Tegenover de plek waar vroeger het Ajax-stadion De Meer stond, bevindt zich café De Avonden, een bakstenen gebouw met klapdeuren, een leestafel, hoge krukken, lampjes aan de muren en een doorleefde clientèle. De mensen eten er hun kipsaté, de buurman heeft er een bonnetje, er loopt een hond rond die Tony heet en niemand heeft er het boek gelezen van Gerard Reve, die om de hoek werd geboren. De zaak wordt gerund door twee broers, Jean-Pierre en Michel, jongens die het vak weer leerden van hun vader Jan, die het café al aanstuurde toen het nog Meerzicht heette. Bij zijn crematie in 2016 liepen we in een kilometerslange stoet midden op de weg achter een zwart-glimmende Lincoln aan richting begraafplaats, geen hond die er wat van zei.
‘Kom’, zei Marcel nadat we de vorderingen in ons verbouwde huis een stukje verderop hadden bekeken. ‘Even gedag zeggen.’
Over de auteur
Eva Hoeke is journalist en voor Volkskrant Magazine chroniqueur van het moderne leven.
Ik had geaarzeld – moesten we dat nou wel doen, het was alweer zo lang geleden dat we hier stamgast waren. Destijds woonden we op een koprol afstand, we hadden nog geen kinderen, alles was anders, alles was los, alles gebeurde in de avond, en nu was het klaarlichte dag, ik moest nog van alles doen, ander keertje beter – maar hij had me naar binnen getrokken, alleen even gedag zeggen, kom.
Binnen schemerde het al.
Aan de toog werd de verkiezingsuitslag besproken, de formatie was in nog in volle gang. Als PVV maar de baas zou blijven, met hun 37 zetels. ‘En dan heb ik nog niet eens gestemd,’ zei een dame met een paars kapsel. ‘Dan had ‘ie er 38 gehad.’ Wat haar relatie was tot het café of de familie was me niet helemaal duidelijk, maar dat ze er een vaste waarde was stond vast, eentje met verregaande bevoegdheden, van het geven van haar mening tot haar gescharrel achter de bar en het voeren van koekjes aan Tony.
Naast haar zat Krantje Tandje.
Nadat Johan Cruijff was overleden, die ándere bekende buurtbewoner, was De Avonden bestormd door hordes media die in het café de stemming kwamen peilen. Iedereen had er op een zeker moment genoeg van gehad, behalve Krantje Tandje, een man die zijn naam te danken had aan zijn krantenwijk en de staat van zijn gebit. Met nieuwe tanden en een nieuw herwonnen zelfvertrouwen had hij zich inmiddels opgeworpen tot woordvoerder. ‘Mensen kunnen veranderen’, zei hij desgevraagd.
De klapdeuren gingen open, binnen kwam Otto Dias, van graveerbedrijf O. Dias een deur verderop. Hij moest inmiddels in de 70 zijn. Er zijn niet veel graveerwinkels meer over in Amsterdam, het btw-tarief maakt alles duur, het uurloon komt er nog eens bovenop. ‘Aan de andere kant’, had Otto eens gezegd, ‘je doet twintig jaar met zo’n naamplaatje. Als je tenminste niet gaat scheiden.’
Wie nooit meer door de klapdeuren zou komen was Jorrie, de ex-inbreker en eeuwige junk met wie ik hier vele uren aan de bar had doorgebracht terwijl hij sterke verhalen ophing. Hij was een nachtvlinder geweest, zoals de andere gasten dat ook waren, allemaal op de een of andere manier geprikt door het leven maar niet te beroerd om daar zelf het hardst om te lachen. En hoewel ik nooit onderdeel was geworden van dit volkstheater, had ik me geen seconde buitenstaander gevoeld. Misschien was dat wel het verschil, dacht ik terwijl we even later de A10 opreden, misschien was dat wel wat de stad de stad maakte, een gedwongen samenzijn van totaal verschillende partijen, met zelfrelativering als onontkoombare overlevingsstrategie.
Nog zeven maanden, dan zouden we het weten.