Het motregende en begon al te schemeren toen ik de in frituurdampen gehulde oliebollenkraam tegenover het Concertgebouw passeerde. Ze bakken daar heel vieze oliebollen trouwens, maar dat weet blijkbaar niet iedereen, want het is er altijd druk.
‘Pap’, hoorde ik naast me zeggen. ‘Zullen we oliebollen kopen?’ Het was een merkwaardige stem, lijzig, vlak en luid. Hij bleek te horen bij een meisje van een jaar of 20, met prachtig roestbruin haar in een paardenstaart. Ze droeg een roze ski-jack dat openstond, waardoor haar trui te zien was: zo’n massief, Noors geval met sneeuwvlokpatronen. Haar lichaam was fors en volwassen, maar haar gezicht had de onbevangen trekken van een kind.
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Ze rukte aan de arm van de man naast haar, een schrale vijftiger met een klein, onfortuinlijk mondje en een jarentachtigkapsel: van die met stijf opdrogende gel bewerkte pieken. ‘Oliebollen, pap’, zei het meisje weer zo hard en toonloos. ‘Hè pap?’ Er liep een druppel uit haar neus op haar bovenlip, die ze argeloos oplikte.
‘Nee, poppie’, antwoordde de man. ‘Oliebollen zijn niet goed voor ons. Daar worden we een beetje dik van.’ Zelf was hij bepaald niet dik, maar het meisje was aan de mollige kant. ‘Pahap...’, zeurde ze. Haar ogen waren rond en uitdrukkingsloos. ‘Een tikkeltje ánders’, zou je haar kunnen noemen. Of, minder vriendelijk, maar meer ter zake: ‘Niet helemaal goed snik.’
’Nee, poppie’, herhaalde de man. Hij lachte pijnlijk, met dat mondje. ‘Je weet wat we hebben afgesproken. We snoepen niet, zo vlak voor het eten. En zeker zo’n vette oliebol niet. Dan lusten we straks aan tafel ons eten niet meer. Hè poppie?’ Het meisje haalde met een snorkend geluid haar neus op. ‘Ik lust het eten wél’, zei ze. ‘Maar een oliebol lust ik nog veel lieverder.’
De man vertrok zijn mond tot een soort aars-achtige onverzettelijkheid en sprak: ‘Nou, poppie, we gaan hier geen ruzie over maken. We lusten allemaal graag oliebollen, maar die zijn niet goed voor ons, want van oliebollen worden we een beetje dik.’ Het meisje keek verlangend naar de oliebollenkraam en sprak: ‘Dat is niet zo erg...’
De man zuchtte hoorbaar. ‘Kom, poppie’, zei hij en hij trok aan de arm van het meisje. ‘Weet je wat? Als jij nu lief mee naar huis gaat, dan krijg jij straks na het eten van mama een mandarijntje én een danoontje. Nou?’
Het meisje zei niets meer. Gelaten slofte ze mee aan de arm van de man, die parmantig doorstapte, in het verrukkelijke besef dat hij de macht nog altijd in handen had.
Source: Volkskrant