N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Begin jaren negentig waren erg veel economen en beleidsmakers ervan overtuigd dat na elke recessie de werkloosheid zou stabiliseren op een hoger peil dan ervóór. Dat ze dat dachten, mag hun worden vergeven: twintig jaar eerder, begin jaren zeventig, was de werkloosheid extreem laag. En sindsdien was die, met de horten en stoten van de economische conjunctuur, telkens verder gestegen. Het lag voor de hand die trend te extrapoleren.
Hoe dat afliep, weten we nu. De werkloosheid daalde in de wilde tweede helft van de jaren negentig juist razendsnel, tot nog maar 3,5 procent rond de eeuwwisseling. Ruim twintig jaar dáár weer na zitten we op hetzelfde, lage, niveau. En dat wordt nu niet zozeer gezien als een overwinning, maar steeds meer als een probleem. Hieronder een van de beste manieren om die krappe arbeidsmarkt in beeld te brengen: de verhouding tussen het aantal openstaande vacatures en het aantal mensen dat op zoek is naar werk.
Dit is het aantal openstaande vacatures in Nederland, per kwartaal.
En dit is het aantal mensen op zoek naar werk. Dat bleef eind 2021 voor het eerst achter bij het aantal vacatures.
Het geheel lijkt wel een beetje op een mosasaurus, een enorm prehistorisch zeeroofdier waarvan in de achttiende eeuw in de buurt van Maastricht voor het eerst een fossiel werd gevonden.
Hier zie je het resultaat van de vorige twee series: het aantal vacatures per werkloze.
Zijn er andere mosasauriërs in de wereldeconomie? Economen van de Bank voor Internationale Betalingen troffen ze ook aan in onder meer de VS, Duitsland en Noorwegen: ook daar overstijgt het aantal vacatures het aantal werkzoekenden.
Je zou, voor Nederland, eigenlijk kunnen zeggen dat sprake is van volledige werkgelegenheid. Er is nauwelijks speling; misschien nog een beetje ‘frictiewerkloosheid’ – het oneerbiedige feit dat altijd een paar mensen even kort zonder baan moeten zitten om de arbeidsmarkt te laten functioneren. De resterende werkloosheid is er omdat vraag en aanbod op de arbeidsmarkt niet goed op elkaar aansluiten.
In veel andere industrielanden is de situatie nog niet zo nijpend. Maar in de Verenigde Staten en Duitsland wél – zelfs erger dan in Nederland. Dat maakt het moeilijk om beleid te voeren. Zeker voor de centrale bankiers van Europa en Amerika, die deze week hun laatste vergadering van 2023 hielden. Zij hebben vanaf anderhalf jaar geleden hun rentes sterk opgeschroefd om de oplopende inflatie te temmen. Die inflatie was deels het gevolg van de oorlog in Oekraïne, maar zij was daarvóór ook al aan de gang. De periode na de pandemie, met name de zomer van 2021, toonde een grootscheepse inhaalvraag van mensen en bedrijven, met krapte en hogere prijzen als gevolg. De door de oorlog stijgende energie- en voedselprijzen kwamen daar bovenop.
Het probleem is nu dat die renteverhogingen door de centrale bankiers nog niet zo goed werken als gedacht. En de krappe arbeidsmarkt kan daar veel mee te maken hebben. Kijk maar mee met deze cijfers van de Europese Commissie (het idee die reeksen hier te gebruiken stamt van een zeer goed rapport over de arbeidsmarkt van ING uit november).
Dit is de groei of krimp van de werkgelegenheid die ondernemers in de Nederlandse industrie verwachten. Het cijfer dat je ziet is het saldo van positieve en negatieve antwoorden op vragen over de werkgelegenheidsontwikkeling.
Ook na anderhalf jaar van rentestijgingen groeit de werkgelegenheid per saldo nog steeds door, al daalt die verwachte groei wel wat.
In de dienstverlening trekt volgens ondernemers de groei van de werkgelegenheid de laatste maanden zelfs weer aan. Alle cijfers hier zijn overigens seizoensgecorrigeerd.
In de eurozone als geheel wordt wél een − bescheiden − krimp van werkgelegenheid in de industrie verwacht.
Maar ook eurozone-breed wordt een voortgaande banengroei verwacht in de dienstensector. Maak daar als ECB maar eens monetair beleid op.
Wat je hier ziet, is dat zelfs na anderhalf jaar van forse renteverhogingen, ondernemers in de industrie in Nederland nog altijd meer mensen willen hebben. En dat het animo hiervoor in de gehele eurozone nog maar nét negatief is. In de dienstensector is de vraag naar arbeid nog steeds positief, in Nederland én gemiddeld in de eurozone. In Nederland stijgt hij zelfs weer.
Intussen wordt op de beurzen alweer vooruitgelopen op de tijd dat de centrale banken de klus denken te hebben geklaard, en de rentes weer verlagen – wat doorgaans goed is voor de koersen. De centrale bankiers proberen op hun beurt die verwachting te temperen. En zo raken de financiële markten verzeild in een gemoedstoestand waarin ze van tijd tot tijd terechtkomen: goed nieuws is slecht nieuws, en andersom. Dat bijvoorbeeld de Amerikaanse banengroei vorige week groter was dan verwacht, en de werkloosheid daalde van 3,9 naar 3,7 procent, werd met grote teleurstelling ontvangen: nu duurt het wéér langer tot de economie voldoende is afgekoeld en de rentes naar beneden mogen.
Is het monetaire beleid minder effectief aan het worden, nu door vergrijzing de arbeidsmarkt voorlopig krap blijft? En dan nog: een rentestijging leidt misschien wel tot minder vraag naar auto’s, maar waarschijnlijk niet tot een geringere zorgbehoefte van een tachtigjarige.
Pas op met extrapoleren, zo leren de jaren negentig. Maar opmerkelijke moderne verschijnselen zijn er al genoeg. Werknemers zijn gewilder dan ooit. Deeltijdwerk rukt ook buiten Nederland op, kritiek van managers op werknemers wordt slechter ontvangen, lastige diensten ontweken door ontslag te nemen en als zelfstandige terug te keren. Met goedkope arbeidsmigratie worden tekorten opgevangen, maar dat vermindert misschien ook de druk om arbeid te besparen door te mechaniseren en automatiseren. Want waarom zou je dan nog?
Bij veel diensten gaat dat sowieso een stuk moeilijker dan in industrie en landbouw. Je kunt een buschauffeur niet winstgevender maken door hem of haar overal 100 kilometer per uur te laten rijden. En kijk eens naar het ziekteverzuim. Of we vaker verzuimen door de hogere werkdruk die het gevolg is van krapte, of omdat we er makkelijker mee wegkomen, is misschien geen populaire vraag. Maar die is het onderzoeken zeker waard, zou je denken. Want het monster van de arbeidsmarkt is nog lang niet getemd.
De werkloosheid in Nederland was rond de eeuwwisseling zeer laag, en is dat nu weer.
Dit is het verloop van het ziekteverzuim in Nederland. Dat lijkt bij een lage werkloosheid op te lopen, en weer wat te dalen als de werkloosheid oploopt.
Hier het werkloosheidspercentage en ziekteverzuim tegen elkaar afgezet.
Er lijkt een behoorlijke samenhang tussen verzuim en de krapte op de arbeidsmarkt. Maar correlatie is nog geen causaliteit.
Een causaliteit kan bovendien beide kanten op werken: vaker ziek zijn heeft bij een krappe arbeidsmarkt misschien minder consequenties voor de positie van een werknemer.
Maar die krappe arbeidsmarkt zorgt andersom voor een hogere werkdruk. En die is weer de belangrijkste reden voor verzuim.
Maarten Schinkel schrijft in deze rubriek wekelijks over economie en financiële markten.
Meer afleveringen
Als het maar beweegt
NieuwsbriefNRC Voorkennis
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.
Source: NRC