Home

Waarom we volgens deze psychiater af moeten van het woord stoornis (en zijn vakgebied excuses moet aanbieden)

Het gaat niet goed op school. Vorig jaar kon Jason nog aardig meekomen, nu heeft hij steeds meer moeite zich te concentreren. De 8-jarige scholier is de jongste van zijn klas, die onlangs is samengevoegd en nu 34 leerlingen telt. Een noodoplossing, zegt de school daarover.

Misschien heeft Jason een aandachtstekortstoornis, oppert zijn leraar. Hij adviseert zijn ouders hulp te zoeken. Al snel ligt er een diagnose: hij heeft inderdaad adhd. Hij krijgt pillen en tips om zich beter te concentreren. Het helpt, Jason doet het beter op school.

Probleem opgelost, zullen de meeste mensen nu vermoedelijk concluderen. Zo niet Branko van Hulst, van wie het voorbeeld over Jason afkomstig is. Wat hem betreft beginnen hier de problemen. Als psychiater verbonden aan het academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie LUMC Curium behandelt Van Hulst kinderen en jongeren met psychische problemen, van adhd tot depressie.

Als onderzoeker houdt hij zich bezig met de vraag wat de invloed is van psychiatrische classificaties als adhd, depressie of autismespectrumstoornis op de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Daarnaast schrijft hij vlammende betogen voor (wetenschaps-)vakbladen over wat er beter moet in de psychiatrie, vaak samen met collega-psychiaters Bram de Ridder en Maria Groen-Blokhuis.

We denken te veel in stoornissen, luidt de boodschap. Dat leidt af van de sociale en maatschappelijke problemen die vaak óók een rol spelen bij psychische problemen.

‘Op het eerste gezicht lijkt er niets aan de hand. Jason, die trouwens niet echt bestaat maar gebaseerd is op mijn praktijkervaringen, is écht geholpen. Dat maakt het lastig te zien dat er ook iets verloren gaat.’

‘De school kan voortaan denken: een klas van 34 leerlingen, dat gaat eigenlijk prima. De leraar denkt: wat goed dat ik dacht aan adhd, daar ga ik vaker op letten. Terwijl, hij zou ook kunnen denken: misschien is het beter voor Jason om het jaar over te doen.’

‘Precies. Het gevolg is dat de norm een beetje is verschoven. Deze klas is minder goed ingesteld op kinderen met zwakkere aandachtsvaardigheden. Er is nu een andere leerling die zich het slechtst kan concentreren. De ouders van dat kind kijken naar Jason en concluderen misschien: zo’n diagnose werkt goed, daar gaan we ook achteraan.’

‘Klopt, en de jonkies krijgen ook vaker medicatie voor adhd. Dat geldt niet alleen voor Nederland maar ook voor andere westerse landen.’

‘Er zijn zeker psychiaters, psychologen en scholen die zich hiervan bewust zijn, maar nog niet genoeg.’

Over de auteur
Kaya Bouma schrijft voor de Volkskrant over psyche, brein en gedrag. Ook schrijft ze over de geestelijke gezondheidszorg.

‘Ja, daarbij zit hetzelfde stoornis-denken in de weg. Stel: je krijgt als psychiater een vrouw in je spreekkamer die zo ernstig somber is dat je het een depressie mag noemen. Ze heeft een nare werksituatie, de werkdruk is te hoog en ze durft dat niet met haar leidinggevende te bespreken. Misschien woont ze ook wel in een tochtig huurhuis met een slechte huisbaas.

‘Als behandelaar ga je aan de slag met de somberte: je biedt cognitieve gedragstherapie aan, doet oefeningen om anders te gaan denken. Misschien schrijf je medicatie voor.

‘Als niets werkt, noemen we zo iemand therapieresistent. We zeggen dan eigenlijk: jij bent iemand bij wie de behandeling niet werkt. Maar ondertussen heeft deze vrouw nog steeds een slechte baan en een vervelende huisbaas. Die omstandigheden blijven bestaan omdat onze blik naar het individu wordt getrokken.

‘Hoogstwaarschijnlijk vraagt haar behandelaar echt wel naar haar baas en huurhuis, praten ze hierover. Alleen niet vaak genoeg, het komt niet centraal te staan in het zoeken naar oplossingen.’

‘Nee, maar het is wel interessant om je af te vragen wat de verantwoordelijkheid is van de behandelaar. Volgens mij mag je best met een individuele oplossing aan de slag voor een probleem dat eigenlijk maatschappelijk is. Anders kun je iemand helemaal niet helpen. Als je het verhaal dat je aan haar vertelt over het probleem dat ze heeft maar van context voorziet.’

‘Ik denk dat ze daar veel aan kan hebben. Het geeft erkenning van wie jij bent en wat jouw verhaal is. Het helpt als iemand ziet dat dit soort omstandigheden ook meespelen. Daarmee zeg je dat er ook andere mogelijkheden zijn voor verbeteringen die buiten de spreekkamer liggen. Soms kan een patiënt daar zelf iets aan doen en soms niet.’

‘De belangrijkste reden is dat we misleidende taal hebben. Als we spreken van een aandachtstekortstoornis of een depressieve stoornis, lijkt het alsof we iets snappen van de oorzaak. Dat is niet zo.

‘Stel: je hebt koorts. Dan denkt een patiënt of dokter: we moeten gaan zoeken waar dat vandaan komt. In de psychiatrie zeggen we niet: je hebt koorts, maar: je hebt een koortsstoornis. Daarmee lijkt het alsof je de oorzaak van het probleem hebt gevonden. Door het gebruik van het woord stoornis denken we dat we iets snappen wat we niet snappen.’

‘We weten wel íéts. Als we weten welke stoornis jij hebt, dan weten we wat vaak helpt bij andere mensen met ongeveer dezelfde klachten. Maar hoe het in elkaar zit weten we niet.’

‘Ik kom zelf uit het hersenonderzoek naar adhd. Als je kijkt op groepsniveau en je pakt heel grote aantallen, dan zijn bepaalde hersengebieden van mensen met adhd gemiddeld inderdaad iets kleiner. We weten alleen niet wat dat betekent.

‘Op individueel niveau zegt het bovendien niets: bij het allergrootste deel van de mensen met adhd zijn die hersengebieden even groot als gemiddeld. Als je in de praktijk tegen een jochie met adhd zegt: jouw hersenen zijn anders, zit je er negen van de tien keer naast.’

‘We hebben andere taal nodig. Taal die benadrukt dat wanneer in de spreekkamer een term als depressie valt, dat het beginpunt is van een zoektocht, geen uitkomst. Ik ben niet de enige die dit vindt. Floortje Scheepers, hoogleraar psychiatrie, spreekt bijvoorbeeld liever over ontregeling bij tijdelijke stoornissen.

‘Ik vind dat een mooie oplossing. Je zegt niet: iemand heeft een depressieve stoornis, maar iemand is depressief ontregeld. Dat laat zien dat het ernstig is, maar het suggereert niet dat we het begrijpen.’

‘Zeker, je hebt eindelijk een verhaal over waarom jij niet meekomt in de klas of waarom je ergens tegenaan loopt. Het biedt ook verontschuldiging. Iemand die in de problemen zit, heeft vaak lang gedacht: ik doe niet genoeg mijn best. Ik moet harder werken op school, of: ik moet gewoon uit bed komen.

‘Maar voor die erkenning is het woord stoornis niet noodzakelijk. We moeten leren dit soort problemen serieus te nemen zonder dat woord te gebruiken.’

‘Net als op veel plekken proberen mijn collega’s en ik de nadruk te leggen op iemands individuele verhaal, in plaats van op classificaties als adhd. Maar in de praktijk willen mensen concreet weten: heb ik een stoornis of niet? Soms is het nodig om andere hulp te krijgen.

‘Ik zeg dan: je voldoet aan de criteria van een depressie. Daarmee begrijpen we nog niks. Nu moeten we samen gaan zoeken. Dat is vaak een dikke teleurstelling. Als je in een crisis zit, wil je iemand tegenover je die weet hoe het zit. Maar het is wel eerlijker.’

‘Ik vrees dat de kritiek nog veel ouder is. Dit wordt al decennia aangekaart, bijvoorbeeld door Trudy Dehue, emeritus hoogleraar theorie en geschiedenis van de psychologie. Het is een hardnekkig probleem, dat we steeds opnieuw onder de aandacht moeten brengen.’

‘Dat is een begin. Ik denk dat we als beroepsgroep ook moeten erkennen dat we minder weten dan het lijkt. Ik heb onderzoek gedaan naar psycho-educatiematerialen over adhd. Dat zijn bijvoorbeeld de folders die mensen mee naar huis krijgen met uitleg over adhd.

‘Daarin zijn we niet eerlijk over hoe weinig we weten. We blijven bijvoorbeeld volhouden dat adhd een neurobiologische ontwikkelingsstoornis is. Terwijl: we weten nog veel te weinig van de hersenen om dat te kunnen stellen. Maar een kind met adhd krijgt die boodschap wel mee: jouw hersenen hebben een ontwikkelingsstoornis, er is iets mis.’

‘Afgelopen jaar boden Nederlandse psychiaters excuses aan voor de omgang met homoseksualiteit in het verleden. Zoiets zouden we hierbij ook moeten doen. We moeten publiekelijk erkennen dat we tien, twintig jaar geleden veel te belangrijk deden over wat we van de hersenen en genetica snapten.

‘We hebben toen allemaal verkeerde informatie verspreid, die nog steeds circuleert. Nu bewegen we daar gelukkig langzaam van weg, maar we vergeten expliciet te zeggen: jongens, we zaten er toen fors naast.’

‘Waar nu mondjesmaat erkenning voor komt, is de serotoninehypothese bij depressie. Vijftig jaar lang hebben wij psychiaters geroepen dat we heus iets snapten van depressie: het zou te maken hebben met een serotoninetekort in de hersenen.

‘We kwamen daarop door slechte wetenschap. We hadden een pil ontdekt die werkte bij depressie en iets met serotonine deed. Nou, was de conclusie, dan zal een depressie wel een serotoninetekort zijn. Dat klopt niet en dat weten we allang.’

‘Niet publiekelijk. Als je iemand op straat vraagt: weet je iets van depressie, dan is de kans aanwezig dat-ie begint over een tekort aan een bepaald stofje in de hersenen.

‘Bij adhd hebben we grote studies gehad over een kandidaat-gen, één gen waarvan we dachten: dat speelt mogelijk een rol. Verdere studies hebben uitgewezen dat dat niet klopte. Maar dat is wel in handboeken psychologie en psychiatrie gekomen.’

‘Dat zou op z’n plaats zijn. Welke vorm dat precies moet hebben, weet ik niet. Neem bijvoorbeeld in elk psychologieboek een paragraaf op over welke informatie allemaal niet klopte en toch de wereld in is gegaan.

‘We moeten leren uitkomen voor onze fouten en eerlijk zijn over wat we niet weten. Dat is spannend, want wat ben je dan nog als vakgebied?’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next