Daar loop je dan door Glasgow, onder een grauw wolkendek, kort verwijderd van een valpartij, vol met je neus in de boter. Gejoel. Wapperende vlaggen. Dranghekken. Toeschouwers met telefoons hoog in de lucht gestoken voor beelden die vermoedelijk nooit meer worden teruggekeken.
Zij weten het wel, maar het belemmert ze niet. Ze filmen de Mathieu van der Poel die zondagmiddag 6 augustus met zijn verfijnde stijl door natte bochten trapt, over korte hellingen en langs kleurrijke Schotse muurschilderingen. De wielrenner die in zijn 28-jarige leven met al zijn veelzijdigheid al zoveel verbluffende sportverhalen afleverde.
Een ontbrekend plankje in Tokio, een hongerklop in 2019, ruzie met pubers en de daaropvolgende nacht in een politiecel in Australië. Daar tegenover staan eclatante overwinningen, van een krankzinnige inhaalrace in de Amstel Gold Race naar Parijs-Roubaix en Milaan-SanRemo. Van wielermonument naar wielermonument.
Bij Van der Poel kan het altijd twee kanten op: spectaculaire winst, of een pijnlijke aftocht zoals later in de week bij het WK mountainbike; saai is het nooit.
Hij is de favoriet die vooraf al vaak werd genoemd in Glasgow. In voorbeschouwingen door fans, door volgers, door romantici die vol overgave houden van de fiets. 38 jaar droogte, in 1985 won Joop Zoetemelk als laatste Nederlander het WK op de weg. Zou het nu eindelijk weer gebeuren? Een unicum, aangezien hij eerder in het jaar al de wereldtitel veldrijden won?
Tussen die romantici loop ik, half verdwaalde wielerjournalist. Semi-toevallig in het natte decor gelopen. Naar voren geschoven omdat er deze dagen in de Schotse stad sprake is van een multi-wieler-WK. Onze vaste wielervolgers hebben net een Tour de France achter de rug, later deze week zijn de baanwielrenners aan de beurt, die ik volg in voorbereiding op de Olympische Spelen van Parijs.
Van der Poel valt, een slippertje van zijn wiel in een bocht en hij ligt. Even heroïsch als onwaarschijnlijk is wat volgt: met een kapotte schoen trapt hij door. Alleen naar de finish, het schrijven van geschiedenis tegemoet.
Voor de mooiste valpartij van de dag teken ik: die met je neus in de boter.
Lisette van der Geest\
Het is zaterdagmiddag 29 juli warm in het Pyreneeëndal vanuit Bagnères-de-Bigorre naar de voet van de Tourmalet. Maar dat een poloshirt op de berg dus ook wel zou volstaan, blijkt eenmaal onderweg naar boven een misrekening.
Het zicht neemt allengs af, mistflarden bedekken de flanken. Het betonnen skioord La Mongie op 1.800 meter, 4 kilometer van de top, is volledig in hardnekkig grijs gedoopt. Hier rest in de kilte weinig anders dan rillend wachten op wat er komen gaat.
Beneden hebben Annemiek van Vleuten en Demi Vollering het met elkaar aan de stok. De tweevoudig wereldkampioen en veelvoudig winnares van grote ronden probeert tevergeefs de slokop van de grote voorjaarskoersen tot samenwerken te bewegen.
Vollering weigert. Ze weet haar ploeggenoten van SD Worx achter zich. Lotte Kopecky en Marlen Reusser sluiten aan het begin van de huiveringwekkende klim aan.
Dan verschijnt uit de diepte de tuindersdochter uit Berkel en Rodenrijs in haar eentje tussen de kolossen van La Mongie, beschenen door koplampen van auto’s achter haar. In een halfopen tunnel heeft ze Van Vleuten achtergelaten.
Het beentempo is imponerend strak, de blik is naar de verte gericht. Op de top, weet ze, wacht de gele trui van de winnaar van de tweede Tour de France Femmes. Dat zal haar tot de nieuwe koningin van het wielrennen maken.
Na enkele minuten passeert het fenomeen uit Wageningen. Van Vleuten komt vaak uit het zadel, het hoofd houdt ze gebogen. Een zwoegende stijl etaleert ze al haar hele loopbaan, maar als het voor de zoveelste keer voor de winst was, straalde het wilskracht uit. Nu, in de wetenschap dat een tijdperk voorbij is, oogt het als harken. Maar ook het voeren van een verloren strijd kan indruk maken.
Staand langs de weg door La Mongie mengt die mistige middag het rillen van de kou zich binnen enkele minuten twee keer met kippenvel.
Rob Gollin
Als Kay Smits en Luc Steins vroeger een weekend weggingen met hun team, liepen ze altijd samen terug naar het hotel. Zij waren de enige twee die geen alcohol dronken. ‘Dan hadden we op een gegeven moment zoiets van: nu is het wel mooi geweest, die andere jongens zijn echt niet meer aanspreekbaar’, vertelde Steins daarover. ‘Wij zaten anders in de wedstrijd, wij hadden een ander doel.’
Dat doel was niet het winnen van de Champions League, want voor jonge Nederlandse handballers was dat iets onbereikbaars. De twee Limburgers wilden gewoon verder komen, zo ver als voor hen mogelijk was. Voortdurend jutten ze elkaar op en stapje voor stapje kwamen ze verder.
‘Je hebt elkaar toch nodig, in je eentje krijg je veel minder voor elkaar dan met z’n tweeën’, vond Steins. ‘Het is mede aan Luc te danken dat ik zo ver ben gekomen’, zei Smits.
In juni stonden ze allebei in Final Four-weekend van de Champions League in Keulen. Smits in het groene shirt van Magdeburg, Steins in het blauwe van Paris Saint-Germain. De 20 duizend toeschouwers zagen een weekeinde lang hoe prachtig wreed deze sport op dit niveau kan zijn. Deels vanwege de klappen die de spelers te verwerken krijgen, maar vooral omdat de verschillen zo klein zijn dat winst of verlies meestal afhangt van één kans, één doelpunt.
Steins had in de halve finale in de slotfase de mogelijkheid om gelijk te maken en een verlenging af te dwingen, maar hij schoot op de keeper. Smits lukte dat juist wel in zijn halve finale, waarna zijn ploeg de verlenging won. Als eerste Nederlander stond hij in de finale, waarin hij topscorer werd en die hij winnend afsloot.
Dat weekeinde in Keulen moest ik geregeld denken aan de wandelingen van de twee jonge Limburgers. Terug naar het hotel en toch ook op weg naar het onbereikbare.
Dirk-Jacob Nieuwboer
Kees Smit en Ernest Poku. Rome-Jayden Owusu-Oduro en Lewis Schouten. Op 15 maart ontving de jeugdploeg van AZ tot 19 jaar Real Madrid, in de Youth League. In de Kalverhoek, zoals het trainingscomplex heet, vlakbij de Zaanse Schans, in de rust van de polder. Het team van AZ bestond uit jongens uit de omgeving.
Overal was publiek. Opa’s, oma’s, ouders en familie van spelers natuurlijk, maar ook de onvermijdelijke scouts, trainers uit binnen- en buitenland, verslaggevers en gewoon belangstellenden. AZ had al met 3-0 gewonnen van Barcelona, uit nota bene, en nu kwam Real Madrid op bezoek. De uitslag: 4-0.
Stelt u zich dat eens voor, bij het voetbal voor grote mannen. Dat AZ uit Alkmaar met 3-0 zou winnen van Barcelona en met 4-0 van Real Madrid. Dat is onmogelijk. Bij de jeugd kan dat nog. De nog jongere jeugd van AZ zong van AZ en van retteketet en de jongens stelden zich op als een haag om hun helden te eren.
Het hoofd van de opleidingen in Wijdewormer, Paul Brandenburg, was vooral trots. Hij sprak over de ontwikkeling van het kind, over een proces van lange adem, en hij zei dat in deze rustige omgeving niet meteen je kop eraf gaat, als er eens iets mislukt.
Dit was echt een mooie middag van topsport, met een diepzinnige les. Een beetje rust, goede begeleiding, ambitie, jonge dromen, en dat allemaal nog niet al te veel verstoord en verpest door alles wat topsport later zo lelijk kan maken. Wat overigens nog niets zegt over wie van die jongens met namen als Smit en Poku later de echte top haalt.
Maar ook dat was mooi. Dat het een middag was van dromen en illusies, van een gouden toekomst die misschien aanstaande is, en misschien ook helemaal niet.
Willem Vissers
Op een podiumpje, achter een brede tafel zit Sha’Carri Richardson. Van onbekommerde vreugde is geen sprake. De net gekroonde 23-jarige wereldkampioene op de 100 meter heeft nog een strijd te leveren.
De zindering van Richardsons 100 meter duurde kort, slechts 10,65 seconden. Winnen vanuit de ongunstige baan 9 is spektakel en de ontlading in het stadion is groot. Maar in een zaaltje onder de tribunes is een dik uur na de finale de spanning helemaal terug.
Zittend op een klapstoeltje tussen tientallen internationale collega’s onderga ik de schurende dynamiek die hier ontstaat. Ze blijft nederig, zegt Richardson. Ondertussen deelt ze sneren uit aan journalisten die verder vragen dan: wat gaat er door je heen? Zeker de Amerikaanse collega’s die vooraf hun twijfels hadden, moeten het ontgelden. Een niet-Amerikaanse verslaggever krijgt een uitbrander omdat hij haar voornaam niet goed uitspreekt.
Haar vijandige houding is verklaarbaar. Richardson heeft als zwarte vrouw in het Amerikaanse atletieksysteem met discriminatie en vooroordelen af moeten rekenen. Ze heeft ervaren hoe meedogenloos de pers kan zijn.
Ze werd na het overlijden van haar moeder op cannabis betrapt en miste door een dopingschorsing de Spelen van Tokio. Haar terugkeer verliep moeizaam en dat bleef niet onopgemerkt.
De enige die Richardson op deze maandagavond in Boedapest werkelijk welwillend te woord staat is een zwarte vrouwelijke journalist. Zij stelt geen vraag, maar bewierookt in een minutenlange monoloog de atlete. Als antwoord prijst Richardson haar.
Ik ben naar het puntje van mijn klapstoel geschoven. Dit is even ingewikkeld als interessant. De journalisten die echt iets willen weten, blaft ze af. Aan zij die niets vragen, vertelt ze wel veel, maar beklijft niets. Hoe is Richardson te doorgronden? Die vraag zal me blijven stellen. Want wie weet zit ik straks bij de Olympische Spelen in het Stade de France wederom op een klapstoel tegenover haar.
Erik van Lakerveld
Het was eind mei de bekende optocht op het stratencircuit van Monaco: rondje na rondje reden Formule 1-auto’s in dezelfde volgorde als waarin ze gestart waren. Aangevoerd, uiteraard, door de van pole vertrokken Red Bull met daarin Max Verstappen.
De wereldwijd bekendste Nederlandse sporter hing tijdens het raceweekend op elke straathoek van zijn woonplaats, een stevig, prijzig klokje aanprijzend. Net als Verstappen wonen de meeste van de twintig Formule 1-coureurs om belastingontwijkende redenen in Monaco. Ze zouden het langzame circuit dus als hun broekzak moeten kennen.
Maar toen begon het te regenen. Prompt was de optocht voorbij en kwam de Grote Prijs tot leven. Als Bambi op het ijs schutterden de uitverkorenen in de koningsklasse van de autosport over het plots spekgladde asfalt, op drie coureurs na. Het water dat uit de hemel viel, openbaarde voor mij als debuterend Formule 1-verslaggever het verschil tussen een doorsnee coureur en een excellente.
De schrijvende verslaggever mag niet langs het circuit staan, tenzij hij of zij bijna alle races van het seizoen bijwoont – volgend jaar 24. In bijvoorbeeld Zandvoort en Monaco staat daar tegenover dat hooggelegen persruimtes goed zicht op de baan bieden. Bij de Dutch Grand Prix kijk je in je luie stoel neer op de razendsnelle pitstops en de perszaal in Monaco kijkt uit over de voorlaatste 135-gradenbocht La Rascasse, rondom de gelijknamige horecagelegenheid.
Eenmaal natgeregend bleek die bocht een scherprechter. Bijna elke coureur maakte er verkeerde keuzes: te hoge snelheid, te hard remmen, te scherp, te wijd. Alleen Fernando Alonso, Lewis Hamilton en Verstappen, samen goed voor twaalf wereldtitels, wisten instinctief meteen de vloeiende racelijn te vinden.
Bij gemotoriseerde sporten is altijd de vraag hoe goed de sporter zelf is. Op het Bambi-ijs van La Rascasse deed de kwaliteit van de Formule 1-auto er even niet toe. En dan wordt duidelijk waarom de ene coureur wereldkampioen is en de ander dat nooit zal worden.
Robert Giebels
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
Voor snelle wijzigingen en bezorging
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden