Home

Opinie: Hou op met miepen en mauwen over onze slecht lezende kinderen, aan de slag!

Leesbevordering in de meest ruime betekenis wordt een vak. Geen ‘moduletje’, maar één lesuur per week en dat vier jaar lang.

Docenten lezen voor; vertellen over boeken; behandelen de geschiedenis van de kinderliteratuur; geven tips over hoe je kinderen kunt helpen om een lezer te worden en hoe je verhalen kunt integreren in de andere vakken.

Studenten lezen minimaal 75 boeken in vier jaar tijd (klassiekers, literair, pulp; graphic novels en prentenboeken); houden boekpresentaties; schrijven recensies en ‘leren’ voorlezen en vertellen

Kinderen lezen ieder dag minimaal 25 minuten. Meester of juf leest zélf ook. Het boek mag mee naar huis.

Dankzij een goede schoolbieb kan er snel geruild worden als een boek niet bevalt. Kinderen mogen lezen wat ze willen en door goede boekpromotie worden ze op het spoor gezet van boeken met meer diepgang.

Er wordt regelmatig voorgelezen. Leerkrachten die niet zulke voorleestalenten zijn, zetten een luisterboek op.

Zaakvakken zoals geschiedenis, aardrijkskunde en biologie zijn belangrijk om andere werelden en nieuwe begrippen te leren kennen, waardoor verhalen toegankelijker worden.

Juf of meester gebruikt ook boeken bij de zaakvakken.

Boekbesprekingen zonder toeters en bellen, dus geen powerpoints, boekendozen, enzovoorts. Kinderen maken (alleen of samen) ‘reclame’ voor een boek dat zij mooi vinden. Vertellen over de korte inhoud en lezen een of twee fragmenten voor.

Een alternatief is de boekenkring, waarin je met elkaar de gelezen boeken bespreekt.

Wekelijks schrijven de kinderen (alleen of samen) korte teksten naar aanleiding van de actualiteit, gebeurtenissen op school of fantasie onderwerpen. Een regelmatig verschijnende schoolkrant, waarin teksten en tekeningen van de kinderen worden geplaatst, is een prima stimulans om zelf te schrijven.

Begrijpend lezen doen we aan de hand van teksten die functioneel zijn. Bijvoorbeeld: de Middeleeuwen zijn uitgebreid een bod gekomen met verhalen, filmpjes, achtergrondinformatie en een bezoek aan een kasteel. Daarna bereiden kinderen zich voor op een ‘overhoring’. Bij de samenvattende tekst over de Middeleeuwen worden verschillende manieren aangeboden om er grip op te krijgen: schema’s, trefwoorden, zelf vragen maken. En dat het hele jaar door.

De eerste drie jaar krijgen leerlingen wekelijks een lesuur ‘Leesplezier’. Hierin lezen ze minimaal 30 minuten een boek. Er zijn scholen die dit al doen. De ervaring leert dat na aanvankelijke protesten steeds meer leerlingen het prettig vinden.

Er mag altijd geruild worden als een boek niet bevalt. Alle boeken zijn toegestaan.

Dit half uurtje kan ook gebruikt worden om gezamenlijk een boek te lezen.

Voorlezers worden gekozen op basis van vrijwilligheid.

Een andere helft van de les ‘leesplezier’ wordt besteed aan voorlezen; op inspirerende wijze vertellen over boeken door de docent; korte ‘pitches’ door de leerlingen over een boek, of het met elkaar bespreken van een boek. In het laatste geval zou de school elke leerling een boek cadeau kunnen doen.

Bij de andere vakken worden, waar mogelijk, ook verhalen betrokken.

Naarmate leerlingen ouder worden mogen best meer eisen worden gesteld, maar wel onder de voorwaarde dat er genoeg keuze is en de school uitstraalt: wij vinden hier leesplezier van groot belang en maken daar tijd en geld voor vrij.

Eigen verantwoordelijkheid

In de column ‘Wat we kunnen opsteken van Ierland, dat wél in staat is kinderen te leren lezen’, schrijft Aleid Truijens over het tamelijk schokkende feit dat het recente Pisa-onderzoek aan het licht bracht: een derde van de Nederlandse

15-jarigen is zó laaggeletterd dat ze niet of nauwelijks kunnen meekomen in de maatschappij. Een collectief falen, van de overheid, de inspectie, schoolbesturen, schoolleiders en leraren’, steekt Truijens een vermanend vingertje op.

Nu wil ik als docent best de hand in eigen boezem steken, maar ik mis toch echt één groep verantwoordelijken in Truijens opsomming: de groep 15-jarigen zélf, die ondanks allerlei verleidingstechnieken pertinent weigert een boek ter hand te nemen.

Op mijn vraag ‘Waarom lezen jullie eigenlijk niet?’ krijg ik steevast als antwoord dat het ‘zo fokking saai’ is. Maar ook al zou lezen vervelend zijn, als je er blijkbaar verder mee komt in onze maatschappij, dan zou ik mij als laaggeletterde toch eens achter de oren krabben.

Ik zou overwegen of ik mij dan toch niet eens zou wagen aan dat ‘fokking saaie’ lezen: je zult in je leven tenslotte wel eens vaker minder leuke dingen moeten doen. Want kennelijk kun je met dat lezen in de maatschappij toch interessante dingen bereiken.

De door Truijens in haar opsomming genoemde instanties zullen zich zeker moeten (blijven) inspannen om het lezen te bevorderen, maar als we onze kinderen serieus nemen, dan mogen we van hen ook best een inspanning en een eigen verantwoordelijkheid verwachten. We kunnen hun alles voorkauwen, maar als we hen willen laten uitgroeien tot zelfstandige en onafhankelijk denkende burgers, dan mogen we bij hen toch ook wel enige verantwoordelijkheid neerleggen? Het gaat tenslotte om hún lot en hún toekomst.
André Degen, Groningen

Stap voorwaarts

Herinner je je nog dezelfde jammerklachten van zo’n twintig jaar geleden? Toen de rekenmachine zijn intrede deed voorspelden de criticasters de ondergang van een generatie die de edele kunst van het rekenen zou verleren en zo geen enkele som meer kon maken. De rekenmachine zou echter niet de beul van het rekenonderwijs, maar de bevrijder van denkkracht worden. Het opende deuren naar alsmaar complexere wiskundige problemen. En zo jongleert een generatie nu met een druk op de knop naadloos met cijfers waar volwassen vroeger hun handen vol aan hadden.

De paniek die destijds de klaslokalen vulde, lijkt nu, twintig jaar later, als een déjà vu de literaire arena te betreden. De schok over de achteruitgang in leesvaardigheid is niets meer dan een echo van het verleden, want ook dit keer zijn deze zorgen volkomen onterecht. De manier waarop informatie wordt geconsumeerd en gedeeld is drastisch veranderd. Het begrijpen van digitale tools, kritisch evalueren van online informatie, analyseren van beelden en effectief gebruik van technologische hulpmiddelen worden allesbepalend. De neergang in leesprestaties is juist het bewijs dat scholieren zich weten aan te passen aan de moderne behoeften. Want in een tijd waarin één beeld duizend woorden kan vervangen, is het niet leesvaardigheid maar digitale geletterdheid wat écht belangrijk is.

In plaats van ons zorgen te maken over de afkalvende leesvaardigheid onder jongeren, moeten we de heilige status van het geschreven woord terzijde schuiven. De technologische revolutie zal het lezen niet uitroeien, maar het ontwikkelen tot een nieuw soort geletterdheid die niet beperkt is tot enkel papier en inkt. In een wereld waar digitalisering en snelheid de norm zijn, is de afname van traditionele leesvaardigheid geen achteruitgang. Het is een evolutionaire stap voorwaarts die het geschreven woord simpelweg niet bijbenen kan.
Jona van Loenen, Rotterdam

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next