Halverwege de rondleiding die fotograaf Rob Hornstra (48) een paar dagen voor de opening van zijn tentoonstelling in het Fotomuseum Den Haag geeft, moet hem iets van het hart. Wat was de aanzet? Een opmerking over het grillige foto-aankoopbeleid van Nederlandse musea, of de term ‘linkse hobby’ die vooral sinds de verkiezingen weer dreigend boven de culturele wereld hangt?
‘In de jaren dat ik als fotograaf werk is het culturele veld alleen maar gesloopt, of op zijn minst schraler geworden. En ondertussen is het idee dat cultuur een ‘linkse hobby’ is, langzaam maar zeker naar binnen geslopen. Een kwart van de samenleving is het daar kennelijk mee eens, gezien de verkiezingsuitslag. ‘Niet van ons geld’ is de nieuwe slogan.
‘Ik kan je niet zeggen hoe pijnlijk ik het vind dat ik als professioneel fotograaf een hobbyist wordt genoemd. Ik werk al twintig jaar aan projecten met maatschappelijk belang zonder dat ik er iets aan overhoud. We halen de kosten voor onze projecten op alle manieren uit de markt; misschien is 20 procent gesubsidieerd. En weet je waar dat geld heengaat? Naar drukkers, lijstenmakers, printers en vormgevers, naar het mkb. Er gaan veel bedrijven omvallen als er gehakt wordt in de cultuursubsidies.’
Hij verontschuldigt zich voor zijn tirade, ook tegen fotocurator Willemijn van der Zwaan, die meeloopt. Het hobbywoord zit hem heel hoog, vooral omdat het staat voor een diepgewortelde argwaan en minachting, waar hij als fotograaf steeds vaker tegen aan loopt. ‘Ik kan er echt niet meer om lachen als je als kunstenaar wordt vergeleken met tante Truus die potten bakt.’
Zijn uitval is een aanloop naar de felle speech waarmee hij een paar dagen later de tentoonstelling Ordinary People zal openen. Daarin zegt hij: ‘De partijen die een coalitie kunnen vormen, geven alle geen moer om kunst en cultuur. De sloophamer is al besteld. En vanuit de kunstsector blijft het oorverdovend stil.’ Nou, tot nu toe dan.
Over de auteur
Mark Moorman is kunstredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over series, films fotografie en populaire cultuur.
We staan voor de de foto van Masha uit 2007, een van de bekendste beelden uit zijn inmiddels omvangrijke oeuvre. Hij verkoopt van deze foto de meeste prints, en mensen willen er graag ook meer van weten. De dansende Masha komt uit Angarsk, een industriestad in het zuiden van van Rusland, in een wijk met de prozaïsche naam Cementfabriek. Ze heeft haar handen achter haar hoofd en de ogen gesloten, danst op een versleten houten vloer. Met een opvallende bijrol voor de beige muur en radiator op de achtergrond, het type details waar de fotograaf gek op is.
Hornstra noemt dit een van die ‘onzichtbare plekken’ waarnaar hij altijd op zoek is. Onzichtbaar voor de buitenwereld dan, die een dergelijke stad, en een leven als dat van Masha, liever vangt in het woord ‘uitzichtloos’. ‘Maar daar gebeurt het dus’, zegt Hornstra in het gelijktijdig met de expositie verschenen boek. ‘Daar zie je het echte alledaagse leven.’ Misschien wel goed om er even stil bij te staan wat voor inspanningen je moet doen om het geluk af te dwingen van een dergelijke voltreffer, die we inmiddels vrij achteloos ‘iconisch’ kunnen noemen.
Hij maakte de foto toen hij in 2007 alleen op reis was door Rusland, met ondersteuning van een non-profitorganisatie die zich bezighield met de drugsproblematiek daar. Hij kreeg aanvankelijk het gevoel steeds op de verkeerde plekken te belanden; bij sportdagen bijvoorbeeld, met van die ‘showmomenten’ zoals hij ze noemt. In een van die cultuurcentra, Dom Kultury, kreeg hij van de vrouw in de garderobe te horen dat er op vrijdagavond een disco zou plaatsvinden.
En nee, het was geen goed idee om daarheen te gaan, zei ze. Sterker nog, dat was levensgevaarlijk, voegde ze er dramatisch aan toe. Hornstra kreeg steeds meer het gevoel dat hij hier een van de onzichtbare plekken had gevonden die deze trip alsnog de moeite waard konden maken.
Hij moest een tolk regelen, vervolgens een beveiliger van de tolk én een chauffeur die bereid was de hele avond in deze buitenwijk te blijven hangen. Een officieel beveiligingsbureau haakte af toen het hoorde wat het plan van de lange Nederlander was. ‘Vrijdagavond in Cementfabriek? Gaan we niet doen.’ In het boek is het contactvel afgedrukt met een serie foto’s die die avond zijn gemaakt. Een twintigtal jongeren, driekwart meisjes die er iets van proberen te maken, een handjevol nors kijkende jongens. Het is er steenkoud en de meesten houden hun jas aan.
En daar is Masha weer, zoenend met een van de jongens. Later staat ze op om te dansen.
Hornstra fotografeerde analoog (op filmrolletjes dus) in een uitgesproken matig verlichte ruimte, dus ook zonder kans om het ter plekke al te bekijken. Maar wat hij toen al wel zeker wist: dat hij op het goede moment op de goede plek was. Masha, zoveel jaar later ster van de expositie in Den Haag, heeft hij nooit meer gezien. Wel weet hij dat de Dom Kultury van Cementfabriek tien jaar later zou afbranden. In het boek: ‘Gelukkig heb ik het gebouw en de gebruikers op tijd kunnen vereeuwigen.’
Beschouw dat als de missie van Rob Hornstra, het vastleggen van de mensen die aan de randen van de grote geschiedenis leven en vaak over het hoofd worden gezien. Of wellicht pas opduiken in de fotografie als de geschiedenis ze heeft ingehaald en ze slachtoffer zijn. Een deel van het werk van Hornstra is gegroepeerd rond grote documentaire projecten die hij samen met journalist en schrijver Arnold van Bruggen onderneemt.
In 2009 begonnen zij The Sochi Project, een fotografie-onderneming van uitzonderlijke ambitie en omvang, resulterend in talloze publicaties, boeken, kranten en exposities en uiteindelijk in het verzamelwerk An Atlas of War and Tourism in the Caucasus, dat verscheen bij de prestigieuze New Yorkse uitgever Aperture.
Het boek beschreef een vijf jaar durend onderzoek binnen een explosieve regio, die voorbestemd was om in 2014 het decor te zijn voor een van de megalomane ambities van de Russische president Vladimir Poetin (daar zouden we meer over horen): de miljardenverslindende Olympische Winterspelen in het subtropische Sotsji.
Onderdeel van het project was een in 2010 zelf uitgegeven krant in een oplage van twaalfduizend exemplaren, waarin onder de titel On the Other Side of the Mountains een intiem portret van het dorpje Krasny Vostok (‘het rode oosten’) werd geschetst. Een dorp ‘met één voet in de 19de eeuw’, schreven Van Bruggen en Hornstra in de inleiding, nauwelijks 200 kilometer bij Sotsji vandaan. ‘Er lijkt geen enkele reden om dit dorp te portretteren, en daarom hebben we het gedaan.’
De Krasny Vostok-krant, een van de favoriete projecten van Hornstra, staat centraal in de filosofie van de initiatiefnemers om hun werk zo toegankelijk mogelijk te maken.
Dat proberen ze nu ook weer in de opvolger van The Sochi Project, waarvan in Den Haag al veel werk te zien is. Een ‘monsterproject’ noemt Hornstra The Europeans 2020-2030. Ook hier was het plan om vergeten regio's, steden en mensen door heel het continent te portretteren tegen een ideologische achtergrond die in hun eerste presentatie in 2019 als volgt werd geschetst: ‘Opkomend nationalisme en populisme doen spoken uit het verleden herleven. Autoritaire regimes zijn in opkomst en de politieke droom van een verenigd en vredig Europa lijkt steeds kwetsbaarder.’
Net als in het Sotsji-project hadden van Bruggen en Hornstra hier iets te pakken, op een moment dat er nog genoeg mensen waren die zeiden dat ‘het zo’n vaart toch niet zal lopen’.
Er zijn inmiddels een aantal publicaties verschenen in het Europese project, over Den Helder onder meer, over The Black Country in de Engelse Midlands, waarbij een aantal handzame en zeker voor de fotoboekenwereld spotgoedkope boekjes vergezeld worden door exposities op locaties (zoals een voormalige H&M in Den Helder), waarbij Hornstra en Van Bruggen werken met producenten ter plekke.
Dit alles het liefst buiten de kunstinstellingen om. Met het opblazen van alle drempels in de kunstwereld zitten de makers zichzelf nog weleens in de weg. ‘Met onze boekjes kom je eigenlijk niet in de boekhandel terecht. Te weinig marge.’
Maar hoe zorg je er anders voor dat je foto’s en verhalen terechtkomen bij de mensen voor wie je ze maakt? Het recent verschenen boekje in The Europeans-reeks, over de geschiedenis van The Black Country, hart van de geschiedenis van de industriële revolutie, is in het Engels en Punjabi vertaald. Het is de taal van de nieuwe generatie Pakistaanse immigranten die de verlaten winkelstraten van een stadje als Dudley nieuw leven inblazen.
Hornstra en Van Bruggen richten zich in hun zoektocht naar de nieuwe Europeaan op het klassieke fotoboek Les Européens van Henri Cartier-Bresson uit 1955, toen de Europese gedachte nog een reddingsboei voor een getraumatiseerd continent was. ‘Het is tijd voor een nieuwe versie’, schreven ze zonder schroom in 2019.
Los van Cartier-Bresson heeft Hornstra nog een belangrijke inspiratiebron. Boek én tentoonstelling zijn ingericht volgens een vast patroon waarmee de fotograaf de wereld tegemoet treedt. Hij zoekt altijd, op elke plek, naar vaste categorieën, zoals werk, vrije tijd, jeugd en ongelijkheid. En daarbinnen is er een onderverdeling in thema's waarbij je eigenlijk nooit misgrijpt. Zoals jongeren in hun vrije tijd (zie Masha), maar ook veteranen met hun gegroefde koppen en hun rijen blinkende medailles zijn een vast element.
Hier is nadrukkelijk de Duitse fotograaf August Sander (1876-1964) de inspiratiebron, die zijn eigen tijd onder de titel Mensen van de 20ste eeuw vastlegde in een serie formele portretten in categorieën als de boer, de kunstenaar, beroepen en de stad.
Misschien gaat Hornstra’s grootste liefde uit naar slagers in slachthuizen en slagerijen, met hun witte uniformen en hun trotse, altijd licht wantrouwende koppen in een decor dat tegelijk bloederig en onberispelijk is. Over onzichtbare plekken gesproken: probeer maar eens in een slachthuis te fotograferen. ‘Een slachthuis is een vesting.’ Een van de sterkste nieuwe foto’s uit de expositie maakte hij in King Street, ooit de hoofdstraat van het gebied. De eerste winkel waar ze naar binnen liepen was Sharif & Son Superstore. Hij slaagde er in vijf slagers van de ‘meat section’ achter hun toonbank te krijgen voor een portret.
En toen ze door Arshad Sharif, de eigenaar van de Superstore, werden uitgenodigd op zijn kantoor kon Hornstra zijn geluk niet op. Vanuit de deuropening maakte hij een foto in zijn geliefde categorie ‘mensen achter een bureau’. En dan treft het dat Sharif een favoriete kleur heeft (groen) en dat links en rechts boven op de boekenkast foto’s van Mekka staan.
Hij is de tweedegeneratie-eigenaar van Sharif & Son en heeft het bedrijf overgenomen van zijn vader, die hier zelf in 1959 arriveerde. Van Bruggen en Hornstra gaan de scherpe randjes niet uit de weg en laten Sharif uitrazen over de nieuwe generatie Europese immigranten, gelukzoekers wat hem betreft. Een verhaal dat ze vinden omdat Hornstra op elke plek op zoek gaat naar een slager om te fotograferen.
Het was Wim van Sinderen, de voormalige fotocurator van Fotomuseum Den Haag, die hem in 2019 al vroeg om aan een overzichtstentoonstelling te denken. Hornstra werkte indertijd als hoofd van de bachelor fotografie aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, wat hem een groot deel van zijn tijd kostte.
Het was makkelijk geweest om daar door te werken, zegt hij, maar hij had ook het gevoel dat hij begon af te dwalen. ‘Ben je zelf ook fotograaf?’, had een student gevraagd. Dat was zo’n ‘shit, dit gaat niet goed’-moment. En sinds een paar jaar is hij dus weer fulltimefotograaf. ‘Het is heel gaaf dat ik na twintig jaar ploeteren mijn werk hier op deze manier kan presenteren.’
Op vrijdagavond, aan het eind van zijn openingsspeech, doet hij een handreiking, weliswaar als ‘linkse opportunist die polarisatie wil tegengaan door verbinding te zoeken’. Hij richt het woord tot de winnaar van de verkiezingen: ‘Daarom, Geert, nodig ik jou, en al jouw drie miljoen volgelingen, graag uit om samen met mij deze tentoonstelling te bekijken. Een gratis rondleiding! Waarbij we praten over jouw werk en mijn hobby. En wellicht, heel misschien, gaan we elkaar dan iets beter begrijpen.’
Rob Hornstra studeerde aanvankelijk sociaal juridische dienstverlening en werkte kort bij de reclassering in Utrecht. In 2004 studeerde hij af in fotografische vormgeving aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Zijn eerste, in eigen beheer uitgegeven, boek was Communism & Cowgirls uit 2004, over de generatie jongeren die na de val van het communisme in Rusland opgroeide.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden