shock zijn over de aanval van Hamas, zo dicht bij hun huizen, wordt haar Palestijnse familie gebombardeerd. En ja, in een land waar ruim 360 duizend reservisten zijn opgeroepen, is een deel van Bashi’s familie betrokken bij de bombardementen op het huis van oma.

‘De vraag is nog niet gekomen, mijn dochter is er nog niet over begonnen. Maar als ze het vraagt, zal ik antwoord geven, al zal het niet gemakkelijk zijn. De essentie is dat ik de menselijkheid van iedereen zie: van de strijders, de Israëliërs, de Palestijnen. De misdaden zijn onbegrijpelijk, maar ik snap de angst en de woede van hen allemaal.’

‘Natuurlijk levert het spanningen op, maar daar kunnen we goed over praten. Dat was in eerdere oorlogen al zo. Ik weet bijvoorbeeld nog dat ik in 2012 naar huis reed en met Osama, mijn man, aan de telefoon hing toen er raketten op Israël werden afgevuurd en Gaza werd gebombardeerd. Ik had eerder met familie en vrienden gesproken die doodsbang waren voor die raketten. Osama begreep niet dat ik daarin bleef hangen. ‘Waar heb je het over?’, zei hij, ‘jullie hebben schuilkelders om naartoe te vluchten. Mijn familie heeft niets.’

Veel details over de huidige situatie wil Bashi niet geven. Het ligt te gevoelig en kan mensen zelfs in gevaar brengen. Zo laveert ze al jaren tussen de drang om mensen te vertellen over haar leven en het beschermen van haar gezin.

Bashi, die is geboren in de Verenigde Staten en rechten studeerde aan Yale, emigreerde als jonge vrouw naar Israël en richtte de mensenrechtenorganisatie Gisha op, die de bewegingsvrijheid van Palestijnen probeert te beschermen. In 2006 leerde zij Osama hier kennen, toen hij hulp nodig had om samen met zijn toenmalige vrouw en kind aan het juiste papierwerk te komen, zodat Osama naar Londen kon om te promoveren. Vier jaar later, toen Osama was gescheiden, ontmoetten ze elkaar weer en werden verliefd. ‘Het was doodeng en onmogelijk, maar ik besloot te vertrouwen op mijn gevoel, en gelukkig werden we hierin gesteund door onze families.’

Sindsdien hebben zij in Zuid-Afrika en de Verenigde Staten gewoond, en nu leven ze bij Ramallah, waar Bashi werkt als programmadirecteur van de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch. In Israël leven is onmogelijk: als een Israëliër met bijvoorbeeld een Nederlander trouwt, kan hij of zij zich wel met zijn partner in Israël vestigen, maar als het een Palestijn is, moet er speciale toestemming worden gevraagd. Dat heeft Bashi gedaan, maar de eerste keer werd het afgewezen, en op het antwoord van de tweede aanvraag, die drie jaar geleden is ingediend, wordt nog steeds gewacht.

‘Een van de zaken waarin onze relatie verschilt van de meeste andere, is dat ik bepaalde privileges heb, en hij niet. Het is lastiger om mij kwaad te doen, terwijl het gemakkelijk is om hem, een Palestijn, in gevaar te brengen. Ik wil over onze relatie praten omdat ik denk dat mensen ervan kunnen leren, maar dat mag niet ten koste gaan van zijn veiligheid.’

‘Alles! Hun vader kan bijvoorbeeld nooit mee naar mijn familie, hij is er niet bij als we een dagje naar zee gaan, en als hij ziek wordt, kan hij niet naar een goed Israëlisch ziekenhuis.

‘Mijn dochter, die nu 9 jaar oud is, heeft altijd veel vragen gesteld. ‘Waarom kan baba niet mee naar een restaurant, waarom kan baba niet in jouw auto rijden?’ Toen ik vier jaar geleden met de kleintjes naar mijn ouders reed, werden we bij een checkpoint tegengehouden: de weg was voor iedereen afgesloten. ‘Maar mama’, vroeg ze me toen, ‘waarom mogen we niet verder? Wij zijn toch Joden?’ Niemand had haar ooit verteld wat het woord ‘apartheid’ betekent, maar op die leeftijd had zij blijkbaar al geconcludeerd dat Joden dingen wel kunnen en Palestijnen niet.’

‘Ik hoopte mensen te interesseren die eigenlijk niet over de bezetting willen lezen, maar wel geïnteresseerd zijn in een liefdesverhaal. Het is heel goed ontvangen, het heeft zelfs een prijs gekregen van het Israëlische ministerie van Cultuur, maar wat mij het grootste plezier deed, waren de mails van mensen die schreven dat ze het weliswaar niet altijd met me eens waren, en soms zelfs boos werden, maar dat ik wel iets had laten zien wat zij niet eerder wisten. Dat is precies wat ik wilde bereiken, dat we naar elkaar luisteren, en dat is nu relevanter dan ooit.’

‘Vindt u? We zijn nog steeds verliefd, hebben twee prachtige, gezonde kinderen, en mijn kinderen hoeven als ze 18 zijn niet in het Israëlische leger te dienen. Ik denk juist dat we heel erg veel geluk hebben.’

Source: Volkskrant

Previous

Next