Achtergrond De zoete kerstfilm ‘Wonka’ toont Willy Wonka in zijn jonge jaren: als een naïeve snoepfabrikant die weinig gemeen heeft met het licht sadistische origineel uit Roald Dahls kinderboek.
Roald Dahl was nooit te spreken over verfilmingen van zijn kinderboeken, en voor Charlie and the Chocolate Factory uit 1964 gold hetzelfde. Het moest gaan over Charlie Bucket, vond de schrijver. Niet over Willy Wonka, zoals in latere verfilmingen.
Wonka. Regie: Paul King. Met: Timothée Chalamet, Olivia Colman, Hugh Grant, Calah Lane. Lengte: 116 min.
In Dahls kinderboek vindt de arme scholier Charlie Bucket een van de vijf gouden wikkels die – naast levenslang chocolade – recht geven op een rondleiding door de mysterieuze snoepfabriek van Willy Wonka. Dat blijkt een toverwereld bemand door plagerige mini-mensen, Oempa-Loempa’s. Vier andere, onuitstaanbare kinderen tuimelen tijdens de excursie door eigen wangedrag in snoepmachines en stortkokers, Charlie blijft over en wordt Willy Wonka’s erfgenaam.
De grillige en licht sadistische Wonka is veel interessanter dan de brave Charlie. Een Kinderschreck: in de illustraties van Faith Jaques oogt hij met zijn hoge hoed, jacquet en geitensik satanisch. Heel iemand anders dan Timothée Chalamet met zijn groene Bambi-ogen die in de nieuwe kerstfilm Wonka de nog piepjonge snoepfabrikant speelt als een argeloze elf.
Wonka is de derde Willy Wonka-film. Het is een gewilde rol: alle leden van Monty Python, Hollywoods halve A-lijst en Michael Jackson hengelden er ooit naar. Jackson schreef bij wijze van auditie zelfs liedjes voor Tim Burtons filmversie van 2005, maar Warner Bros wimpelde het af: tegen de ‘King of Pop’ was in 2003 een strafzaak geopend wegens kindermisbruik. Kluizenaar-fabrikant Wonka die kinderen uitnodigt in een gesloten snoepfabriek annex pretpark: dat waren net iets te veel echo’s van Jacksons landgoed Neverland. Zijn liedjes waren welkom, maar Jackson trok zich beledigd terug.
Curieus genoeg leek Tim Burtons eerste keus Johnny Depp zijn Willy Wonka nu juist te modelleren naar Michael Jackson: de doodse, bleke huid in een krans ravenzwart haar, de gilletjes, het creepy ongemak. Depp zelf ontkende dat: hij had inspiratie geput uit gastheren van oude kindershows en het kapsel van Anna Wintour van Vogue. Volgens Depp leek Wonka als verknipte einzelgänger en control freak vooral op vliegtuigmagnaat Howard Hughes. De kritiek was verdeeld over Depps interpretatie, de film werd een hit. Burton voorzag Wonka van een jeugdtrauma: de snoepfabrikant rebelleert tegen zijn vader Wilbur, een strenge tandarts.
Roald Dahl had daar vast bedenkingen tegen gehad: hij wilde gewoon dat ze zijn boek naar de letter verfilmden en vond de eerste Hollywoodfilm, Willy Wonka & the Chocolate Factoryuit 1971, tergend zoetsappig en sentimenteel. En waarom was die film vernoemd naar Wonka en niet naar Charlie? Dat viel te verklaren: voedingsconcern Quakers Oat stak 3 miljoen dollar in de film als marketing voor zijn nieuwe snoepdivisie, de Willy Wonka Candy Company. De naam Charlie was indertijd ook besmet: Amerikaanse militairen in Vietnam noemden de Vietcong ‘Charlie’, voor zwarte Amerikanen stond Mr. Charlie voor een arrogante, racistische witte baas.
De eerste Wonka werd gespeeld door de Amerikaanse komiek Gene Wilder; Dahl wilde liever een Brit als Spike Milligan of Peter Sellers. Wilders Wonka is een verknipte, sardonische cherubijn met kinderlijk blauwe ogen. Vanaf zijn entree – Wonka loopt ouwelijk en mank, lijkt te struikelen, maakt dan opeens een atletische koprol – is hij onbetrouwbaar, onvoorspelbaar en vagelijk dreigend. Zo volgt op een idyllische snoepwereld met chocolade-waterval een hectische boottocht door een grot vol duizendpoten en hagedissen waarbij de griezelig starende Wonka een gedicht van Roald Dahl declameert. Zo zoetsappig was die eerste film dus helemaal niet. In de bioscoop was Willy Wonka & the Chocolate Factory geen succes, maar mede dankzij dat sinistere surrealisme werd het een klassieke kerstfilm op televisie.
Op de keper beschouwd is Willy Wonka natuurlijk gewoon een ouderwets soort Sinterklaas die met zijn Zwarte Pieten kinderen én hun ouders de maat neemt en straft. Alleen wie zoet is krijgt lekkers. Zijn Oempa-Loempa’s bleken al snel een probleem, zoals veel later bij ons de Zwarte Pieten. In Dahls kinderboek zijn Oempa-Loempa’s pikzwarte pygmeeën die Wonka uit een vijandige jungle redt: ze wonen en werken vrijwillig in zijn fabriek en worden betaald met cacaobonen. Vanuit Amerika werd Dahl erop gewezen dat Wonka trekjes heeft van een plantagehouder en slavendrijver.
In de film van 1971 hebben de Oempa-Loempa’s daarom een oranje huid en groen haar, Dahl maakte ze in 1973 in een nieuwe versie van zijn boek wit. Hugh Grant is als Oempa-Loempa in de nieuwe film eveneens oranje-groen en gedraagt zich als een leprechraun, de magische Ierse kabouter.
De jeugdige chocolatier Willy Wonka heft bij aankomst in de havenstad met glimmende ogen „I got twelve silver sovereigns in my pocket and a hat full of dreams” aan. O dear, zo’n film, denk je dan. Uiteraard is Wonka (Timothée Chalamet) al die munten voor het eind van het liedje al kwijt aan louche zwendelaars en weeskinderen. Zo naïef en vriendelijk is hij nu eenmaal.
Weerloos blijkt hij allerminst te zijn, maar met Roald Dahls sinistere kluizenaar-snoepfabrikant uit kinderboek Charlie and the Chocolate Factory heeft de frêle elf van Wonka weinig van doen. Doet het ertoe? Hoewel de liedjes en dansroutines matig zijn, nestelt zich snel een welwillende glimlach op je gelaat. Wonka is onschuldig, optimistisch, betoverend: alles wat een familiefilm met Kerstmis moet zijn.
Regisseur is dan ook Paul King, bekend van de twee meest hartverwarmende komedies van de 21ste eeuw: Paddington en Paddington 2. Ook Wonka is doordesemd van fijne Britse kneuterigheid: zoet, niet zoetsappig, met fraai gedetailleerde, bewust artificiële decors, een nostalgische poppenhuis-esthetiek en vrolijk schmierende Britse topacteurs – Hugh Grant is ook weer van de partij als Oempa-Loempa, hier een koddig-pompeuze kabouter en chocoladedief. Er zijn heuse boeven en er dreigt gevaar, dood door chocolade zelfs. Maar aan de goede afloop twijfel je nooit.
De plot. De jonge Willy Wonka arriveert na een wereldreis in een stadje om daar in een snoepwinkel de recepten van zijn moeder zaliger aan de man te brengen. Op dag één wordt hij al tot legale slavernij veroordeeld in de wasserij van pensionhoudster Mrs. Scrubbit (Olivia Colman), waar Wonka een club outcasts op de kop tikt: een mislukte komiek, een bejaarde accountant, het pittige weesmeisje Noodle. Tralies houden de chocomagiër niet gevangen, maar pogingen om de stad te winnen voor zijn snoepcreaties stuiten op de misdadige machinaties van het chocoladekartel. Drie snoepfabrikanten hebben de aardse en spirituele autoriteiten namelijk in hun zak: zowel de politiecommissaris als de kardinaal is een onverbeterlijke zoetekauw. Hun hoofdkwartier onder St. Paul’s Cathedral wordt bewaakt door 500 chocoverslaafde monniken.
Wonka is origineel noch edgy, zijn beminnelijke onschuld mist het venijn van Roald Dahl, die zich ongetwijfeld in zijn graf omkeert. Dat is een keus en geen probleem: het resulteert in een musical die het kind in zelfs de grootste iezegrim wekt.
Source: NRC