Sporters gaan onvermijdelijk ten onder, schrijvers en musici worden vergeten. De laatste dagen van Roger Federer en andere eindes onderzoekt de eindigheid der dingen en de moeite van de mens om daarmee om te gaan. Eén troost: zonder einde is niets de moeite waard.
Op donderdag 16 januari 2019 begon de Engelse schrijver Geoff Dyer (1958) aan een boek over ‘hoe dingen aflopen’, althans, hij zat zich die dag af te vragen hoe hij dat boek moest beginnen. Het begin is nu eenmaal een voorwaarde voor het einde. Dat is ook meteen het verdrietige: zodra je aan iets bent begonnen, weet je dat het einde naderbij komt.
Ons leven speelt zich af tussen geboorte en dood, maar ook tussen die twee mijlpalen in is het leven een opeenvolging van openingen en eindspelen. We zijn continu op weg naar het einde van een of ander: opleiding, carrière, ouderschap, relatie. Roem, rijkdom en erkenning.
Een mens ontkent liefst zo lang mogelijk dat er een moment komt dat de tijd voorbij is en de illusie van de eeuwigheid weer eens hardhandig om zeep wordt geholpen. Dat doet pijn, niet voor niets worden eindes vaak omschreven in termen vol drama en tragiek. Ook na 200 duizend jaar ervaring met eindes in alle soorten en maten hebben we ons er nog altijd niet mee verzoend: misschien heet dat verzet ‘leven’.
Maar goed, op die dag (16 januari 2019) keek Dyer naar de Britse tennisser Andy Murray. Die gaf, voor zijn eerste optreden tijdens de Australian Open, een persconferentie. De emoties liepen hoog op, want Murray kondigde zijn afscheid aan. Dyer vond het ‘verpletterend om te zien’. Er schoot hem een regel uit het nummer The End van The Doors te binnen: Lost in a Roman wilderness of pain.
Over de auteur
Bert Wagendorp is schrijver en columnist van de Volkskrant.
Dyer wilde in het boek dat hem voor ogen stond onderzoek doen naar de afloop der dingen, naar hoe popsterren omgaan met de eindigheid, hoe sporters onvermijdelijk ten onder gaan, hoe schrijvers de lange weg van roem naar vergetelheid bewandelen. Kort samengevat: hij wilde weten hoe het zat met de laatste dagen van Roger Federer, zijn held, de Zwitserse precisie-uurwerker, de beste, elegantste tennisser aller tijden.
Het is niet zomaar dat in De laatste dagen van Roger Federer en andere eindes schrijvers, popiconen en vooral sporthelden een belangrijke rol spelen: ze opereren op het scherp van de snede en met het zwaard van Damocles boven hun nek. Elk boek van de schrijver kan zijn einde betekenen, het popicoon staart na een juichend ontvangen cd eenzaam in de leegte. Vanaf het moment waarop de atleet zijn eerste successen heeft geboekt, wordt er aan zijn stoelpoten gezaagd.
De sport is het scherpste toneel van begin en einde. Voor de sportheld is het gevecht met het eeuwig dreigende einde zelfs zijn reden van bestaan, zijn verdienmodel. Zonder competitie en zonder roembeluste concurrentie zou hij geen sportheld zijn. Vanaf het moment waarop de top van de Olympus is bereikt, is hij in gevecht met zijn eindigheid. Zijn tegenstanders zijn uit op één ding: zijn ondergang. Topsport is het zo lang mogelijk uitstellen van het einde. Maar dat komt, onherroepelijk. De topatleet weet: elke wedstrijd kan het begin zijn van de neergang. Dat is de fascinerende wreedheid van sport waar het publiek zo verzot op is.
In de competitie waarin popmuzikanten en schrijvers zijn verwikkeld, wordt de stand bijgehouden door beroepslezers en -luisteraars: die bepalen of de tijd voorbij is, of er ruimte moet worden gemaakt voor nieuwe iconen. Maar meestal is het einde voor muzikanten en auteurs milder, in elk geval minder aan de strenge wetten van de tijd gebonden. Het fysieke verval dat de sportkampioen tot stoppen dwingt, speelt bij hen minder.
De sporter is hooguit 35 en in bijna alle opzichten nog in de bloei van zijn leven – maar uitgerangeerd in wat hem definieerde, want hij is geen winnaar meer. Voor de glorie die de sportheld gedurende de eerste decennia van zijn leven heeft gekend, komt in de volgende vijftig jaar iets in de plaats waarmee hij in het beste geval de tijd kan doden, iets armzaligs, iets dat hem degradeert van halfgod naar gewoon mens. (Dat kun je als iets tragisch zien, maar er zijn miljarden mensen die dat lot goedgehumeurd ondergaan zónder ooit op een podium te hebben gestaan.)
Voor de popmusicus hoeft het lichamelijk verval geen einde te betekenen. Soms kan het verval zelfs het bewijs zijn van oneindige vitaliteit en de roem op peil houden. De krasse bejaarde Iggy Pop (76) toert nog langs volle zalen op alle continenten. Hij heeft zijn hele leven geflirt met de dood, maar zich nooit gewonnen gegeven. Hetzelfde geldt voor sommige schrijvers. Jeroen Brouwers schreef zijn laatste bestseller Cliënt E. Busken met één been in het graf – hij werd de hemel in geprezen.
De sporter is nog jong als de hoogtepunten van zijn bestaan zich al hebben voorgedaan. Het leven heeft zijn schitterende belofte al vervuld en er is redelijkerwijs weinig meer te wensen over. De Duitse tennisser Boris Becker had vóór zijn 22ste drie keer Wimbledon gewonnen. ‘Dat is al een prachtig leven’, schrijft Dyer, ‘wat voor onbenulligs er verder nog achteraan komt.’ Dat kwam er in het geval van Becker inderdaad en in overvloed, maar daar viel mee te leven. Misschien niet in Beckers eigen ogen, maar wel in die van degenen die de sport graag als metafoor van het leven zien en zelf niet verder zijn gekomen dan het winnen van een clubtoernooitje.
De popmuziek kent zijn onehitwonders, successen die begin en einde in zich verenigen. Jack Kerouac zou je kunnen zien als de Boris Becker van de literatuur. Hij zette alles op één boek dat hem eeuwige roem moest bezorgen. Dat lukte, met On the Road, uit 1958 – Kerouac was 36. Na het schrijven van dat boek was het afgelopen, pogingen om het succes te herhalen liepen op niets uit. ‘Maar wie Kerouacs leven bekijkt als een tragedie van verkwist talent, denkt in clichés’, schrijft Dyer. ‘Vanaf het ogenblik dat Kerouac On the Road af had, was hij verzekerd tegen ernstige fouten in zijn leven – in het verleden én in de toekomst. (…) Hij had erop ingezet een groot schrijver te worden, en hij had gewonnen. Niets kan op tegen de prestatie en de triomf van On the Road.’
Er zijn overigens in de letteren meer Kerouacs en in de popmuziek meer eendagsvliegen dan er Beckers rondlopen op de tenniscourts. De wereld van de literatuur is vergeven van mislukt verzet tegen de eindigheid – de volharding waarmee duizenden verhalenvertellers het blijven proberen is bewonderenswaardig. Er zijn maar weinig schrijvers die zich niet bezighouden met de eindigheid, is het niet met die van zichzelf dan wel met die van hun personages (en daarin weer met die van zichzelf). Bestond de eindigheid niet, dan zou de literatuur niet bestaan; literatuur gaat altijd over de eindigheid of op zijn minst over de weg ernaartoe.
Voor veel schrijvers zijn hun boeken wapens in de strijd tegen dood en vergetelheid. Die leidt zelden tot succes. De auteur zinkt samen met zijn boeken weg in anonimiteit. Slechts een enkele bevoorrechte slaagt erin via zijn boeken wat langer te overleven. Soms gaat de dood van de schrijver vooraf aan zijn roem, zoals in het geval van Moby Dick en Herman Melville en talloze andere auteurs – wat extra sneu is.
Mensen worden, naarmate er minder tijd resteert, zuiniger met de uren. De dood nadert niet sneller dan toen ze 20 of 30 waren, maar ze zijn zich er nadrukkelijker van bewust én de veiligheidsbuffers zijn smaller. Er is minder tijd voor verspilling, de troost dat er nog kansen en mogelijkheden genoeg zijn wordt langzaamaan bleker; tot de weemoedige terugblik het enige is dat rest.
Het leven is nu eenmaal geen tv-serie over meerdere seizoenen waarin elk einde een nieuw begin betekent. Het is Groundhog Day niet, hoewel het succes van die film stoelt op de prettige fantasie waarin dat wel zo is. Maar er komt onherroepelijk een definitief einde aan alles, zonder een nieuw begin. De tennisser serveert voor de laatste maal – niet in de partij, maar in zijn leven. Misschien slaat hij nog weleens een balletje, maar het gaat niet meer op leven en dood, het gevecht tegen de eindigheid is al verloren.
De zanger pakt voor de laatste keer de microfoon alsof zijn laatste restje zuurstof erin zit, hij vouwt nog één keer zijn lippen om het metaal en hij gromt nog één keer alsof het de laatste keer is. Wat het dit keer ook is, het is het eind van het liedje, het is afgelopen.
De schrijver neemt plaats achter zijn laptop en begint aan zijn nieuwe boek, zoals hij aan al zijn nieuwe boeken is begonnen: gewoon met de eerste zin. Maar als die er eenmaal staat, komt er geen tweede. ‘Hij was niet in staat de zin te schrijven die moest volgen, hoewel hij die kende’, zoals Hemingway schreef in The Garden of Eden. Het is voorbij, de bronnen zijn opgedroogd, de schrijver is aan zijn eind gekomen.
Is dat erg? Het einde van de creativiteit wordt vaak als iets tragisch gezien; maar dat is hooguit zo als het einde voortijdig komt. Verder is het zoals het hoort te gaan, zolang er geen remedie tegen de eindigheid is gevonden, tenminste. Bij Google schijnen ze naar een oplossing te zoeken, maar het is te hopen dat ze die nooit zullen vinden: het leven zou alle zin verliezen.
Ons einde is bij ons begin inbegrepen en alleen te vermijden door krachtig en nietsontziend in te grijpen, met opoffering van ons leven. Zodat we uiteindelijk toch belanden waar we juist niet wilden zijn. Zoals de leden van de Club 27, op 27-jarige leeftijd overleden popmuzikanten als Jim Morrison, Brian Jones, Jimi Hendrix, Janis Joplin, Kurt Cobain en Amy Winehouse. Zij zochten de eindigheid en vonden die, met als merkwaardig gevolg dat hun namen voortleefden. Wie weet wat er zou zijn gebeurd met Jim Morrison als hij in de zomer van 1971 in Parijs niet in bad was gegaan en in 2024 als 80-jarige nog steeds The End had staan zingen, met naast zich een grijsaard op een orgeltje.
Misschien was hij de weg van Bob Dylan (82) gegaan, die met zijn Never Ending Tour (sinds 1988) gewoon ontkent dat er een einde bestaat. Misschien was Morrison een Mick Jagger geworden, een 80-jarige ontkenner van de eindigheid pur sang en had hij in het Gelredome ook generatiegenoten de illusie van de eeuwige jeugd voorgehouden.
Maar misschien was Morrisons aftocht op jonge leeftijd zo gek nog niet. Wellicht is mythevorming wel het allerkrachtigste medicijn tegen de eindigheid, al moet daarbij worden opgemerkt dat de gemythologiseerde de voordelen van die status niet meer aan den lijve ondervindt.
Hoe dingen aflopen: in de finale van de Champions League 1999 speelde Bayern München in Camp Nou in Barcelona tegen Manchester United. Bayern kwam in de zesde minuut op 1-0. De wedstrijd was al in blessuretijd toen Uefa-voorzitter Lennart Johansson en zijn collega van Bayern, Franz Beckenbauer, vanuit de ereloge de lift naar beneden namen om op het veld te beker te gaan uitreiken. Die was al voorzien van linten in de Beierse clubkleuren. Toen de twee mannen met de beker de lift uitstapten, was de stand veranderd in 2-1 voor United. ‘De winnaars huilden en de verliezers juichten’, constateerde Johansson. De wedstrijd was geëindigd, maar heel anders dan iedereen had verwacht.
Zo’n gebeurtenis biedt hoop. Ook als het einde in zicht is kunnen de kansen nog keren. Jan Siebelink had zijn hele leven matig verkochte boeken geschreven en toen hij als 67-jarige zijn volgende boek af had, verwachtte niemand dat daarin verandering zou komen. Dat boek was Knielen op een bed violen, waarvan er ruim 700 duizend werden verkocht. Het gaf hem de moed gewoon door te gaan met schrijven.
De tennisloopbaan van Roger Federer eindigde op 23 september 2022, Federer was 41 jaar oud. Het boek van Dyer was al uitgekomen. De laatste dagen van Roger Federer is nu ook vertaald en vermoedelijk is het niet Dyers laatste boek, ook al was dat gezien het thema wel zo aardig geweest. ‘Het is de overtuiging dat het voorbij is die me gaande houdt.’ Schrijven, zegt hij, is de dag uitstellen dat je het niet meer wilt of kunt. Daarom schrijft Dylan nog steeds nieuwe nummers, daarom schilderden Chagall en Picasso door tot ze bijna 100 waren – in het besef dat eindigheid met leeftijd niets heeft te maken; oké, een klein beetje dan.
Je kunt de eindigheid trouwens ook gewoon ontkennen. Niet door als een bejaarde popster in volle stadions te blijven optreden of door romans te blijven schrijven tot je erbij neervalt, maar door gewoon door te blijven leven zonder te zoeken naar erkenning, roem of geld. Zonder angst voor de eindigheid maar in het volle besef dat zonder de eindigheid niets de moeite waard zou zijn; dat alle schoonheid, wijsheid en vreugde louter bestaan bij de gratie van die genadeloze scherprechter, de man met de zeis, die aan alles een einde maakt.
Geoff Dyer: De laatste dagen van Roger Federer en andere eindes. Uit het Engels vertaald door Ivo Verheyen. Tzara; 352 pagina’s; € 24.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
Voor snelle wijzigingen en bezorging
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden