Kerstverhaal „Mensen in rouw hebben geen tijd voor wat jij wel of niet hebt.” Schrijfster Mirthe van Doornik schreef een kerstverhaal voor de Achterpagina.
Twee dagen na het overlijden van mijn buurman werd er aangebeld. Het was laat in de middag, een dag voor Kerst, ik verwachtte geen bezoek. Geconcentreerd, voorovergebogen aan mijn tafel, lijmde ik een kajuit aan de romp van een klein schip.
In het gele schijnsel van het galerijlicht stond een man dik ingepakt, alsof hij een lange reis had afgelegd. Ik dacht dat hij zijn geloof kwam verkondigen toen hij over onze vader begon, maar net voor ik de deur kon sluiten, stak hij me een boeketje toe. „Omdat je zo’n fijne buurman voor mijn vader was.”
Aha, hij was een zoon van mijn buurman. Een beetje gegeneerd nam ik de bloemen aan, ik moest er mijn voordeur verder voor openen wat voor de zoon een uitnodiging leek uit te weiden over de situatie. Het huis moest leeg, niet ideaal de dag voor Kerst, nee, en dan was er nog gedoe met zijn broertje, de jongste van de drie. De zoon was steeds zachter gaan praten tot hij bijna stond te fluisteren. Ik begon het koud te krijgen, dacht aan het kleine tubetje lijm dat nu binnen lag uit te drogen, maar door dat gefluister had de bezoeker dan toch mijn aandacht.
Wat was er met zijn broertje?
Verbaasd kantelde de man zijn hoofd. Het viel hem op dat ik hetzelfde postuur had als zijn vader. Niets zei hij nog over zijn broertje, wel iets over zijn zus, hij zou haar langs sturen met wat kleding van vader, goed mogelijk dat ik daar nog wat van paste.
Ik wilde geen kleding, ik had zelf al genoeg kleding. Maar mensen in rouw hebben geen tijd voor wat jij wel of niet hebt. Het gaat om wat zij zijn verloren, daar moet betekenis aan worden gegeven. Nog geen twee uur later werd er opnieuw aangebeld. Een lange vrouw met een hoofd verborgen achter een stapel vesten en overhemden wurmde zich naar binnen waar ze de hele berg op mijn eettafel schoof. „Kijk maar even wat je nog kunt gebruiken.”
Nu zag ik ook haar gezicht, haar rode verdrietige ogen. Moest ik thee aanbieden? Vertellen dat ik hier pas woonde, dat ik haar vader helemaal niet goed had gekend?
De dochter ging voor het raam staan en keek naar de meeuwen die op de wind hingen. Ze vroeg iets over gordijnen. Had ik geen gordijnen? Haar ogen leken iets op te lichten toen ze me aankeek en ik alles in haar hoofd zag samenkomen: dit grote raam, de kozijnen van haar vader met exact dezelfde afmeting. Ze maakte een ferm gebaar toen ik wilde protesteren. Iets goeds voor een ander doen, ook dat was Kerst. Haar jongste broer zou de gordijnen langsbrengen en ophangen, het was geen enkele moeite.
De avond was donker en onrustig. De regen sloeg in buien tegen mijn raam terwijl ik het schip in elkaar lijmde. In het huis van mijn buurman klonk gestommel. Als je niet beter wist zou je denken dat hij was teruggekeerd, iets zocht wat hij was vergeten, wellicht het vest dat ik over mijn overhemd had aangetrokken. Maar dode mensen keren niet terug als geesten. Het zijn de achterblijvers die beginnen te dwalen, die met het verdriet onder hun armen om middernacht voor je deur staan. Ik bevestigde net de fokkemast, de laatste van de drie masten, toen er op mijn deur werd gebonsd.
In het gele galerijlicht stond een jongen met twee lappen onder zijn armen. De uiteinden van de stof wapperden als vleugels om hem heen toen hij zwijgend naar binnen liep, de huiskamer in, waar hij voor het raam ging staan en de kozijnen bekeek. Hoog in de schouders net als zijn voorgangers, en toch duidelijk de jongste uit het nest. Roekelozer, ongeduldiger, maar desondanks vol zelfvertrouwen. Vastberaden de gordijnen te hijsen en uit te varen.
Ik wilde geen gordijnen. Ik wilde de nacht inkijken en me door de lichtjes van auto’s laten troosten, zoals vlammen van een haardvuur je kunnen hypnotiseren. Dit alles wilde ik tegen hem zeggen toen de jongen zich omdraaide en me verbaasd aankeek. Zijn neusvleugels trilden, zijn bovenlip leek zich een beetje op te krullen.
„Is er iets mis?” piepte ik toen hij me beetpakte en aan de kraag van het vest snoof. Voor ik kon protesteren klemde hij me stevig vast, twee sterke armen persten de lucht langzaam uit mijn lichaam, en toen zijn greep verslapte hapte ik naar adem alsof iemand me zojuist onder water had gedompeld. Nog altijd was hij niet van plan los te laten, in de reflectie van het raam zag ik zijn hoofd op mijn schouder landen. Buiten was het gestopt met regenen. Zwarter dan de diepste zee hing de lucht boven de stad terwijl ik de jongen voorzichtig tegen me aandrukte. Geen maan, geen sterren, geen vliegtuigen, alleen beneden, helemaal in de verte, schoot zo nu en dan een verdwaald lichtje voorbij.
Source: NRC