Home

Het probleem was vooral Renée Soutendijk. Die speelde indertijd in zowat elke speelfilm en serie

Buiten stormde het, binnen lag ik in bed met Van de koele meren des doods (Frederik van Eeden, 1900) over het ‘fijn bewerktuigde’ (lees: overgevoelige) meisje Hedwig de Fontayne. Een mooi meisje, uit een welvarend, beschaafd gezin, dat haar duistere gedachten nog min of meer binnen de perken weet te houden, tot de ontijdige dood van haar moeder daar korte metten mee maakt. Er komt een enge, burgerlijke huishoudster in huis, Hedwig doet op haar twaalfde een zelfmoordpoging, de gezinsleden leven langs elkaar heen en vader raakt aan de drank.

Hedwig trouwt jong met de keurige Gerard die te ‘rein’ blijkt om seks met haar te hebben, loopt vervolgens weg met de geile concertpianist Ritsert, wordt zwanger van hem op het moment dat hij haar al min of meer zat is, en bevalt-te vroeg-van een broos dochtertje terwijl Ritsert op reis is.

‘Het kindje nam maar weinig voedsel en werd slapper en magerder, zodat ’t zware hoofdje gansch óverhing bij ’t opnemen. Doch Hedwig verloor hoop noch geduld. En toen eindelijk op den drieëntwintigsten dag het zwakke lichtje onmerkbaar verglom en de laatste beweginkjes van het koude lijfje ophielden, toen was ’t haar nog niet klaar, door de naderende verbijstering haars verstands’.

Over de auteur
Schrijfster Sylvia Witteman bespreekt elk weekeinde een boek dat haar is opgevallen.

Die ‘verbijstering haars verstands’ ontaardt in wat we tegenwoordig een ‘postnatale psychose’ zouden noemen. Die arme Hedwig propt de dode baby neurieënd en zingend in een koffer, en gaat op reis om ‘vadertje’ Ritsert te zoeken. Onderweg wordt haar ‘waan’ steeds erger, ze laat zich beroven en misbruiken door geboefte, en belandt, inmiddels knettergek, in een Parijs gesticht, waar ze aan morfine verslaafd raakt. Om haar verslaving te betalen vervalt ze uiteindelijk tot prostitutie.

Best een fijn verhaal kortom, die Koele meren (al is het eind vervelend en stichtelijk) maar bij het lezen werd ik onophoudelijk gestoord door beelden die zich opdrongen uit de gelijknamige verfilming. Een kostuumfilm uit 1982, dus dan weet je ’t wel: Renée Soutendijk (met zwoegend boezempje en aigrettes op heur verleidelijke hoofdje) Derek de Lint (zijn broeierige mooiejongensgezicht aan weerszijden voorzien van imposante bakkebaarden) en Peter Faber als plat pratende nihilist, plus veel naakt.

Waar had ik het aan verdiend, dat die film me veertig jaar zo helder was bijgebleven dat hij het boek voor me overschaduwde? Zou het helpen om die film nógmaals te zien, zoals je een oorwurm ook weleens uit je hoofd krijgt door het liedje nog eens in zijn geheel te beluisteren?

Niet geschoten is altijd mis, dus ik bekeek de film opnieuw (dat kan bij eyefilm.nl) Voor een veertig jaar oude film viel hij nog best mee, wel aan de trage kant natuurlijk, en het was misschien ook niet zo’n goed idee om een stervende, premature baby te laten spelen door een stevig, springlevend kind van een paar maanden oud, maar verder helemaal geen beroerde film.

Het probleem was vooral Renée Soutendijk. Die speelde indertijd in zowat elke Nederlandse speelfilm en serie, dus toen we de Koele meren te zien kregen, zaten we nog met het residu op ons netvlies van Zeg ’ns Aaa, Dagboek van een herdershond, Spetters, Het meisje met het rode haar en Een vrouw als Eva. (De vierde man hadden we toen nog tegoed.)

Kortom, Van de koele meren des doods was voor mij de druppel die de Renée Soutendijk-emmer deed overlopen. Al zette ze die morfinespuit nog zó verdienstelijk in haar elegante armpje, en propte ze die dode baby nog zó overtuigend in haar koffer, ik bleef voor me zien hoe ze in Spetters de lul van Hans van Tongeren betast, onder de verzuchting ‘het leven is net een kroket’.
Toch jammer.

Source: Volkskrant columns

Previous

Next