Home

Groene tech groeit snel in China – volgens Europa door oneerlijke concurrentie: ‘Overheidssteun? Die moet je hier niet noemen’

Bij de ingang van de fabriek van het Chinese automerk BYD staat een persverantwoordelijke, die kleine, ronde stickers uitdeelt en op hoge toon de regels declameert. De verzamelde journalisten – vijftien van Chinese staatsmedia en negen van buitenlandse media – mogen zometeen de fabriekshal in, waar BYD zijn Atto 3 produceert, bedoeld voor de export, onder meer naar Nederland. Maar we mogen geen foto’s maken: de stickers zijn bedoeld om de camera’s van onze telefoons af te plakken.

Een tegenvaller, want de BYD-fabriek in Changzhou, een moderne industriestad in de Oost-Chinese provincie Jiangsu, is het fotograferen meer dan waard. Het fabrieksterrein – zo’n 420 hectare groot, of 840 voetbalvelden – is een stad op zich, met flatgebouwen voor de arbeiders, pleinen met basketbal- en badmintonterreinen, en straten vol loodsen. Op drukke dagen is het hier soms filerijden, zegt een lokale journalist.

De fabriek, die begin vorig jaar is geopend, is zo immens dat de gangen tussen de assemblagelijnen in het ijle lijken te verdwijnen. Een gids met een microfoon gaat voor, terwijl hij zijn uitleg opdreunt. Eerst langs de lasstraat, waar achter een glazen wand carrosserieën voorbijschuiven, robotarmen op en neer bewegen, en af en toe een fontein van vonken opspat. Dan langs de assemblagelijn, de ‘oké-lijn’ en de teststraat. Overal zoeven auto-onderdelen langs, als in een enorme flipperkast.

Over de auteur
Leen Vervaeke is correspondent China voor de Volkskrant. Zij woont in Beijing. Eerder was ze correspondent België.

‘Deze lasstraat is voor 95 procent geautomatiseerd en kan 1.600 auto’s per dag afwerken’, zegt de gids.

‘95 procent, is dat het hoogste van alle BYD-fabrieken?’, vraag ik.

De persverantwoordelijke komt meteen tussenbeide. ‘Geen vragen’, zegt ze. Ik sputter tegen: geen foto’s, geen vragen, wat moet ik hier dan als journalist? Maar het heeft geen zin. Integendeel, ik krijg de rest van het bezoek een medewerker achter me aan, die moet zorgen dat ik met niemand meer kan praten.

Het zag er zo mooi uit: een driedaags persbezoek aan bedrijven in de provincie Jiangsu, in de befaamde Yangtzedelta, het hart van de Chinese economie. Op papier leek het een interessante reis, georganiseerd door staatspersbureau Xinhua in samenwerking met lokale overheden, met bezoeken aan fabrikanten van elektrische auto’s, windturbines en zonnepanelen. Aan de voortrekkers van de groene energietransitie, een topprioriteit van de Chinese Communistische Partij.

In de praktijk blijkt het een persreis op zijn Chinees te zijn: geen vragen, geen antwoorden, maar veel absurde discussies. Fabrieksmanagers verzinnen allerlei excuses om geen interview te hoeven geven. Ze verzoeken om vragen vooraf te sturen, of achteraf te sturen, maar wat ik ook doe: ik krijg nooit antwoord. ‘Het spijt me enorm, maar iedereen is heel voorzichtig met het accepteren van interviews van buitenlandse media’, zegt de organisator, een medewerker van Xinhua.

De Chinese fabrikanten hebben reden om voorzichtig te zijn: ze bevinden zich in het middelpunt van een oplopend conflict tussen China en de Europese Unie. Chinese greentech-bedrijven zitten in de lift en exporteren steeds meer naar het buitenland. China produceert 60 procent van alle elektrische voertuigen en windturbines, en 80 procent van alle zonnepanelen ter wereld. BYD denkt dit jaar 250 duizend auto’s te exporteren, vier keer meer dan vorig jaar.

Volgens Europa bevoordeelt China zijn bedrijven met subsidies en overheidssteun, en doet het daarmee aan oneerlijke concurrentie. Brussel vreest dat de Chinese bedrijven hun Europese concurrenten met dumpingprijzen uit de markt prijzen, zoals eerder gebeurde met zonnepanelen. De Europese Commissie is een onderzoek begonnen naar Chinese subsidies voor elektrische voertuigen en overweegt ook onderzoeken naar wind- en zonne-energie. De kwestie stond centraal op de China-EU-top, die vorige week in Beijing plaatsvond.

Maar Europa wil niet te hard van stapel lopen. Het heeft voor zijn ambitieuze klimaatdoelen – 42,5 procent hernieuwbare energie tegen 2030 – ook baat bij goedkope technologie uit China en het heeft grote economische belangen in het land. Het is bovendien niet makkelijk om oneerlijke concurrentie te bewijzen. De Chinese industriepolitiek bestaat niet alleen uit subsidies, maar uit een ondoorzichtige kluwen van overheidsregulering en -inmenging. Chinese bedrijven zijn als de dood om daar iets over te zeggen, zoals ook tijdens de persreis in Jiangsu zal blijken.

‘Changzhou ondersteunt bedrijven enorm, dat is de reden dat we hier zijn’, zegt Yahya Özbelli, vicedirecteur van Aksa, een Turkse producent van generatoren, die sinds 2012 een fabriek in Changzhou heeft. Özbelli, een elektrisch ingenieur met zes patenten op zijn naam, is een stuk spraakzamer dan zijn Chinese tegenhangers. Hij wordt als buitenlands ‘talent’ (een officiële positie) geacht om kennis te delen en krijgt in ruil daarvoor gunstige productievoorwaarden in China. Aksa exporteert zijn generatoren naar meer dan tachtig landen.

Özbelli is uiterst tevreden met de voorwaarden in Changzhou. Als hightechbedrijf betaalt Aksa in China 15 procent belastingen, in plaats van de gebruikelijke 25 procent, en krijgt het subsidies voor het opzetten van een R&D-centrum, op districts-, stads- en provincieniveau. ‘Hoe hoger het niveau, hoe meer voordelen’, zegt hij. ‘Je moet veel patenten hebben, samenwerken met meer dan twee universiteiten, een klas opzetten aan een universiteit en training geven. Dan kun je fondsen krijgen, zoals 1 miljoen renminbi (130 duizend euro) belastingkorting.’

Wat Özbelli beschrijft, is een typisch voorbeeld van Chinees industriebeleid. De Chinese overheid helpt bedrijven al decennialang met subsidies en belastingvoordelen, en vaak ook met indirecte steun, zoals goedkope fabrieksterreinen, leningen of energie. Dat is in China makkelijk te regelen, aangezien grondbezit, banken en energiebedrijven in overheidshanden zijn. De subsidies zijn ondoorzichtig en daardoor moeilijk te berekenen, maar aanzienlijk: volgens onderzoek van de Oeso (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) kregen Chinese bedrijven tussen 2005 en 2019 zo’n 4,5 procent van hun omzet aan staatssteun, zes keer meer dan bedrijven in Oeso-landen.

Sinds een paar jaar is de Chinese staatssteun niet alleen sterk toegenomen, maar ook van aard veranderd. De Chinese overheid steunt bedrijven in strategische sectoren, zoals groene energie of computerchips, niet alleen om winst te maken, maar ook om nationale doelstellingen te verwezenlijken, zoals technologische zelfredzaamheid. De Chinese president en partijvoorzitter Xi Jinping wil ‘aanvoerketens beveiligen en lokaliseren’: buitenlandse leveranciers – vatbaar voor sancties en exportrestricties – vervangen door Chinese alternatieven.

De Chinese overheid zet daartoe niet alleen veel geld in, maar ook een breed arsenaal aan (fiscale) voordelen en voorrangsregels. ‘Het industriebeleid bestaat uit allerlei vormen van steun’, zegt Alexander Brown, onderzoeker bij de Europese denktank Merics. ‘Je hebt leningen van staatsbedrijven. Je hebt de kapitaalmarkten, die hervormd zijn om kapitaal naar specifieke sectoren te leiden. Je hebt het Little Giants-programma, om duizenden hightech-mkb’s in nichesectoren te bevorderen. En je hebt aanbestedingen en andere reguleringen, die de markt verstoren in het voordeel van lokale bedrijven.’

Dankzij die steun kunnen Chinese bedrijven steeds meer uitgroeien tot geduchte concurrenten. ‘Chinese bedrijven produceren nu geavanceerde producten, die rechtstreeks met Europese producten concurreren’, zegt Brown. ‘We zien een trend waar ze op prijs concurreren en marktaandeel afsnoepen van Europese bedrijven, en voor een groot stuk is dat gebaseerd op allerlei subsidies.’

‘Overheidssteun?’, herhaalt de manager van Jietai, een fabrikant van zonnecellen in Huai’an, de tweede bestemming op onze persreis. Het bedrijf is een schoolvoorbeeld van het succes van de Chinese groene-energiesector. De fabriek in Huai’an is nog maar acht maanden geleden geopend en op het terrein wordt al volop aan een tweede productiehal gebouwd. Het gaat om een investering van 1,7 miljard euro, waarmee Jietai zijn jaarlijkse productiecapaciteit uitbreidt van 27 naar 53 gigawatt. Het bedrijf exporteert onder meer zonnecellen naar Duitsland en Spanje.

Het bezoek aan Jietai verloopt volgens het vaste stramien van deze persreis: we rijden binnen op een indrukwekkend fabrieksterrein en krijgen van achter een glazen wand de sterk geautomatiseerde productie te zien. Vooraan loopt een gids met een microfoon, ernaast de fabrieksmanager met een lokale overheidsfunctionaris, gevolgd door een legertje lagere ambtenaren en achteraan de journalisten, die de gids via een oortje horen. Als ik een vraag stel, volgt een lange discussie, enkele halfslachtige antwoorden en uiteindelijk een veto. ‘Dat moet je niet noemen’, zegt de manager, als ik naar overheidssteun vraag. ‘Dat ligt heel gevoelig.’

Maar op een onbewaakt moment, in een gesprek met een overheidsfunctionaris, vertelt de manager honderduit over de nauwe samenwerking met de overheid. Hij legt uit dat de partijsecretaris van Huai’an bij Jietai bemiddeld heeft om met voorrang zonnecellen te leveren aan een lokale fabrikant van zonnepanelen. En dat diezelfde partijsecretaris een producent van kwarts, een grondstof van zonnecellen, ‘omwille van een connectie’ overtuigd heeft om zich in Huai’an te vestigen en Jietai te bevoorraden. De overheid lijkt zich behoorlijk in de bedrijfsvoering te mengen.

Het toont hoe bedrijven zich onder het nieuwe industriebeleid van Xi Jinping steeds meer door de overheid moeten laten sturen. En hoe de grens tussen privésector en staatssector in strategische sectoren langzaam begint te vervagen. ‘De bedrijven zelf zijn mogelijk terughoudend om van toeleverancier te wisselen’, zegt Brown. ‘Maar politiek is zo’n belangrijk onderdeel van de economie in China, dat het belangrijk is om te tonen dat je bijdraagt aan de doelen van de partij. Zo kun je politiek krediet opbouwen en mogelijk op een andere manier voordelen krijgen.’

‘Internationalisering is een belangrijke koers voor ons’, zegt Jiang Xue, fabrieksmanager van Sinoma Blades, een staatsbedrijf dat vleugels voor windturbines produceert. Ze heeft ons net door een loods geleid, waarin langgerekte mallen zich uitstrekken over ijzeren stellingen, als bobsleebanen zonder bochten. In de mallen worden windmolenvleugels gegoten van glasvezel en hars. Terwijl Jiang Xue – na enig aandringen – vragen beantwoordt, proberen werknemers van Sinoma op de achtergrond de fotografen tegen te houden: ‘Geen foto’s in de fabriekshal!’

We zijn in de Sinoma-vestiging in Yancheng, de derde bestemming van de persreis, en weer zo’n industriestad waar de overheid bedrijven aanzet om complete aanvoerketens in groene technologie op te zetten. Sinoma kreeg volgens zijn jaarverslag vorig jaar 3,75 miljoen euro aan directe subsidies. Het stadsdistrict waarin het bedrijf gelegen is, trok dit jaar 21 miljoen euro uit voor innovatiefondsen en 3 miljard voor leningen, voor 106 bedrijven. Daarnaast zijn er nog stads- en provinciesubsidies.

Na de bezoeken aan de drie steden begint zich ook het probleem af te tekenen: als alle lokale overheden zoveel steun geven aan groene technologie, leidt dat onvermijdelijk tot overcapaciteit. China heeft dit jaar 280 gigawatt aan zonne- en windparken gebouwd, vier keer meer dan Europa, maar niet genoeg om de gigantische productiestijging bij te benen. Het gevolg: productieoverschotten en scherpe prijsdalingen. Sommige producenten verkopen hun windturbines in China onder de kostprijs.

De Europese Unie vreest dat de Chinese bedrijven hun overcapaciteit steeds meer zullen exporteren en Europese bedrijven uit de markt zullen prijzen, zoals eerder met zonnepanelen gebeurde. Chinese windturbines zijn 20 tot 50 procent goedkoper dan Europese turbines. Sinoma Blades exporteert al naar veertig landen, waaronder Griekenland en Noord-Macedonië. Het bedrijf heeft net een fabriek geopend in Brazilië. ‘We zijn daar nu aan het proefdraaien’, zegt Jiang Xue. ‘We zullen geleidelijk andere fabrieken in het buitenland openen.’

De Europese Commissie overweegt om naast elektrische voertuigen ook windturbines onder de loep te nemen. Dat kan tot hogere importtarieven leiden, en bescherming voor Europese producenten. Maar zo’n maatregel is een tweesnijdend zwaard, want hij kan ook tot stilstand bij de eigen bedrijven leiden. ‘Er moet een balans worden gevonden’, zegt Brown. ‘Het is belangrijk om Chinese bedrijven niet van de Europese markt uit te sluiten, want zij kunnen concurrentie aanmoedigen en innovatie versnellen. Maar ik denk dat er actie nodig is, om ervoor te zorgen dat Europa een plaats blijft waar lokale bedrijven kunnen meedoen.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next