In oktober van dit jaar was het 25 jaar geleden dat ik mijn columns op de Achterpagina begon. In totaal zo’n 5.000 columns. Welke column zou ik het liefst herdrukt zien nu ik aan de volgende 5.000 ben begonnen? Als afsluiting van dit jaar vol oorlogsellende kies ik zonder aarzeling voor ‘So Long Son’, een column van 19 maart 2003.
Nu de oorlog tegen Irak op het punt van uitbreken staat, moet ik weer denken aan de aangrijpendste column die ik ooit gelezen heb. De schrijver is Howard O’Brien, een redacteur van de Chicago Daily News, die van 1932 tot 1947 dagelijks een column schreef. Op 12 januari 1945 schreef O’Brien onder de titel ‘So Long Son’ een column over zijn zoon Donel, die als officier met de Amerikaanse troepen naar Europa was gezonden.
O’Brien begint zo: „De doos werd de dag na Kerstmis per expresse bezorgd. De kinderen dachten dat het een vertraagd geschenk van de Kerstman was, en ze sprongen op en neer terwijl ze in hun handen klapten. Ze dachten dat het een pop was. De doos had de goede maat voor een pop, maar ik wist dat het geen pop was. Er komen geen poppen van het Army Effects Bureau, Kansas City Quartermaster Depot. Bovendien had ik een brief gekregen.”
O’Brien vervolgt: „Behalve de kinderen wilde niemand de doos openmaken; dus ging ze naar de zolder waar ze dagenlang uit het gezicht bleef, maar niet uit onze gedachten. Op een zondagmiddag, toen ik alleen thuis was, pakte ik een grote schaar en knipte de stalen band door waarmee de doos was dichtgebonden.
De doos was gepakt zoals hij het zelf gedaan zou hebben – de jassen en broeken netjes opgevouwen, de sokken, de zakdoeken en het ondergoed haastig in elkaar gefrommeld.
Bovenop lag het op maat gemaakte uitgaansuniform, nog zo fris als op de dag dat het van de kleermaker kwam. Hij was zo trots geweest op deze extravagantie, terwijl hij zichzelf in het nauwsluitende jasje bewonderde; en hij zag er zo knap uit als hij zijn lange vingers rond zijn wespentaille hield, terwijl de knopen als vuur tegen het donkergroen oplichtten. Hij kreeg zo weinig tijd om trots te zijn.
In de hoek stond een paar officiersschoenen, nog bijna nieuw. Zijn zomerspullen waren nog minder versleten. Hij zag geen zomers in Engeland. Zijn werk zat erop voordat hij de leeuwerik kon horen of de weiden ‘tot aan hun knieën in juni’ kon zien staan.”
O’Brien beschrijft vervolgens minutieus hoe hij alle spulletjes, inclusief een horloge en een ongebruikt dagboek, uit de doos haalt. Hij vertelt niet wat zijn zoon precies is overkomen.
„Toen zat ik naar de doos te staren waarmee al die dingen waren gekomen. Het was zo’n kleine doos om al het gelach en alle tranen te bevatten, alle hoop en vrees. Zoveel vrolijkheid en tederheid, zoveel edelmoedigheid en plezier, zoveel talent en weetgierigheid, zoveel mannelijke schoonheid… Het was moeilijk te geloven dat het allemaal verdwenen was, als het lied van een vogel in de schemering, er was alleen nog een hoopje kleren en een gescheurde papieren zak. Het was ongelofelijk dat van een groots avontuur in een ver land niets anders over was dan een kwartje en een horloge dat niet meer liep.”
Howard O’Brien stierf in 1947 aan kanker, drie jaar na zijn zoon.
Source: NRC