Dit wil ik even in me op nemen. Het huis is opgeruimd. Uit de staande lamp valt boterblond licht over de plaids, die keurig opgevouwen op de bank liggen. Er branden kaarsen en uit de speakers klinkt jazz – ik hou niet eens van jazz. Als je nu een willekeurige kastdeur zou opentrekken, zou je levend begraven worden onder paarden en Paw Patrol. Maar in de woonkamer is geen enkel spoor meer van speelgoed. Buiten staan bier en wijn koud. In de vier maanden dat we er wonen, is het huis nog niet zo veel huis geweest als tijdens deze verloren minuten in afwachting van de eerste mensen.
Een paar minuten later leid ik een vriendin rond. Ze is erg te spreken over de lambrisering op de eerste verdieping en het donkere hout van de trapleuning. Wel heb ik echt te veel kleren, zegt ze. En als ik de deur van de badkamer opentrek, krimpt haar enthousiasme tot een nietig ‘o’. Maar de zolderverdieping – en dan met name de isolatie daarvan – kan haar bekoren. ‘Echt een fijn huis’, zegt ze.
Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Meerdere mensen zeggen dat vanavond. ‘Vind je?’, vraag ik dan, omdat ik zelf nog twijfel. Het voelde al die tijd nog niet helemaal af. Dat ligt niet aan de ontbrekende plint in de keuken of houtwerk dat nog geverfd moet worden, maar aan iets anders. Pas vanavond kom ik er achter wat het is, want opeens is het er.
Het gebeurt elke keer als de bel gaat. Bij elke koude wang die ik in de gang kus. Bij elke jas die op een bank wordt gegooid. Bij elke ‘o nou, doe dan maar een gin-tonic’. Bij mijn oudste dochter die mijn beste vriend in de armen vliegt als hij voor de deur staat. Bij elk gesprek dat ik moet afkappen omdat ik naar een volgend gesprek moet. Bij elke keer dat ik de code van mijn telefoon moet geven zodat er andere muziek opgezet kan worden. Bij elk glas dat opnieuw gevuld wordt. Bij elke lach die klinkt. Bij het gehoon als de airfryer tevoorschijn komt. Bij elk leeg bierflesje dat klapperend in het krat valt. Bij elke keer dat de tuindeur opengaat en er een vleugje rook van mensen die ‘eigenlijk gestopt’ zijn het huis binnendrijft. Bij het besef dat mijn dochters vanavond in slaap vallen terwijl ze naar het geluid van vriendschap luisteren.
Als iedereen weg is, ga ik aan de keukentafel zitten. Die is bezaaid met bierdopjes en er staan kringen in van glazen, die allemaal leeg zijn, net als de flessen wijn, de pizzadozen en de borden waar de bitterballen op lagen, die dus toch wel lekker waren. Mijn vrouw begint met opruimen, maar ik zeg haar dat ze alles moet laten staan. Dit wil ik even in me op nemen.
Source: Volkskrant