Kerstmis Ooit was Kerstmis een twaalf dagen durend midwinterbacchanaal. Sommige Engelse kerstliederen getuigen daar nog van.
Wat zingen ze toch, die Britten, in deze donkere dagen? „Deck the halls with boughs of holly.” Dat is nog wel te snappen: „Versier de huizen met takken van hulst.” Maar vaker zingen ze folly, in plaats van holly. En dat betekent iets anders: dwaasheid.
Verderop in de liedtekst gaat het over „the blazing yule” en „yule tide treasure”. Fala-lala-la, et cetera. Met het kindeke Jezus heeft het weinig te maken. Het grijpt terug naar nóg oudere tijden, van heidense midwinterfeesten.
De Engelse traditie van christmas carols is rijker gebleven dan de Nederlandse folklore van kerstliedjes. De Hollandse verschraling is toe te schrijven aan protestantse kerken, preciezer gezegd: aan de Dordtse Synode, die in 1619 een nieuwe, weinig frivole kerkorde afkondigde. Het moest afgelopen zijn met de aanbidding van roomse heiligen en andere half- en afgoden. Zingen mocht nog net, maar dan ernstig traag, en vooral over God & Zoon.
Engeland had een kleine eeuw eerder, in 1534, al een kerkscheuring veroorzaakt. De nieuwe, Anglicaanse kerk bleef even dol op eeuwenoude tradities en rituelen als de katholieke. Tot op heden klinkt dit door in Engels kerstrepertoire. De teksten zitten vol oeroude symbolen, namen en gebruiken die nauwelijks resoneren in Nederlandse oren.
Neem de ‘folly’ in de ‘yule tide’. Het staat voor carnavaleske uitspattingen bij joelfeesten. Schaars maar niet minder kleurrijk zijn de geschreven bronnen over voorchristelijke kampvuur-feesten. In Germaanse culturen heette dit de joeltijd. Het afzien in lange nachten werd verlicht met geroosterd vlees, collectieve dronkenschap en wilde seks.
Aan Scandinaviërs hoeft niemand de betekenis van de term ‘yule tide’ uit te leggen. Het Deense, Noorse en Zweedse woord voor kerstmis is: jul. Nog steeds staat dit voor meer dan louter Kerstmis. Het omvat de hele periode waarin ‘de kerstbomen branden’.
Voor Nederlanders met historisch besef is het overigens af te raden ook eens een joelfeest te geven. Het is een woord met een belast, nationaalsocialistisch verleden. Berucht zijn de joelvieringen die commandant Gemmeker in Kamp Westerbork organiseerde voor zijn vrienden van de Germaanse SS en de rest van zijn nazi-netwerk.
Strikt genomen duurt het kerstfeest slechts een avond en een dag, plus een tweede om uit te buiken. De viering valt, naar heidens joel-gebruik, uit te spinnen tot een week of twee. Ook dit klinkt door in een Engelse carol: ‘The Twelve Days of Christmas.’
In deze traditie valt het feest op de avond van 5 januari, de dag vóór Driekoningen, te bestempelen als Twaalfde Kerstdag. Het is te danken aan een slimmigheid van vroege christenen omstreeks het jaar 300. Zij kenden de populariteit van een Romeins winterfeest op 25 december, Sol Invictus (On-overwinnelijke Zon), om de terugkeer van het licht te vieren. Behendig lieten zij hun Jezus meeliften op deze zegekar. Diens geboortedatum stond niet in de Bijbel. Welnu, de 25ste december zou best eens een geloofwaardige verjaardag kunnen zijn, zo van: pik in, ’t is winter.
Heidenen hadden flink wat eeuwen nodig om te wennen aan het idee. Uiteindelijk wilden ze een magisch verhaal over een goddelijk kind best geloven, mits het de wekenlange winterpret verder niet zou drukken.
En zo werd de traditie geboren van ‘twelve holy days’. Klinkt als: holidays. Fijne kerstvakantie!
Source: NRC