Home

Van alle verkeerde dingen is het voeren van eendjes misschien wel het allerleukst

Brood voeren aan de eendjes is net zoiets geworden als vlees eten, vliegen of de open haard stoken: je kunt het beter níét doen. Maar ja, van al die verkeerde dingen is het voeren van eendjes misschien wel het allerleukst. En het minst erg, zeg ik dan tegen mezelf als ik met een restje brood het park insluip.

Aangekomen bij de vijver kijk in dan altijd even schuw om me heen, en herhaal voor mezelf het rekkelijke mantra van de Vogelbescherming: ‘Geen hele broden, maar een kapje oud, onbeschimmeld brood kan geen kwaad.’ Goed, ik heb meestal wel iets méér dan een kapje, soms wel drie hele boterhammen, maar oud en onbeschimmeld zijn ze zeker.

Aangekomen bij de vijver verricht ik mijn wandaad. Terwijl ik het brood voor de opgetogen eendjes strooi mompel ik ‘all the perfumes of Arabia will not sweeten this little hand’, in navolging van de slaapwandelende Lady MacBeth. Daarna ga ik naar huis, waar ik mijn schuldgevoel onderdruk door zeker een uur geen vlees te eten, niet in een vliegtuig te stappen en geen vuurtje te stoken.

Maar gisteren deed zich een complicatie voor. Tussen de troep gevogelte bevond zich een wat sullige eend. Niet écht een crepeergeval; hij kwam best mee, te land, te water en in de lucht. Hij was alleen wat langzamer dan de rest.

Nu was het zaak om te zorgen dat die schlemiel zijn eerlijke deel van het brood kreeg. Eenvoudig is zoiets niet: de eerste brokken belandden, zoals te verwachten viel, in de brutaalste snavels, terwijl de sukkel me bedroefd aankeek.

Dat liet ik niet op me zitten. Ik verzon een strategie: Ik verkruimelde een boterham tot honderd kleine stukjes en wierp die in één keer zo ver mogelijk de vijver in. Alle eenden stoven erop af, maar die ene bleef staan, en keek de buit weemoedig na.

Nu was zíjn tijd gekomen. Ik strooide de rest van het brood vlak voor hem in het gras, en hij begon gretig te eten. ‘Goed zo jongen’, zei ik teder.

Toen hoorde ik hysterisch geblaf. Een grote hond sprong voor mijn voeten en begon het brood naar binnen te schrokken. Die arme eend vloog angstig de vijver in. ‘Niet doen, Binkie’, riep de jonge vrouw in zijn kielzog. ‘Af!’ En tegen mij, bestraffend: ‘Brood is superslecht voor eenden, hoor!’

Thuis stak ik de haard aan en verslond een biefstuk, terwijl ik een vlucht boekte naar een arm land waar de bevolking hevig wordt onderdrukt.

Niet écht hoor. Maar ik had er wel zin in.

Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.

Source: Volkskrant

Previous

Next