Het was uitzonderlijk warm voor de tijd van het jaar, het Scandinavisch café om de hoek had het terras maar weer opgetuigd en nu zat daar een oudere dame in de schemering aan een kaneelbroodje te knabbelen. Jonge mensen hadden zich – traditie is traditie – verkleed als kerstman, maar gezien de temperaturen lieten hun kostuums ruimte voor afdoende naaktheid.
De avond ervoor had een vriend aan mij gevraagd: ‘Kun je in de goedheid van de mensen geloven en romanschrijver zijn?’
Het antwoord luidde: ‘Neen.’ Je hoeft ook niet in de slechtheid te geloven, je moet je alleen kunnen amuseren met de mensen en altijd in het achterhoofd houden dat ze verleidbaar zijn. Tot van alles. Het kwaad blijft een probleem, om hygiënische redenen moet men dat af en toe vergeten.
We speelden met de gedachte dat Dostojevski in de goedheid van de mensheid zou hebben geloofd en moesten giechelen. Wel zijn er mensen zijn die menen dat Dostojevski en Gogol het fatalisme populair hebben gemaakt in Rusland.
Ik ben geen Rus, wel parttime fatalist, vanaf zeven uur ’s avonds. In de ochtend en middag hang ik de idealen van de Franse Revolutie aan, daarna begint het fatalisme aan me te trekken.
Na ons gesprek nam ik de metro naar huis. Op Grand Central werd een dakloze in bezit van een overvolle winkelwagen met geschreeuw van zijn perron verwijderd. Het was een onaangenaam tafereel, daarom haastten de bevoorrechten zich langs de winkelwagen en zijn eigenaar.
Tot zover gisteren. Vandaag hadden onrust en gemis me opnieuw de straat opgedreven, in een speelgoedwinkel schafte ik een brandweerwagen aan voor mijn zoontje. Toen ik terugkwam zat de dame met haar kaneelbroodje er nog, al had schemering plaatsgemaakt voor duisternis.
Ik ging naast haar zitten met de brandweerwagen op mijn schoot en wachtte kalm op verleiding.
Source: Volkskrant columns