Om haar middel droeg mevrouw Adriaanse (93) een koord met een donkergroen steentje eraan. ‘Een heliotroop’, zei ze, ‘want ik heb weleens last van obstipatie.’ Blaasontsteking werd bestreden met een armband van barnstenen kralen, en tegen oorsuizen en hoofdpijn droeg ze een rode jaspis aan een hanger om haar hals.
‘Heb jij nog ergens last van?’, vroeg ze.
‘Schofterige mensen’, antwoordde ik. ‘Daar heb ik last van.’
‘Wacht maar even.’
Traag kwam ze overeind uit haar stoel en schuifelde naar de boekenkast. De wieltjes van haar rollator piepten.
‘Ik moet zo weg, hoor’, zei ik. Ik had mevrouw Adriaanse net geholpen met wassen en aankleden en nu moest ik eigenlijk naar meneer Blokker.
‘Heel even.’
Ze trok haar stenenboek uit de kast, legde het op het plankje van haar rollator en begon erin te bladeren. Daarna schuifelde ze naar haar secretaire, rommelde in de laatjes en kwam terug met een steen. Het was een onopvallend exemplaar, beigekleurig en een beetje transparant. Toen ik hem tegen het licht hield, glinsterden binnenin zeegroene adertjes.
‘Beschermt tegen negatieve energie, ondersteunt de sociale weerbaarheid en stimuleert om grenzen aan te geven’, las mevrouw Adriaanse voor uit het boek. Dat klonk als een geschikte steen tegen assholes. Bonus: ‘Trekt financiële voorspoed aan.’ Mevrouw Adriaanse hing hem aan een koord om mijn nek.
Over de auteur
Thomas van der Meer schrijft voor de Volkskrant columns over zijn werk in een verpleeghuis. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Toen ik die middag thuiskwam, lagen er twee brieven op de mat. In de ene stond dat ik een beurs had gekregen van het Letterenfonds en in de andere dat mijn salaris omhoog was gegaan.
Toen ik de steen van mevrouw Adriaanse kreeg, werkte ik net op een nieuwe afdeling. Ik vroeg me destijds af hoe het kwam dat ik zo veel moeite had om te wennen aan het team – sommige collega’s vond ik erg onaardig – en waarom dat toch altijd zo was: op elke nieuwe stageplek en op elke nieuwe afdeling waren de eerste maanden een hel geweest.
Eerst was ik ervan overtuigd dat het aan mij lag, wat deels ook zo is. Als iemand boos op me is, ben ik geneigd om toe te geven, ook als die ander onredelijk is. Daardoor geef ik mensen veel ruimte om zich tegen mij te misdragen.
Maar andere collega’s hadden het ook moeilijk. ‘Heel vaak als ik na mijn dienst naar huis fiets, moet ik huilen’, vertelde een collega.
Sommige mensen zeggen dat de haat en nijd op de werkvloer in het verpleeghuis komt doordat er vooral vrouwen werken. Volgens anderen ligt het aan het opleidingsniveau, de mbo-cultuur: het recht van de sterkste. Maar ik heb gemerkt dat collega’s het aardigst zijn wanneer ze plezier hebben in hun werk, en dat dát weer afhankelijk is van de mate waarin ze zich serieus genomen voelen door hun organisatie en trots zijn op hun werk.
De geringe waardering voor de ouderenzorg draagt daar in elk geval niet aan bij. De ouderenzorg wordt misschien wel gezien als een sympathiek beroep, maar niet als een complex beroep. Niet als een beroep waar je iets voor moet kunnen.
De financiële voorspoed was mooi meegenomen. Verder deed de steen niets, maar ik deed alsof dat wel zo was. Bij een tirade of vervelende opmerking, dacht ik: dit wordt geabsorbeerd door mijn steen.
Het ging nog beter toen ik mijn collega’s over de steen vertelde. ‘Je zegt nu zeker iets heel negatiefs, want ik zie jouw lippen wel bewegen, maar ik hoor niets’, zei ik dan. ‘Het gaat linea recta de steen in.’
Inmiddels heb ik de steen niet meer nodig, maar ik gebruik hem nog als het me uitkomt: in de pauze plaagt mijn collega me met een verspreking die ik maakte tijdens de artsenvisite – ik zei orthopedische hypotensie in plaats van orthostatische – en ik kijk stoïcijns voor me uit.
‘Thomas kan jou niet horen’, zegt mijn andere collega tegen haar, zonder op te kijken van haar maaltijd. ‘Hij heeft die kutsteen weer om.’
Source: Volkskrant