Home

Opinie: Dit is wat mijn morele wereld heeft veranderd, nu ik te maken heb met jonge mensen die niet zomaar het goede kunnen doen

Hoe gaat een land om met zijn inwoners? Toen ik twintig jaar geleden van de Verenigde Staten naar Nederland verhuisde, ging ik ervan uit in een net land te mogen vertoeven. Ik zou Amerikaanse toestanden achter me laten en terechtkomen in een samenleving waar de overheid alles goed had geregeld, waar de wet billijk werd toegepast en waar zelfredzame burgers de vrijheid hadden zichzelf te ontplooien. Lang heb ik dit beeld vastgehouden, het duurde enige tijd voordat ik de andere kant zag van deze samenleving.

Over de auteur
James Kennedy is hoogleraar Moderne Nederlandse Geschiedenis bij de faculteit Geesteswetenschappen en universiteitshoogleraar met een speciale opdracht rond community engaged learning aan de Universiteit Utrecht.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Na de onthullingen van de parlementaire enquêtecommissie van afgelopen jaar, ben ik dit beeld van Nederland definitief kwijtgeraakt. Dit is geen land waar de regelgeving voor iedereen positief uitpakt, waar minderbedeelden fatsoenlijk worden behandeld of waar zelfontplooiing voor alle ingezetenen binnen handbereik is. Het onderzoek naar de toeslagenaffaire schetste afgelopen jaar het beeld van een overheid die haar eigen verstikkende regels niet wilde overstijgen of opzijzetten, ook al was de nood hoog.

Nog erger was dat het toeslagenbeleid van VVD-minister Henk Kamp stoelde op de gedachte dat van hoge boetes een afschrikwekkend effect uitgaat, en dat het bovendien de schatkist zou spekken. Dit toeslagenbeleid ging uit van een sluwe, inhalige aanvrager die moest worden ‘gepakt’ als hij de vereiste (en ingewikkelde) formulieren verkeerd invulde.

De ideologische leegte van de jaren negentig schiep een publieke sector die vooral werd gedreven door rationaliteit en regelgeving, waarbij de overheid vaak op grotere afstand van de burger kwam te staan. Die leegte veroorzaakte onbehagen bij de burgers, die het gevoel kregen dat zij niet werden gezien en aan hun lot werden overgelaten.

Toen ik in 2003 in Nederland landde, was die wereld al voorbij, verdreven door de komst van Pim Fortuyn. Ze werd vervangen door een politiek die gretig wilde bewijzen dat ze kordaat optrad tegen elke misstand die in het dagelijks nieuws bekend werd gemaakt, en wilde bewijzen dat zij aan de kant van ‘de burgers’ stond, ook al bood ze weinig vergezichten voor de toekomst. Het is nogal wrang hoe deze omwenteling uiteindelijk juist de minderbedeelden verder in de knel bracht.

Dat had veel te maken met wat toentertijd de ‘vertrouwenscrisis’ werd genoemd, waarin overheid en instanties niet meer vanzelfsprekend konden rekenen op het vertrouwen van hun burgers. Bovendien maakten veel Nederlanders zich in toenemende mate zorgen over de ‘verhuftering’ van de samenleving.

Met hun eigen leven ging het nog wel goed, maar hun buurman of buurvrouw hield zich niet langer aan de gewenste normen en waarden. Het was nodig om normatieve grenzen te stellen om de overlast van anderen – vooral migranten – te beperken en helderheid te scheppen over de nationale identiteit. Geen wonder dat vooral moslims en ingezetenen met een niet-westerse achtergrond de kop van Jut bleken te zijn, want zij zouden zich niet aan de Nederlandse moraal houden.

Dit werd ook zichtbaar in de politiek, waar scoringsdrift ertoe leidde dat veel parlementariërs zich manifesteerden als voorstanders van een lik-op-stukbeleid. Zeker op het gebied van fraudebestrijding. In de eerste jaren van Rutte II (2012-2017) was de politieke druk groot om fraude flink aan te pakken, met vreemdelingen (Bulgaren) als bruikbare zondebokken. Er waren weinig politici die harder werkten om van fraudebestrijding een ‘topprioriteit’ te maken dan toenmalig CDA-Kamerlid Pieter Omtzigt, die net als Henk Kamp de omvang van de gepleegde fraude schromelijk overschatte.

Nederland leek in die tijd te worden beheerst door een attitude die ik eerder associeerde met de Amerikaanse politiek: een wantrouwende en bestraffende houding tegenover mensen die gebruik wilden maken van publieke middelen, zowel van toeslagen als van uitkeringen. Net als in de Verenigde Staten was de poging om de verzorgingsstaat te hervormen, ingegeven door het beeld dat hardwerkende burgers mijlenver afstonden van uitkeringstrekkers die misbruik maakten van de voorzieningen.

Vond ik het toentertijd erg wat er gebeurde? Ik voelde me ongemakkelijk bij het verdacht maken van bepaalde groepen, maar tegen ferme fraudebestrijding als zodanig had ik geen bezwaar. Als rechtschapen mens dacht ik dat het goed was om misbruik van publieke middelen te voorkomen en om mensen die de wet overtraden ter verantwoording te roepen.

Ik ben er pas later, via een persoonlijke omweg, geleidelijk anders tegenaan gaan kijken. Dat heeft te maken met de aanwezigheid van pleegkinderen en jongvolwassenen die weken-, maanden- of jarenlang bij ons in huis hebben gewoond. Vaak kwamen ze uit jeugdzorginstellingen, waar misbruik, dwang en traumatiserende incidenten – door medebewoners of begeleiders – geen uitzondering waren.

Geregeld hadden ze geen enkel ankerpunt in hun leven en waren ze losgeslagen en dolend. Vanwege vaak zware diagnoses konden ze geen fatsoenlijke huisvesting krijgen. Soms hadden ze een voogd, bewindvoerder of curator die hen nauwelijks kende, maar wel wel ingrijpende beslissingen nam.

Deze jongeren maken geregeld misbruik van publieke voorzieningen en overtreden soms de wet. Maar ze schreeuwen het soms ook uit naar ons: wat kunnen we anders? Zo was de omgeving waarin ze waren opgegroeid, zo waren hun rolmodellen in het gezin, de straat of de instelling waar ze opgroeiden.

Sommigen – zeker niet allen – zijn geen lieverdjes. Ze maken soms ernstige fouten, waarvoor een werkstraf of gevangenis een gepaste maatregel is. Maar ook voor hen moet er een weg voorwaarts zijn. En hoewel rechters ze die kans vaak wel willen geven, is die weg voorwaarts er niet altijd in deze dichtgeregelde samenleving.

Door voorwaarden en schaarste (deels door kwaliteitseisen) zijn de wachttijden voor woningen, traumatherapie en verslavingszorg te lang. Werkgevers en verhuurders zitten niet te wachten op jongeren die onaangepast zijn, want het risico is groot dat je niet meer van ze af kunt komen. Op school moeten jongeren voldoen aan de ureneis en thuis studeren mag niet, zodat een diploma niet altijd binnen handbereik is. En zonder diploma heb je weinig kansen op de arbeidsmarkt.

Als dan hun eerste zuurverdiende geld wordt ingehouden op hun uitkering en niet leidt tot meer financiële ruimte, proberen ze hun inkomsten af te schermen van de uitkeringsinstantie, hun bewindvoerder of curator.

Het afgelopen jaar ben ik me ervan bewust geworden – vooral door de openbaringen tijdens de enquête – hoe de veelheid aan regeltjes voor de ene Nederlander echt iets anders betekent dan voor de andere. Ik heb me twintig jaar geërgerd aan de omvang en specificiteit van regels, zowel bij universiteiten waar ik heb gewerkt als in mijn leefomgeving. Maar voor mij zijn de regels vooral hinderlijk, ik ga er niet aan kapot.

En zo is het ook bij de ‘nette’ Nederlanders die de regels schrijven, de regels handhaven, de regels volgen of soms omzeilen. Ze hebben te weinig aandacht gehad voor de gevolgen van de regels voor mensen die meer moeite hebben zich eraan te houden, en voor de gevolgen van de sancties – waarbij de overheid de grootste en strengste schuldeiser van het land is.

Nog steeds wordt de zelfredzaamheid overschat van minderbedeelden die vooral aan het overleven zijn. En dat is wat mijn morele wereld heeft veranderd, nu ik te maken heb met jonge mensen die niet zomaar het goede kúnnen doen als ik dat moreel van hen wil eisen.

Misschien valt er in de praktijk ook niet zoveel aan te doen. Sinds de schrik van de toeslagenaffaire hoor je vaker de oproep voor meer vertrouwen in burgers en de noodzaak van zorg op maat. Dat is mooi, maar ik ben sceptisch of dat in dit land gaat werken. De regels zullen erg complex blijven, vanwege de verschillende beleidsdoelen die ze moeten dienen en het beginsel van gelijke behandeling. Bovendien is het moeilijk om maatwerk te leveren als je elkaar nauwelijks kent en er geen sprake meer is van persoonlijk vertrouwen.

Misschien is de enige weg voorwaarts meer empathie, hoe clichématig dit ook mag klinken. Je hoeft geen sympathie te hebben voor mensen van wie je denkt dat ze verkeerde keuzes hebben gemaakt, maar soms helpt het om begrip te hebben voor hun omstandigheden. Dat betekent dat je verder moet kijken dan de wereld van regels, sancties en individuele verantwoordelijkheid. In een tijd waarin we elkaar gemakkelijk veroordelen is dat geen overbodige luxe, zowel in mijn thuisland als hier in Nederland.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

Voor snelle wijzigingen en bezorging

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next