Home

Suus Versteeg is 100 jaar: ‘Al op de lagere school wist ik dat ik wiskunde wilde gaan studeren’

Suus Versteeg woont twee hoog in Utrecht, en trotseert elke dag vier trappen met haar boodschappentas. Dat kost deze vitale, blijmoedige 100-jarige geen enkele moeite. Alle muren van haar etage zijn behangen met schilderijen, die ze allemaal zelf blijkt te hebben gemaakt. Landschappen en geometrische figuren domineren. Eén kamer doet dienst als atelier, een schildersezel staat prominent in het midden opgesteld. Suus – ‘Noem me maar bij mijn voornaam’ – heeft zich in het artistieke deel van haar leven op meerdere materialen uitgeleefd. Op haar zelfgetimmerde boekenkast staan objecten van blik. Een orkest van klei siert de schoorsteenmantel – de houdingen van de musici zijn levensecht. Suus praat uren aan één stuk door, want er is veel te vertellen.

‘In een gezellig gezin, niet rijk, maar ook niet arm. Ik had een oudere en een jongere broer. Mijn vader gaf pianoles, mijn moeder speelde prachtig cello. Ze speelden vaak samen. Ik mocht al jong op piano- en vioolles. Hier in huis heeft ook veel muziek geklonken; met vriendinnen speelde ik kwartetten en kwintetten van Haydn, Mozart en Beethoven. Die vriendinnen zijn allemaal dood. De piano van mijn vader staat hier nog in de kamer, hij is zo vals als wat.

‘Ik ben altijd dik geweest. Totdat ik op mijn 90ste ineens zo mager werd als ik nu ben. Ik deed er niks voor, de kilo’s vlogen eraf. Het leuke is dat ik nu veel meer kleren pas. Als kind vond ik het erg om dik te zijn. Op school noemden ze mij ‘dikkerd’, bij gymnastiek kon ik veel oefeningen niet, zoals in de touwen klimmen en aan het wandrek je knieën optrekken tot je neus. Ik kreeg wel een 6 op mijn rapport. Al op de lagere school wist ik dat ik later wiskunde wilde gaan studeren, want ik was goed in algebra en meetkunde. Ik was 11 jaar toen ik een lange puzzel met reeksen getallen zag staan in de Haagse Post, een liberaal weekblad. Op mijn slaapkamer loste ik de puzzel helemaal op, ik vond het uitermate spannend. Toen wist ik: wiskunde is mijn vak.’

‘Er werd geen onderscheid gemaakt, we gingen alle drie naar het gymnasium, naar het Vrijzinnig-Christelijk Lyceum in Den Haag. Ik had geen idee wat vrijzinnig christelijk was, want we werden niet gelovig opgevoed. Het was een heerlijke tijd. In de lunchpauzes kwam een remonstrantse dominee catechisatie geven, dat vond ik enig. Later ben ik remonstrants geworden, en werd ik actief in de kerk, ook in de tijd dat ik in Canada woonde.

‘Ons huis lag bij een duin en werd tijdens de bezetting gevorderd door Duitse soldaten. Het geluk was dat mijn ouders op 1 mei 1940, dus kort voordat de oorlog begon, een vakantiehuisje hadden gekocht in Ruurlo. Onze meubels werden opgeslagen bij familie en we verhuisden met zijn vijven naar het huisje. Het lag heel afgelegen, we hadden alleen contact met wat boerenfamilies in de omgeving. Mijn vader was al zijn pianoleerlingen kwijt. Op mijn 20ste ging ik naar Amsterdam om aan de universiteit wis- en natuurkunde te studeren en woonde daar, net zoals mijn studerende broers, op kamers. Maar lang duurde die studie niet, want alle studenten moesten een verklaring tekenen waarin stond dat ze nooit iets tegen de Duitsers zouden doen. Ik besloot niet te tekenen en keerde terug naar Ruurlo. Om de tijd daar te verdrijven, organiseerde ik activiteiten voor boerenkinderen, Ik was altijd druk bezig. Een groot deel van de oorlogstijd heb ik daar alleen met mijn moeder gewoond, want mijn vader en broers waren opgepakt door de Duitsers. Mijn broers werden in werkkampen geplaatst, mijn vader kwam in de gevangenis terecht. Het hoofd van de politie in Ruurlo was een NSB’er en verdacht mijn vader ervan in het verzet te zitten, maar dat was helemaal niet zo. Misschien dacht hij dat omdat mijn vader een intellectueel gezicht had.

‘Ik ben een keer naar familie in Den Haag gefietst, met tassen vol eten van boerderijen uit Ruurlo. Bij Zoetermeer kreeg ik een lekke band. In ruil voor zes eieren kon ik bij iemand logeren. De volgende ochtend ben ik lopend verder gegaan. Bij een oom die psychiater was, kon ik op de divan logeren.’

‘Ik was inmiddels 22 jaar en zag het niet zitten nog zo’n lange universitaire studie te gaan doen. Soms denk ik: stel dat ik het wel had afgemaakt, dan was ik misschien wiskundelerares geworden. Iemand die ik had ontmoet bij de VCJC, een vrijzinnig-christelijke organisatie die zomerkampen voor jongeren organiseerde, zei: is de School voor Maatschappelijk Werk niet iets voor jou? Die duurt maar drie jaar. In september 1945 begon ik met die opleiding in Amsterdam. In het eerste jaar al ging ik de praktijk in, bij een clubhuis in de Schilderswijk, daar woonde de hele wildernis van Den Haag, in slechte huizen. Het was een zware klus. Ik woonde bij mijn ouders in Den Haag en kwam elke dag onder de builen thuis. Jongens liepen over de tafels, trapten potloden uit de handen van andere jongeren, en dat alles wel met een hoop lol. Ik kwam er nooit heel vandaan, maar kon een hoop hebben.

‘Mijn eerste baan als maatschappelijk werker was in Frankrijk. Ik had een brief geschreven aan de Wereldraad van Kerken in Genève om mijn diensten aan te bieden. Ik werd geplaatst in Parijs, om oorlogsvluchtelingen te helpen. Ik bracht voedselpakketten rond, zoals aan oude Russische vrouwen die verbleven op een chambre de bonne, een zolderkamer voor dienstmeisjes. De Russinnen straalden een en al deftigheid uit, ze hadden hoge adellijke titels. Hun mannen waren omgekomen tijdens de Russische Revolutie. Als ik daarvandaan kwam, zat ik onder de vlooien. Dan stapte ik een volle metro in, liep door de menigte en dan was ik ervanaf.

‘Europa was in de war in die tijd. Alles moest weer worden opgebouwd. Ik werkte ook een tijdje in Saint-Nazaire, een havenstad die bijna helemaal was verwoest door bombardementen. Er werden krotten neergezet om in te wonen. Mijn taak was om activiteiten te organiseren voor de kinderen en te bemiddelen bij medische zaken. In Le Havre, waar ik vluchtelingen hielp die naar Canada en Amerika wilden, werd ik verliefd op een Amerikaan, met wie ik samenwerkte. We werden allebei overgeplaatst. Hij is ooit nog met zijn latere Amerikaanse vrouw hier komen logeren. Ze kregen acht kinderen. Als dat was wat hij wilde, dan was ik niet de geschikte vrouw voor hem.’

‘Het spijt mij weleens, maar aan trouwen ben ik nooit toegekomen. Ik moet zeggen dat de liefde mij niet onberoerd heeft gelaten, maar hij kwam altijd op het verkeerde moment. Ik ben niet lesbisch. Dat werd vroeger wel gedacht, als je als vrouw alleen leefde. Mijn verklaring is dat ik in de jaren dat je normaal verkering krijgt, een geïsoleerd leven in Ruurlo leidde. Daar heb ik geen aannemelijke jongen gezien.’

‘Neem mijn klas op de School voor Maatschappelijk Werk, die bestond uit zestig meisjes. Een behoorlijk aantal is nooit getrouwd, bleek bij reünies. Als je in die tijd ging trouwen, moest je als vrouw stoppen met werken. Ik had heel andere plannen: de wereld ontdekken, in het buitenland werken. Ik heb mij rot gewerkt.

‘Na Frankrijk ben ik naar Canada gegaan. Tussendoor ging ik helpen bij de opbouw van Zeeland, na de Watersnoodramp in 1953. Ik wilde weer eens wat anders en kon via de Wereldraad van Kerken in Guelph in Ontario terecht, voor groepswerk met vrouwen. Ik heb ook nog een tijdje in Winnipeg gewerkt. Weet je dat daar veel Oekraïners woonden, die waren eind 19de eeuw als arbeidsmigranten daarheen gegaan voor de aanleg van een spoorlijn van Vancouver naar Toronto. Dus toen hadden Oekraïners het ook al niet makkelijk.’

‘Ik was 33 toen ik terugkeerde. Ik miste mijn familie en voelde mij schuldig. Mijn moeder zal het niet leuk hebben gevonden dat ik zo lang zo ver weg was, ook al zei ze daar nooit iets over. Ik kon aan de slag als maatschappelijk werker bij de Nederlandse Spoorwegen. Ik begeleidde buitenlanders die bij het spoor kwamen werken. En als er mannen waren met problemen thuis, zoals een zieke vrouw, regelde ik een hulp in het gezin, zodat de mannen konden doorwerken. Ik reisde het hele land door, mijn Solex kon mee in de trein.’

Suus Versteeg staat op om iets te laten zien waar haar wiskunde-hart sneller van gaat kloppen. Aan een plankje in haar slaapkamer hangen vijf in primaire kleuren geschilderde objecten. ‘Dit zijn vijf regelmatige veelvlakken, in alle mogelijke vormen die er zijn. Plato had ze al beschreven: vier vlakken, zes, acht, twaalf en twintig. Ik heb ze zelf gemaakt.’ Ze pakt een foto uit een tijdschrift van natuurkundige Robbert Dijkgraaf, met op de vensterbank achter hem dezelfde vijf. Opgetogen: ‘Hij heeft ze dus ook! Ik vond het zo moedig van hem dat hij minister van Onderwijs werd. Van de hemel in Princeton kwam hij in de modderpoel van Den Haag terecht. Ik hoop dat ze aardig voor hem zijn geweest.’

‘Toen ik 100 werd, dacht ik: wat nu nog? Ik was de eerste weken erg druk met het beantwoorden van de post voor mijn verjaardag. Nu ik weer wat vrije tijd heb, ga ik weer schilderen. Op zolder liggen een paar schilderijen die nog niet af zijn, laat ik daar mee beginnen.’

geboren: 3 september 1923 in Scheveningen

woont: zelfstandig, in Utrecht

beroep: maatschappelijk werker

familie: neven en nichten

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next