Home

Potviskots: het gal overstroomt de kranten, de sportclubs, de woonkamers

Scalperen is de eerste stap. Aandachtig bloedzuigend met een plastic zuig begeleid ik de scalpel van de neurochirurg. Na de halvemaanvormige incisie bikt hij de huid van de schedel, en hangt hij deze met haken op aan de steriele doeken.

Mijn laatste co-schap is bij neurochirurgie en ik mag mee aan tafel. Geroutineerd en bekwaam als co-assistent blijf ik met mijn zuiger in penhouding aan de randen van het blikveld van de neurochirurg staan.

Hij boort drie cirkelvormige gaten in de schedel, die onderling verbonden worden met een zaag. De botlap wordt van het hersenvlies gelicht, het hersenvlies opengesneden, en voilà: grijze, pulserende, naakte hersenen.

Aan de groeven en de richting van de windingen van de hersenschors oriënteert de neurochirurg zich met het wonderbaarlijke gemak van een oude matroos, die zich op zee aan de hand van de sterren van de Kleine Beer oriënteert. In het midden van het operatieveld wijst hij de Sylvische fissuur aan, een kloof tussen twee hersenkwabben.

Hij vervolgt de fissuur naar de rugzijde van het hoofd, waar deze ophoudt en het hersenweefsel van de twee kwabben laat vermengen, als de kust van de kaap Hoorn de grote waterlichamen van de Atlantische en de Stille Oceaan. „Hier ongeveer zit het taalcentrum, dat essentieel is voor taalbegrip. Daar moet ik uit de buurt blijven.”

Het taalcentrum ligt er onafgebakend bij: een anderhalve kubieke centimeter, langer dan breed en breder dan diep, schat ik in. Ik stel het me schematisch voor, zoals ik het heb geleerd uit de tekstboeken: een perfect ovaal gebied overdwars van de fissuur. Maar hoe het taalgebied precies loopt, ik heb geen idee. De microscoop wordt ingereden, de chirurg laat het taalcentrum terzijde en vervolgt zijn expeditie naar het dieper gelegen eiland van Reil.

Ik blijf me intussen verwonderen over het meditatief pulserende stuk grijs. Dat taal, fysiek zo in hersenweefsel gestold, tot het vernuft heeft geleid van Dostojevski, Shakespeare en Brouwers.

Het is als ambergrijs, een op het oog onbeduidende klomp grauwgrijze onverteerbare potviskotsresten, dat tot de ingrediënten van de meest bijzondere en zeldzame parfums behoort.

Zoals potviskots een zure galstank moet hebben, zo kan ook taal bitter en giftig zijn. Het daagt me dat het deze dagen de zure galstank is die de zoete ambergrijsgeur verdrijft. Het is gal dat de kranten, de sportclubs, de woonkamers, heel Nederland, overstroomt.

De gal: pers is tuig van de richel. Vluchtelingen zijn gelukszoekers. Vluchtelingenstromen zijn asieltsunami’s. Stemmende moslims zijn islamitisch stemvee. Gehoofddoekte vrouwen zijn zombies. Etcetera.

Ik denk aan een verhaal van Toon Tellegen, over een eenzame potvis die ver weg in de oceaan woont, op de bodem van een trog, en op een dag een brief ontvangt.

Beste potvis,

Ik weet niet zeker of je bestaat, maar ik nodig je wel uit voor mijn feest. Morgen op het strand. Als je bestaat, kom je dan?

De meeuw

Hij snelt naar de kust. Daar dansen de meeuw en de potvis samen op het maanovergoten strand, op de klanken van de langzame branding.

Ben ik dan de meeuw? Was ik maar de meeuw, bereid om een handreiking te doen naar de eenzame potvis, naïef, liefdevol en uitnodigend. Nee, ook ik ben de potvis, gehuld in de rotsen van mijn trog.

Opeens verschijnt er een haak in mijn blikveld. De haak wordt met zijn zachte bolling in het hersenweefsel aangebracht om het zicht van de neurochirurg te verbreden, precies in het verlengde van het taalcentrum. Heel voorzichtig brengt hij het aan, en laat het daarna zo veel mogelijk vieren. „We moeten ervoor zorgen dat we zo min mogelijk trekken aan het taalcentrum, om schade te voorkomen.” Hij kijkt mij indringend aan. „Taal is namelijk erg belangrijk.”

Dino Gacevic is arts op de spoedeisende hulp.

Source: NRC

Previous

Next