Home

Drinken, reizen, seksen, zichzelf verslonzen: alles deed meneer D. mateloos – tot aan zijn delirische dood

Meneer D. woonde recht tegenover theater Carré, aan de overzijde van de Amstel. Op de bovenverdieping van een complex van woningcorporatie Rochdale, waar hoofdzakelijk ouderen zelfstandig wonen. Ergens in november stierf meneer D., alleen in zijn appartementje. Herman van Veen speelde aan de overkant een zoveelste show.

Meneer D. was goed voor de dood, een royale gastheer. Zijn woning was zwaar vervuild, de langverwachte invité kon snel en effectief om zich heen grijpen. Aan het einde van het leven maakte het lichaam al aanstalten: een netvlies was losgeraakt, het opgezwollen been moest worden afgezet.

In de keuken kwam meneer D. voorgoed tot stilstand, tussen zijn geliefde flessen. De vuilnis van jaren overwoekerde hem. Mogelijk was hij op weg naar de oven waarin hij ongeopende post bewaarde.

Het leven van meneer D. kan tamelijk goed worden gereconstrueerd. Dankzij de buren, maar vooral dankzij een vroegere vriend, een gedistingeerde kandidaat-notaris die later door Team Uitvaarten van de gemeente Amsterdam kon worden getraceerd aan de hand van een lang geleden verstuurde kaart, aangetroffen in diezelfde oven.

De ouders van meneer D. woonden in Oude Pekela. Hij was hun enige kind, op 24 juli 1946 geboren. Broers of zussen kwamen er niet omdat de ouders erg zuinig waren, meer kinderen zou extra kosten met zich meebrengen.

De vader had een leidinggevende functie bij Mölnlycke, het van oorsprong Zweedse bedrijf in wegwerpartikelen voor medisch en huishoudelijk gebruik. De moeder werkte daar ook, naar verluidt als schoonmaakster.

Van jongs af aan lag de vader met z’n zoon overhoop. Op een keer at hij, uit een merkwaardig soort sadisme, met Sinterklaas diens chocoladeletter op. Hij vond hem verwijfd en liet dat weten ook. De zoon, die op jongens bleek te vallen, riep een mateloze woede in hem op. Hij wilde niet op voetbal, liever bestudeerde hij op z’n kamer met een vergrootglas de fossielen die hij verzamelde.

Regelmatig sloeg de vader erop los, in de onnozele hoop de jongen te genezen van wat hij als sodomie beschouwde. Zijn moeder was liefdevol en beschermend, maar kreeg haar echtgenoot niet makkelijk tot bedaren.

Vanwege het werk verhuisde het gezin tijdelijk naar Utrecht. Daar overleed de moeder aan kanker, meneer D. was een jongeman van begin 20. Om zijn vader te ontwijken at hij dagelijks bij de buren, een hartelijk joods gezin dat een winkel aan de Amsterdamsestraatweg uitbaatte.

De vader hertrouwde en keerde met zijn nieuwe vrouw terug naar de woning in Oude Pekela. Meneer D. was in Amsterdam aan de pedagogische academie gaan studeren, een bolwerk van linkse onderwijsvernieuwers.

Een verachtelijke keuze, meende zijn vader, hij had iets met bedrijfskunde moeten gaan doen. In de Bijlmermeer vond meneer D. woonruimte. Toen hij in Oude Pekela zijn spullen kwam ophalen, ontdekte hij dat z’n vader de fossielenverzameling had weggedaan. Het was de laatste keer dat de twee elkaar zagen.

In Amsterdam dompelde meneer D. zich in het nachtleven onder. Een schemerige gaybar met darkroom aan de Nieuwezijds Kolk, The Cuckoo’s Nest, was favoriet. Hij ontmoette er zijn eerste vriend, Bernd, een Oost-Duitser die naar Nederland was gevlucht.

Na de pedagogische academie ging meneer D. op een basisschool aan de slag. Hij was een gretige lezer en geïnteresseerd in de Klassieke Oudheid. Zijn kennis en enthousiasme kon hij bij de jonge kinderen nauwelijks kwijt.

Hij reageerde op een vacature van de Zeevaartschool. Die was gevestigd op de Pollux, een zeilschip met drie masten dat in het Oosterdok lag afgemeerd. Daar bleek ook weinig behoefte aan geschiedenis en literatuur te zijn, maar de knappe leerlingen, matrozen in opleiding, maakten veel goed.

Meneer D. was een grote, tamelijk gespierde, blonde Groninger voor wie ze wel ontzag hadden. Hoewel hij nooit een relatie met een van hen zou zijn aangegaan, wekten sommige knapen onstuimige, reviaanse fantasieën in hem op. Thuis schreef hij deze lustvisioenen van zich af in een schrift waarop ‘roman picaresque’ stond en dat inmiddels met de rest van de morsige inboedel is vernietigd.

In 1989 werd de Zeevaartschool opgeheven, meneer D. kon onder gunstige voorwaarden vervroegd met pensioen. Hij maakte tal van buitenlandse reizen, veelal naar Rome om de oudheden te bekijken, maar regelmatig ook naar Benidorm in Spanje, waar hij steevast dezelfde kamer boekte in een hotel dat dicht bij de plaatselijke homobaan was gelegen.

Alles deed meneer D. mateloos. Hij was een hedonist die volledig in het heden wenste op te gaan. Om het ongewenste verleden te vergeten hielp de drank hem op gezette tijden een handje. Als een bezetene wandelde hij overdag de kater uit zijn lijf. Ook bezocht hij een homovriendelijke sportschool aan de Lijnbaansgracht, waar in de sauna naar verluidt ook het een en ander viel te beleven.

In zijn eentje liep hij in de jaren negentig naar Santiago de Compostella. Bij thuiskomst bleek de woning in de Bijlmermeer vanwege een huurachterstand te zijn ontruimd. Meneer D. dacht dat zijn vader er iets mee van doen had, voor het eerst kreeg hij last van een waan. Hij meende te worden achtervolgd en verhuisde halsoverkop naar de stad Groningen, waar een vroegere bekende een woning wist in de Peperstraat. Maar in Groningen miste hij het ruige Amsterdamse uitgaansleven. Op aanraden van een kennis die bij Rochdale werkte, schreef hij zich in voor het appartement in het seniorencomplex aan de Amstel.

Het thuiszitten verveelde op den duur, meneer D. besloot om met behoud van zijn gunstige pensioenvoorziening les te gaan geven op een reizende school voor kermiskinderen. Het idee was ontstaan toen hij in Groningen een kortstondige affaire beleefde met een kermisexploitant die hem over de bijzondere onderwijsvorm vertelde.

Met de kermis reisde hij door Europa. Onder meer Finland werd aangedaan. Daar ontmoette hij een zekere Tapio, die als kind te vondeling zou zijn gelegd. Zelf had meneer B. zich zijn leven lang ook een soort vondeling gevoeld. De heren vielen als een blok voor elkaar.

Hij bleef Tapio opzoeken, ook nadat hij omstreeks de eeuwwisseling de brui had gegeven aan het vermoeiende baantje. Tapio kwam ook naar Amsterdam, hij sliep geregeld in de woning tegenover Carré, samen hieven ze gewichten in de sportschool.

Iets onvoorstelbaars gebeurde: in Finland kwam Tapio om bij een brand die hij zelf onbedoeld had gesticht. Starnakel was hij met een brandende sigaret in bed in slaap gevallen. Meneer D. was radeloos, met z’n ziel onder de arm zwierf hij doelloos door de stad.

Het drinken intensiveerde, in publieke gelegenheden gedroeg hij zich luidruchtig. Hij maakte schunnige opmerkingen en vertelde op luide toon over al dan niet op waarheid berustende erotische avonturen.

De kandidaat-notaris vertelt dat de woning aan de Amstel steeds rommeliger werd. Vanwege de troep durfde meneer D. het toilet, dat was stukgegaan, niet te laten repareren. Met een in de nauwelijks bereikbare keuken te vullen emmer spoelde hij door, in het donker, want het lampje in de wc was ook kapot.

Tamelijk exclusieve voorwerpen die hij in de loop der jaren in de woning had verzameld – een kraantjeskan, Chinees porselein, meubilair van de firma Metz & Co aan de Keizersgracht – verdwenen geleidelijk achter vuilniszakken gevuld met restanten van afhaalmaaltijden, want aan koken had hij een hekel, en stapels boeken en kranten die misschien nog eens gelezen moesten worden.

De kandidaat-notaris liet weten dat hij onder deze omstandigheden niet meer langs zou komen. De messing kaarsenkroon die hij hem ooit cadeau had gedaan hing vettig aan het plafond, bedolven onder spinrag en stof.

Nog een poosje bleef de vriendschap intact, meneer D. kwam dan wel bij hem langs. Altijd in gezelschap van rinkelende sauvignon blancs die hij met trillende handen ontkurkte en achterover sloeg. Z’n neus werd rood als een tomaat, waarna hij snurkend op de bank van de gastheer in slaap viel.

Merkwaardig genoeg bleef meneer D. de sportschool aan de Lijnbaansgracht bezoeken. Zelfs toen hij als gevolg van diabetes met een dik been kampte en zich voortbewoog met een stok. Ook de reisjes naar Benidorm bleef hij maken. Het drinken en het mateloze eten in restaurants, waarbij hij weinig verfijnde tafelmanieren tentoonspreidde, leken zijn libido niet te hinderen.

Hij gedroeg zich boerser en opstandiger. De telefoon gebruikte hij niet langer, hij wilde zelf bepalen wanneer hij iemand wel of niet sprak. Per e-mail handelde hij zijn zaakjes af. Maar meneer D. had geen computer, hij moest ervoor naar de openbare bibliotheek en daar had hij niet elke week zin in.

De huisarts meed hij nadat die had laten doorschemeren dat het opgezwollen been wel eens moest worden verwijderd. De onderbuurvrouw klaagde over vreemde kringen in haar plafond; uit meneer D.’s woning lekte bruine drab. Ze deed een briefje in zijn stampvolle brievenbus, waar hij niet op reageerde.

De buurvrouw naast hem zag hem ’s avonds weleens in beschonken toestand over de gang kruipen. Dan hielp ze hem overeind en bracht hem naar zijn voordeur terug. Talloze malen bood ze aan te helpen met opruimen, maar meneer D. wenste nergens afstand van te doen. Meermaals nam ze contact op met Rochdale. Haar meldingen werden keurig genoteerd, zonder dat er ooit iets mee gebeurde. Muizen en kakkerlakken die naar haar woning oprukten, probeerde ze eigenhandig te bestrijden.

’s Ochtends, als hij nog redelijk nuchter was, hield meneer D. de schone schijn op. Vrolijk en onbekommerd groette hij medebewoners. Hij fatsoeneerde zijn verfomfaaide kleding zo goed en zo kwaad als het ging, van een afstandje kon hij er nog redelijk mee door.

In de coronatijd ging hij rap achteruit. Reizen mocht niet meer, het hotel in Benidrom met de naastgelegen baan zou hij nooit meer zien. Het netvlies van zijn ene oog raakte los, hij maakte een warrige indruk. Tegen buren die hij eigenlijk niet kende begon hij over de fossielenverzameling die zijn vader zomaar had weggesmeten.

In delirium ging hij heen. Dankzij de attente buurvrouw, die z’n kenmerkende, rochelende hoest al een poosje niet meer hoorde, en een accuraat reagerende mevrouw van de bewonerscommissie is de ligtijd van meneer D. redelijk beperkt gebleven.

Team Uitvaarten vraagt of ik op 24 november meega bij het betreden van de woning. De stampvolle brievenbus van meneer D. in de centrale hal gaat niet open, de sleutel breekt af als er kracht wordt gezet.

‘Ik woon al 22 jaar naast hem en dat is geen kattenpis’, zegt de buurvrouw even later. De vriendelijke mevrouw van de bewonerscommissie heeft dan op verzoek van Team Uitvaarten aarzelend aangegeven dat zij eventueel wel naar de uitvaart wil komen. Om die reden besluit Team Uitvaarten tot mijn verwondering ter plekke dat het niet langer nodig is gebruik te maken van de diensten van stichting De Eenzame Uitvaart.

Enkele dagen later vraagt de buurvrouw of ik alsnog naar de uitvaart wil komen: een gedicht zou meneer D. erg waarderen, zelf heeft ze geen idee wat ze moeten zeggen. De kandidaat-notaris, die zich intussen heeft gemeld, geeft aan dat meneer D. in een onderhandse wilsbeschikking, die zich ergens in de woning zou moeten bevinden en in zijn bijzijn is opgetekend, heeft laten vastleggen dat hij wilde worden gecremeerd.

Op dinsdag 12 december woon ik om 3 uur ’s middags de plechtigheid bij in het pand van Uitvaartcentrum Zuid nabij de Amsterdamse Zuidas. Omdat de stichting formeel niet is ingehuurd, is er geen budget voor een dichter, dus lees ik een bestaand gedicht voor: Levensloop van Martinus Nijhoff.

Een even toevallige als gelukkige keuze, blijkt achteraf. ‘Van Nijhoff las meneer D. alles’, zegt de kandidaat-notaris. In de regen vormen we een bescheiden erehaag als de lijkwagen met kist koers zet naar het crematorium.

Steeds dupe van toegeeflijke intrigen,
Bewust behaagziek en melancholiek,
Weet ik, zonder scrupule, als voor publiek,
In iedren oogopslag een ernst te liegen.

O schaduwen die, ’s nachts en bij muziek,
Met donkre vleugels aan mij schouders wiegen,
Zal ooit mijn ziel uw vreemd wild rijk invliegen
Baanbrekend naar uw mythe en uw rythmiek?

Moest ik tot zoo’n verlatenheid geraken:
Oud worden, aan eenzame tafels zitten,

Werken, om ’t werk niet, maar om tegen ’t zwijgen
En twijf’len argumenten te verkrijgen,

Het hart tot de onvruchtbare plek omspitten,
Pooltochten droomen en gedichten maken?

Martinus Nijhoff.

Schrijver Joris van Casteren doet in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor de gestorvene voor.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next