Op hoge hakken heb ik nooit goed uit de voeten gekund. Welke vrouw wel? Barbie natuurlijk! Maar Barbie speelde vals: haar voeten waren voorgevormd. Als ze in de feministische film Barbie plots de grond raken, roept ze uit: ‘Als mijn voeten zo gevormd waren, zou ik nooit hakken dragen!’
Dit wordt geen essay waarin ik probeer een objectief oordeel te vellen over Barbie, en ook niet over Oppenheimer, de twee totaal onvergelijkbare blockbusters die afgelopen zomer, in de derde week van juli, vrijwel tegelijkertijd in première gingen en versmolten tot het mediafenomeen Barbenheimer. Dit stuk gaat over mijn persoonlijke ervaring tijdens het kijken naar beide films – eerst Barbie, daarna Oppenheimer.
Als pop kwam Barbie er bij ons thuis niet in. Mijn moeder had een hekel aan zo’n beetje alles wat Amerikaans was, en Barbie was nogal Amerikaans. Barbie had een onrealistisch lichaam (immers, in zo’n smal bovenlijfje zou niet eens een lever passen), een te pronte boezem en een kapsel waar uren tijd in zat. Barbie stond in de ogen van mijn moeder voor alles wat zij als vrouw niet wilde zijn, maar wat vrouwen in de ogen van anderen (het woord patriarchaat gebruikte ze niet) zouden moeten zijn. Ik gaf niet om poppen, dus dat kwam goed uit. Toen ik hoorde dat er een film zou komen over en vooral mét Barbie, dacht ik niet meteen: daar moet ik heen. Niks voor mij; te roze, te wansmaak, te overdreven, te kitsch. Te vrouwelijk.
Dat acteur en regisseur Greta Gerwig (1983, elf jaar jonger dan ik) zich na haar originele, onafhankelijke en subtiel feministische films als Lady Bird (2017) en Little Women (2019) in opdracht van speelgoedgigant Mattel over Barbie zou ontfermen, was goed nieuws. Ze zou garant staan voor een eigentijdse aanpak, intelligente humor en de nodige systeemkritiek. Barbie zou haar eerste kaskraker worden.
Onlangs sprak ik voor deze krant filosoof Frank Meester, schrijver van het boek Feminisme voor mannen en andere wezens. In het voorwoord schrijft hij: ‘Dat alles wat ik goed en mooi vind door witte mannen is gemaakt, begint pas de laatste tijd echt tot me door te dringen.’ Dat geldt ook voor mij, met dit verschil: ik ben een vrouw.
Als tiener was ik fan van Nick Cave, volgde ik wielrennen (m), schaatsen (m) en voetbal (m) op de voet, hield ik van het werk van Auguste Rodin (en werd en passant gegrepen door het tragische verhaal van zijn minnares Camille Claudel, die eindigde in een gesticht), mijn lievelingsfilm was The Unbearable Lightness of Being (over een serieel overspelige Praagse hersenchirurg (m), helaas ook de favoriete film van Geert Wilders), ik verslond fin de siècle-literatuur van mannen die over (neurotische) vrouwen schreven. Tot ver na mijn studententijd werd mijn culturele leven grotendeels bepaald door witte mannen (de lijst is onuitputtelijk), waardoor ik feminist kon zijn zonder te hoeven zeggen dat ik het was. Want ik deed toch zo leuk mee met wat men / de mannen / het patriarchaat van me verwachtte? ‘Tof wijf’, ‘testosteronvrouw’, ‘one of the guys’ – ooit een man horen zeggen one of the girls te (willen) zijn?
‘Mannen denken werkelijk dat dit meisje bestaat’, schrijft essayist en cultuurcriticus Claire Dederer in het onlangs verschenen Monsters, dilemma’s van een fan. ‘Maar ze bestaat niet.’ Met andere woorden: ze speelt een rol, doet alsof ze mannendingen leuk vindt om aan de norm te voldoen. Het verwarrende is nu dat ik al die films, boeken en kunstwerken ook écht mooi vond. Frank Meester zegt daarover: ‘We denken dat we daarmee laten zien wie we zijn, maar feitelijk is het ons overkomen. Ons diepste wezen is ons overkomen.’
Met andere woorden: Ik vond mooi wat ik geacht werd mooi te vinden.
En toen ging ik naar Barbie, het zuurstokroze sprookje waarin Gerwig behendig de traditionele rollen van mannen en vrouwen omdraait: in het succesvolle matriarchaat Barbieland is roze de norm, hebben vrouwen de macht, en speelt Ken slechts een (voor vrouwen herkenbare) bijrol: die van Barbiepleaser. Ik genoot van de grapdichtheid, van de ironie en had van enig feministisch ongemak rond de pop geen last. Wat mij vooral raakte was de aaneenschakeling van feministische statements – en dat in zo’n grote publieksfilm. Barbie was het gesprek van de dag. Barbie al gezien? Voor het eerst werd er voortdurend gesproken over een vrouwenfilm. Ik geloof niet dat ik dat eerder had meegemaakt. Voor het eerst besefte ik écht hoe patriarchaal ik geprogrammeerd was. Had Barbie mijn perceptie van cultuur veranderd?
Ook de mannen in mijn omgeving vonden dus iets van de film. ‘Een blockbuster vol feministische clichés’ (man, begin twintig). ‘Als film heel slecht’ (man, rond de veertig). ‘Die Ken vond ik wel heel goed’ (man, vijftigplus). ‘Ik vrees dat ik vrouwen ook vaak The Godfather heb uitgelegd.’ (man, zestigplus, refererend aan de scène waarin Ken ongevraagd de film aan Barbie mansplaint). Douze points voor deze laatste man! Of nee, wacht even, ook hij vond Barbie een slechte film, als film. Zodra ik voorzichtig zei dat ik Barbie zo leuk vond, legden mannen ongevraagd uit wat er allemaal niet deugde aan de film, en vonden dat volkomen vanzelfsprekend.
Klonk hier de stem van de witte man die oprecht gelooft dat wat hij mooi of goed vindt de objectieve maatstaf is?
Toen ik een paar dagen na Barbie in een bloedhete, volle bioscoopzaal naar Oppenheimer van Christopher Nolan keek, het loodzware biografische drama over de bedenker van de atoombom, werd ik tijdens het kijken getroffen door mijn eigen subjectieve ervaring. Ik vond de film saai en traag, afstandelijk, de hoofdpersoon eendimensionaal (ondanks mijn bewondering voor acteur Cillian Murphy), zijn psyche en wroeging oppervlakkig uitgewerkt. Ik stoorde me aan de manier waarop de atoomtest in beeld werd gebracht (het woord atoomporno kwam in me op) en aan het clichématig wegzetten van Robert Oppenheimers echtgenote: wanhopig zuipend aan de keukentafel omdat hun krijsende baby niet wilde slapen. Maar bovenal stoorde ik me aan de totale afwezigheid van de slachtoffers van de atoomramp in Hiroshima en Nagasaki, waar zelfs in de aftiteling niet aan werd gerefereerd.
Ik dacht het, maar durfde het niet te denken. Zag ik de genialiteit van Christopher Nolan niet? Hij was toch een briljant regisseur? Moest ik me over mijn eigen gemoraliseer heen zetten? Ik durfde over Oppenheimer niet te denken wat ik dacht: gaap, wat een beperkte zelfreflectie, en de slachtoffers dan? Ik zal het wel niet goed zien, niet begrijpen, wie ben ik om deze (door mannen) bejubelde film te veroordelen? Of wacht even: misschien dácht ik niet, misschien voélde ik.
Susan Sontag schreef in de jaren 70 dat het definiëren van vrouwelijke kennis als intuïtieve kennis van emoties tegenover mannelijke kennis van competentie, autonomie en zelfbeheersing de basis vormde van de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Haar reactie op die ongelijkheid was zichzelf te ontdoen van haar ‘vrouwelijke vermomming’. Sontag omarmde de rede en voegde zich zo naar de mannelijke norm.
Een norm die, aldus Dederer, bij nader inzien gebaseerd is op een verzameling van subjectieve oordelen van mannen, die, omdat ze nooit in twijfel werden getrokken, uiteindelijk leidde tot een universeel (en dus een objectief) gezichtspunt.
Mijn oordeel (over Oppenheimer) was én bleef subjectief, ik zag het vast niet helemaal goed. Ik voelde, ik dacht niet, dus deed het er niet toe. Ik schakelde mijn oordeel uit, zweeg en liet me overtuigen door de alwetende man, zoals ik al mijn hele leven gewend was. Althans… bijna. Want wie was eigenlijk de emotioneelste persoon in deze situatie? Waren dat niet de mannen die als een wesp gestoken reageerden op mijn opmerking dat ik Barbie zo geweldig vond en Oppenheimer maar mwah-mwah?
Normaal gesproken zou ik mezelf en mijn mening hebben weggewuifd als zijnde te zwak, te vaag, te eh… vrouwelijk. Ik zou mijn mening voor me hebben gehouden, niet hebben durven zeggen dat ik zoveel meer genoten had van Barbie dan van Oppenheimer. Ja-ha, twee totaal verschillende films, waar ‘genieten’ in het geval van Oppenheimer ook nog eens niet van toepassing is. Althans, dat vonden de mannen om mij heen, de films mochten niet met elkaar vergeleken worden en Oppenheimer was nu eenmaal feitelijk de betere film. ‘Ik wist dat ik geacht werd een cultuurarbiter te zijn, maar ik keek per ongeluk steeds weer gewoon als publiek’, schrijft Dederer over haar werk als recensent. Ik had naar Oppenheimer gekeken als publiek en als zodanig mijn gevoel laten spreken, binnen een subjectieve kijkervaring, als vrouw.
Mannen hebben nooit hoeven zoeken naar iemand die op hen lijkt, ook cultuurcritici (m) niet, aldus Dederer. Geen van die mannen komt zelfs maar op het idee dat het gezichtspunt van een vrouw weleens net zo ‘normaal’ zou kunnen zijn als dat van hen. Ze lijken blind voor hun eigen subjectiviteit.
Mannen hoeven nooit op hakken te lopen. Ze hoeven zich nooit te verplaatsen in vrouwen, want zij zijn de norm. Voor mij waren de ‘feministische clichés’ in Barbie een feest der herkenning. Eindelijk waren ze zichtbaar voor een miljoenenpubliek en werden ze besproken bij de koffieautomaat. Voor het eerst waren de rollen volledig omgedraaid – en dat verwarde de man. Mannen begrepen Oppenheimer. Ik niet en voor het eerst vond ik dat niet erg. Dankzij Barbie.
In de geschiedenis van Hollywood hebben maar weinig regisseurs − 28 om precies te zijn, allemaal mannen − een film geregisseerd die (meer dan) een miljard dollar opbracht. Barbie is de eerste miljardenfilm die geregisseerd is door een vrouw. In Nederland is Barbie de succesvolste film van het jaar, gevolgd door The Super Mario Bros. Movie en Oppenheimer.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden