Vorige week verscheen er wéér een onderzoek naar ongewenst gedrag op de werkvloer. Deze keer waren artsen en geneeskundestudenten uit ziekenhuizen aan de beurt. Uit een enquête van het vakblad Medisch Contact bleek dat ruim de helft van de artsen en geneeskundestudenten die reageerden, ooit te maken had met grensoverschrijdend gedrag. Het gaat dan vooral om intimidatie of machtsmisbruik, of om seksueel grensoverschrijdend gedrag (al wisten we dat al veel langer).
Daarnaast gaat het ook om racisme en pesten.
De resultaten bevestigen het beeld van ongewenst gedrag op de werkvloer in andere sectoren. De meeste daders zijn mannen; de meeste slachtoffers vrouwen. Veel daders komen ermee weg: zij zitten vaak hoger in de boom. De werkgevers en getuigen zijn eerder niet dan wel behulpzaam. En de slachtoffers? Die ondernemen vaak niets omdat ze hun opleiding of baan niet op het spel willen zetten, krijgen psychische problemen, of nemen ontslag.
In de academische wereld is na aanhoudende berichtgeving over sociale onveiligheid gepoogd de situatie structureel te verbeteren. Er kwam een lijvig rapport geschreven door een commissie onder leiding van hoogleraar Naomi Ellemers. Die commissie raadde aan om de infrastructuur voor klachten op orde te zetten, en ook om op de werkvloer het gesprek over sociale veiligheid te blijven voeren.
Over de auteur
Ingrid Robeyns is hoogleraar ethiek van instituties aan de Universiteit Utrecht. In de maand december is zij gastcolumnist op volkskrant.nl/opinie. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Deze aanbevelingen zijn cruciaal. Maar volgens mij is er meer nodig om dit probleem aan te pakken.
Ten eerste: machtige, oudere mannen (en hier en daar een machtige oudere vrouw) moeten stoppen met het old boys network met zijn misplaatste onvoorwaardelijke loyaliteit in stand te houden. Uiteraard is het moeilijk om je voor te stellen dat je gewaardeerde collega op zijn werkplek een bully is, of dat hij herhaaldelijk studentes mee naar huis neemt. Uiteraard is het moeilijk om voor ogen te houden dat wat je collega hierover zegt wellicht niet (de hele) waarheid is. Uiteraard is het moeilijk om weerstand te bieden aan de sterke identificatie die je voelt met mensen die op je lijken.
Maar zolang deze heren (en de zeldzame dame) niet in staat zijn hun loyaliteitsgevoelens te parkeren en een professionele, onpartijdige houding aan te nemen, kunnen dit soort zaken nooit correct afgehandeld worden. Ik vermoed dat heel wat schade en een deel van het onopgeloste onrecht terug te voeren zijn op deze misplaatste loyaliteit onder de mensen met de meeste macht.
Ten tweede: de werkgevers moeten doen wat nodig is om het ongewenste gedrag te stoppen en de schade te minimaliseren (en die schade beperkt zich doorgaans niet tot de klagers, maar raakt een veel grotere groep mensen). Dat vergt iets heel anders dan de ‘afvinkmentaliteit’, waarbij vooral gezorgd wordt dat er aan alle wettelijke regels wordt voldaan. Vaak maken organisaties het voor slachtoffers alleen maar moeilijker, omdat er onvoldoende échte steun is.
De procedures duren te lang, en kijken niet naar wat de klagers en beklaagden nodig hebben, maar naar vakjes die afgevinkt moeten worden. Klagers komen vaak in kafkaëske toestanden terecht (Sara Ahmed schreef er een heel boek over). Deze afvinkmentaliteit leidt tot enorme bijkomende schade bij slachtoffers en vaak ook bij omstanders. We hebben moedige bestuurders en leidinggevenden nodig die doen wat nodig is, en niet alleen afvinken.
Ten derde: organisaties met grote inherente machtsverschillen, zoals ziekenhuizen of universiteiten, moeten glasheldere regels maken over welk gedrag aanvaardbaar is of niet. Dit is ook in het belang van beklaagden. Ik blijf me verbazen over wetenschappers die bijvoorbeeld denken dat het oké is om studenten of promovendi als potentiële romantische of seksuele partners te zien. Uiteraard is het voor hen heel handig om te doen alsof machtsverschillen er niet toedoen; het geeft hun een vrijbrief. Bovendien is de pedagogische rol van docent niet verenigbaar met een seksuele relatie. Wat weerhoudt universiteiten ervan om hierover een heldere gedragsregel in te voeren?
De casussen die ik ken, zijn allemaal een paar jaar oud. Door de nieuwe procedures die aan de universiteiten zijn ingevoerd zou je hopen dat deze problemen tot het verleden behoren. Misschien is het ondertussen allemaal beter?
Misschien. Maar het old boys network bestaat nog steeds. De expliciete regels om ervoor te zorgen dat voor iedereen helder is wat kan en niet kan, zijn er nog niet overal. En of de academische wereld ondertussen het verschil heeft begrepen tussen ‘het vakje aanvinken’ en ‘doen wat echt nodig is’? Ik kan het alleen maar hopen.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Source: Volkskrant columns