Home

Opeens dook ze op, met haar roze jas, haar dikke, donkere krullen en haar glanzende huid

Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

De tijd is dik en traag en de seconden verstrijken met tegenzin. Ik sta naast haar, eindelijk, maar nu weet ik niet wat ik moet doen. Normaal doen, dat moet ik. Maar wat is normaal? Moet ik nu niets zeggen tegen haar? Of juist wel – en wat dan? Geef me woorden, al is het er maar één. Hallo? Hoi? Kijk, daar ben ik dan?

Een moment geleden fietste ik nog onbekommerd door de vroege ochtend. Mist, stilte, een gedempte stad, een zachte vochtige kou op mijn wangen. Toen dook ze opeens op. Zij met haar roze jas, dikke, donkere krullen en een glanzende huid waar de jaren hun sporen nog niet op hadden getrokken. Ze fietste schuin achter me, over de straat. Een verkeersregelaar maande haar dat ze het fietspad op moest, waarschijnlijk omdat daar doorgaans het fietsen plaatsvindt. Mopperend en zuchtend voegde ze zich achter mij. Voor me fietste een vrouw, traag, met grote moeizame pedaalslagen. Ik had flink vaart en stuurde vlug om haar heen. Halverwege mijn inhaalmanoeuvre, die luttele seconden geduurd had en nog luttele seconden zou duren, klonk een fietsbel. Tingeling. Tingeling.

Wat was de bedoeling van deze tingeling? Ik kon niet niet meer inhalen. Sneller kon ik ook niet. Vandaar dat ik het meisje met de roze jas en de dikke krullen vroeg, terwijl ze mij een moment later voorbij fietste, wat nou precies haar probleem was. Dat was, als ik heel eerlijk ben, een overbodige vraag. Haar probleem was evident. Er zat een onoverbrugbare afstand tussen haar primaire verlangen – namelijk de enige fietser op de wereld zijn – en de werkelijkheid. Maar ook haar secundaire verlangen – als ik dan niet de enige fietser op de wereld ben, dan moeten alle andere fietsers onmiddellijk voor me wijken – werd door mij in de wielen gereden.

Dus ik wist heel goed wat haar probleem was, maar stiekem hoopte ik dat ze zou antwoorden: ‘Ik ben te laat en dat is helemaal mijn eigen schuld’, of: ‘Ik ben op de vlucht voor een bende rovers’, of: ‘Ik moet een prefrontale cortex opereren, ook al zou je dat misschien niet zeggen aan hoe ik eruit zie, maar dat is dan jouw vooroordeel en dus eigenlijk jouw probleem.’ In plaats daarvan draaide ze haar hoofd en riep ze: ‘Wat is mijn probleem? Doe even normaal.’ En daarna nog een keer: ‘Doe even normaal.’ Toen was ze weg.

En nu, een tiental seconden later, sta ik naast haar bij het stoplicht. Schouder aan schouder. Ik kan haar aanraken. Maar dat zou niet normaal zijn. Mijn innerlijke Mark Rutte wil haar toebijten dat ze zelf normaal moet doen. Ook niet echt normaal. Dus ik zwijg. En als het stoplicht op groen springt, flits ik weg, veel sneller dan zij. Haal me nu nog maar eens in, normaalvrouw. Haha! Maar ze is al afgeslagen. En fietst nu precies de andere kant op.

Source: Volkskrant columns

Previous

Next