Home

Jean-Marc van Tol, maker van Fokke & Sukke én romancier: ‘Schrijven zelf is niet zo moeilijk. Dat is gewoon tikken. Daarna begint het pas’

Ja, het klopt dat Jean-Marc van Tol (1967) bij het grote publiek vooral bekend is als de tekenaar van Fokke & Sukke, de dagelijkse strip in NRC Handelsblad die hij al dertig jaar verzint, samen met zijn studievrienden Bastiaan Geleijnse en John Reid.

Maar wat ook zeker klopt – al zijn veel minder mensen daarvan op de hoogte – is dat Van Tol al een leven lang gefascineerd is door archiefonderzoek, daarom historische letterkunde studeerde aan de Universiteit van Amsterdam en onlangs zelfs lid is geworden van een groep liefhebbers die bezig is tienduizenden brieven van de Hollandse raadpensionaris Johan de Witt (1625-1672) te ontsluiten voor het grote publiek.

Zijn liefde voor de 17de eeuw is zelfs zo groot dat Van Tol momenteel bezig is met een omvangrijke romantrilogie over diezelfde De Witt. Gebaseerd op memoires, getuigenissen, brieven, lofdichten en bewaard gebleven processtukken vertelde hij in deel één, Musch (2018), het verhaal van Cornelis Musch, de invloedrijke en welgestelde griffier van de Staten-Generaal die de opkomst van De Witt van nabij meemaakte.

Deel twee, dat net uit is en evenals deel één ruim vijfhonderd pagina’s telt, speelt zich vijftien jaar later af en wordt verteld vanuit het perspectief van Henri de Fleury de Culan, beter bekend als ritmeester Buat. De Witt is inmiddels twaalf jaar raadpensionaris en ‘zijn’ Republiek is zowel verwikkeld in een zeeoorlog met de Engelsen als een dreigende landoorlog met de bisschop van Münster, waardoor de roep om de prins van Oranje opperbevelhebber te maken onder het volk steeds luider klinkt.

‘Zeker. Alleen kwam het er jarenlang niet van, omdat Bastiaan, John en ik zo veel Fokke & Sukke maakten dat ik er helemaal gek van werd. We waren ongelooflijk populair. Dat zeg ik niet om op te scheppen, maar we werden door werkelijk iedereen gevraagd: tijdschriften van banken, supermarkten, interne bedrijfsblaadjes, De Wereld Draait Door, agenda’s voor de V&D, ’s ochtends NRC Next, ’s avonds NRC Handelsblad. Ik moest er zes dagen per week zes cartoons per dag uitpoepen.

‘Daarom zei ik in 2011 tegen John en Bastiaan: we moeten minderen, anders houden we het niet vol. Daarna hebben we besloten alleen nog voor NRC te werken en één andere opdrachtgever. Sindsdien maken we er nog maar twee per dag, wat veel duurzamer blijkt, want inmiddels doen we het dertig jaar.’

‘Precies. En Bastiaan en John ook. John kon daardoor bijvoorbeeld een dag in de week de Rijdende Rechter worden. En zelf had ik opeens tijd voor dat oude plan om een boek te schrijven. Eerst heb ik een tijd geschreven aan een historische roman over de Tweede Wereldoorlog. Na een jaar liep ik vast en dacht ik opeens terug aan mijn studietijd. Ik schreef mijn scriptie over Johan de Witt en zijn tijd is mij altijd blijven fascineren. Ik weet nog dat ik rond die tijd een oud pamflet bij een antiquariaat kocht voor 10 gulden en dat fantastisch vond. Sterker nog: ik ben sindsdien dat soort pamfletten gaan verzamelen en heb er inmiddels ruim 1.500.

‘Al vrij snel merkte ik dat er zo veel over De Witt en zijn tijd te vertellen was, dat ik een trilogie moest schrijven. Ik wilde hoe dan ook schrijven over zijn opkomst, zodat je als lezer snapt hoe deze jonge advocaat uit Den Haag op z’n 28ste de meest invloedrijke politicus ter wereld kon worden. Dat is uiteindelijk Musch geworden. Ook wilde ik uitgebreid stilstaan bij de ontwikkeling van de vloot en de Tocht naar Chatham, wat gezien wordt als misschien wel het hoogtepunt van de Nederlandse geschiedenis. Dat speelt een belangrijke rol in Buat. En uiteraard wilde ik ook veel tijd inruimen voor De Witts ondergang tijdens het rampjaar 1672, waarover het laatste boek gaat: Willem.’

‘Het bleek moeilijk om in het hoofd van Johan de Witt te kruipen. Ik ben betrokken bij een project van het Huygens Instituut, waarbij we tienduizenden brieven van Johan de Witt ontsluiten voor een groter publiek, dus ik heb een aardig inzicht in zijn denkwijze. Ik weet dat hij heel politiek en erg afstandelijk was. Hij reflecteerde veel op wat er om hem heen gebeurde, maar totaal niet op zijn eigen emoties en gevoelens. Die verborg hij de hele tijd. Daarom komt hij eigenlijk niet als dragend personage aan bod in mijn boeken.

‘Hilary Mantel doet dat wel in haar trilogie over Thomas Cromwell. Die kruipt echt in zijn hoofd, waardoor je als lezer alles vanuit dat ene perspectief ziet. Ik ben enorm fan van haar boeken, maar voor mij was het bevredigender om steeds andere perspectieven te kiezen, bijvoorbeeld dat van zijn broer Cornelis, die veel gepassioneerder was. Bovendien vind ik het, puur voor mijzelf, erg leuk om te spelen met al die verschillende personages.’

‘Absoluut, de Cicero-trilogie is een van mijn favorieten. Eigenlijk vind ik Robert Harris al vanaf Vaderland te gek. De manier waarop hij de geschiedenis gebruikt om een spannend verhaal te schrijven, dat is gewoon hartstikke leuk voor de lezer. Een van mijn andere grote voorbeelden is Robert Graves, de schrijver van Ik, Claudius. Hij gebruikt de historische feiten maar weet er altijd een eigen, persoonlijke draai aan te geven. Een van mijn lievelingsboeken van hem is Koning Jezus. Dat zit zo ongelooflijk goed in elkaar.’

‘Ik lees eigenlijk alles. Ik kijk geen televisie, maar lees iedere avond boeken. Dat zit er al van jongs af aan in. Ik heb een vriendengroep van de middelbare school, met Bert Natter en Ronald Giphart. Bert schrijft ieder jaar wel een boek. Hij is een heel goede schrijver. En trouwens ook een meelezer van mij, net zoals Ronald. Samen vormden we de schoolkrant. Dus wat wij in de jaren tachtig deden op het Baarnsch Lyceum, doen we nu nog steeds.’

‘Van Amalia heb ik een beetje spijt, want het is natuurlijk genant om een kind te gebruiken voor de opdracht van een boek. Ik deed dat omdat 17de-eeuwse boeken vaak aan hogergeplaatsten werden opgedragen. Vooral aan de Oranjes, omdat schrijvers daar dan geld voor kregen. Dus ik vond het wel een leuke grap om hetzelfde te doen. Maar eigenlijk had ik het aan haar vader moeten opdragen. Die zat inderdaad bij mij in de tweede klas, in het jaar dat zijn moeder koningin werd. Daarna zijn ze naar Den Haag verhuisd.’

‘Dat weet ik niet, maar hij heeft mij wel een grappig briefje geschreven. Ik zeg in mijn voorwoord dat hij opgesloten zat in een gouden kooi en jaloers was op de ‘normale’ kinderen, terwijl ik juist jaloers was op zijn toegang tot het Koninklijk Archief. Hij schreef iets in de trant van: als mijn memoires ooit worden uitgegeven, zul je zien dat het in werkelijkheid heel anders zat.’

‘Ik ben van huis uit historisch letterkundige, dus ik heb daar les in gehad. Maar het handschrift van Musch was inderdaad nogal ingewikkeld. Daarom heb ik voor mijn verjaardag extra lessen paleografie gevraagd. Ik ben een jaar lang elke zaterdagochtend met de oud-archivaris van het Haags gemeentearchief brieven gaan ontcijferen. Geweldig, want hoe vaker je het doet, hoe beter je wordt. Op een gegeven moment ken je een handschrift zo goed dat het net is alsof je je eigen handschrift leest.

‘Het is heerlijk om in een archief te zitten. Dat vond ik al tijdens mijn studie en ik kan het nog steeds iedereen aanraden. Ga eens naar een archief. Die zijn gratis toegankelijk en vaak bijzonder vriendelijk voor bezoekers. Vraag een tekst uit de 15de, 16de of 17de eeuw op. Een handschrift van Willem van Oranje bijvoorbeeld. Dat kun je gewoon opvragen! Geweldig, toch?’

‘Die combinatie is inderdaad perfect. De ochtenden zijn nog altijd voor de actualiteit met Fokke & Sukke en dat levert best veel stress op. Dan is het heerlijk om ’s middags in een heel andere actualiteit te duiken, namelijk die van de 17de eeuw.’

‘Ja, want eigenlijk is de bron hetzelfde. Zowel met cartoons als in historische romans probeer je te beschouwen op wat er in de werkelijkheid is gebeurd. Bij cartoons maak je daar vervolgens grappen over en probeer je het op die manier aan de kaak te stellen. In een historische roman maak je er een leesbaar verhaal van.

‘Bovendien speelt bij beide de fantasie een grote rol. Voor Fokke & Sukke bedenk je wat er was gebeurd als Gom van Strien toch was doorgegaan als verkenner en maak je daar een grap over. En als ik lees dat Buat twee dagen de tijd kreeg om uit Den Haag te vluchten, maar nergens te vinden is waarom hij dat niet deed, fantaseer ik over de redenen waarom hij bleef.’

‘Met de nodige vertraging. Toen Musch uitkwam, had ik al veel materiaal voor deel twee klaar liggen. Dus ik dacht eerst: het is een kwestie van twee jaar redigeren en klaar is Kees. Maar later bleek dat ik veel te veel materiaal had, waardoor het vijf jaar duurde voor ik Buat kon uitgeven.

‘Schrijven zelf is niet zo moeilijk. Dat is gewoon tikken. Maar als je daarmee klaar bent, begint het moeilijkste, het componeren. Hoe redigeer je al die tekst tot een behapbare brok voor de lezer? Bij Buat heb ik er hele verhaallijnen huilend uit gesloopt, omdat ze te veel afleidden. Dat heeft me echt veel pijn gedaan. Er zat bijvoorbeeld een hele verhaallijn in over het prinsdom Orange, waar de prinsen van Oranje naar genoemd zijn. Ik had ruim dertig pagina’s, maar die heb ik er in de laatste versie uitgesneden.’

‘Nee, totaal niet. Bij mijn boekpresentatie zei mijn oud-professor Herman Pleij: ongelooflijk dat die chaoot van een Van Tol, die altijd inktpotjes liet vallen tijdens de colleges, nooit iets kon vinden en altijd te laat kwam, dit kan. Ik heb geen duidelijk systeem, ik werk alleen met veel verschillende versies. En ik leg vaak stukken voor aan meelezers. Bij de groep mensen met wie we aan de brieven van Johan de Witt werken, zitten ook veel studenten. Met hen deel ik vaak informatie, waarna ik weer feedback krijg, enzovoorts.’

‘Ha! Deel drie hoop ik af te hebben in 2025. Dan is het precies vierhonderd jaar geleden dat Johan de Witt is geboren, dus dat leek mij een mooi moment. En deze keer ga ik me wel gewoon aan de planning houden.’

Jean-Marc van Tol: Buat. Catullus; 544 pagina’s; € 24,99.

Nadat hij tijdens zijn middelbare schooltijd op het Baarnsch Lyceum al de schoolkrant had gemaakt, met onder meer Ronald Giphart, ging Jean-Marc van Tol (1967, Rotterdam) ook tijdens zijn studietijd in Amsterdam verder met schrijven en tekenen. Voor studentenblad Propria Cures maakte hij in 1993 samen met zijn vrienden Bastiaan Geleijnse en John Reid de eerste aflevering van Fokke & Sukke – een strip die sinds 1999 dagelijks in NRC Handelsblad verschijnt. In 2007 begon hij zijn eigen uitgeverij, Catullus, waar hij in 2018 zijn eerste roman uitgaf: Musch, het eerste deel van een trilogie over de Hollandse raadpensionaris Johan de Witt.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next