Home

Vijf schrijvers over wat Gerard Reve ons een eeuw na zijn geboorte nog te vertellen heeft: ‘Alles, in feite’

Over schrijvers wordt geregeld beweerd dat hun lijk nog niet koud is of ze zijn al vergeten. En dan hebben we het nog niet over die schrijvers die terwijl ze leven al vergeten zijn. Om maar te zwijgen van de aspirant-schrijvers voor wie het leven een nevel van permanente vergetelheid moet zijn. Gek dat die vergetelheid voetballers bijvoorbeeld nooit kwalijk wordt genomen (wie weet nog wie Kees Kist was?), vermoedelijk omdat men niet voetbalt voor de eeuwigheid. Met schrijven is het anders: als het met die eeuwigheid niet zo wil vlotten, wordt de schrijver al snel voor een mislukkeling aangezien.

Karel van het Reve beweerde in een van zijn essays dat het noemen van een naam – hij had het over een door de Duitsers vermoorde communist – de overleden drager ervan in leven hield, of althans iets wat op leven lijkt. Wat dat betreft zouden we hier kunnen volstaan met het noemen van de naam van Karels broer, Gerard, maar dat zou toch wat armoedig zijn. Ik zou de gedichten van Gerard Reve kunnen noemen, waaraan ik geregeld denk en die ik met plezier citeer, zij het niet altijd foutloos. Ik zou de vooruitziende blik van Gerard Reve kunnen noemen, dat hij een winkel heeft, want inderdaad: de schrijver is allang geen ziener meer, hij is een winkel geworden, slordig in een mensenlichaam gepropt. Op het Boekenbal komt men tientallen, nee honderden wandelende winkels tegen, maar geen cultuurpessimisme, er zitten prachtige etalages bij.

Nee, ik noem de novelle De ondergang van de familie Boslowits (1950) waaraan ik elk kwartaal wel denk. Over de half verlamde vader, de nerveuze moeder, de zoon Otto (‘een beetje achterlijk’) en zijn niet-achterlijke broer Hans. Het is een wonder dat die mensen het zo lang hebben uitgehouden. Hun bestaan wordt verlicht door de stijl van de jonge Reve die nog niet ontaard is in het maniërisme van de oude Reve, die zich teleurgesteld van leven en literatuur afwendde; de winkelpuien bleken een deceptie.

Oorlog in deze novelle is een avontuur met dodelijke afloop ingeklemd tussen ennui en ietwat krankzinnige hoop, het pathos van hen die oorlog alleen van horen zeggen kennen ontbreekt: ‘Het mooiste zou ik korte, maar hevige straatgevechten hier in de stad vinden’, zei ik. ‘Zo van raam tegenover raam, met handgranaten en witte vlaggen, maar niet langer dan twee dagen, want dan verveelt het weer.’

Ja, dan verveelt het weer.

Als student raakte ik zozeer in de ban van Gerard Reve, dat ik binnen een jaar alles las wat hij geschreven heeft. Dom, want op is op, en voor herlezen zijn er te veel andere boeken.

Het effect was zo overrompelend dat ik op straat geregeld mijn pas inhield en, beierend als een kerkklok, ‘Ge-rard Re-ve’ zei.

Vanwege diezelfde bewondering durfde ik Ge-rard Re-ve niet onder ogen te komen. Hij trad op tijdens een soort College Tour, en via via was mijn jaarclub uitgenodigd, die niet per se geïnteresseerd was, maar ik juist zo erg dat ik mezelf op tv, in een microfoon, zonder appelflauwte geen vraag zag afvuren op Ge-rard Re-ve.

Als enige bleef ik thuis. Wat ik nog steeds betreur, zeker omdat Dirks erna vertelde dat hij naast mijn held had staan plassen en ze steels naar elkaars piemels hadden gekeken.

Dat had ik ook gewild. Het was begin jaren negentig, ik kende geen homo’s, maar de belangrijkste man in mijn leven was deze Ge-rard Re-ve, een papieren exemplaar aan wiens zinnen, grappen en algehele kijk op zaken ik als een bedraad popje vastzat. Met opgeheven vinger las ik uit zijn boeken voor, citeerde hem zo vaak dat anderen nog voor ik klaar was ‘Reve’ mompelden. Ik geloof dat Nader tot U (1966) mij deed besluiten dat goede literatuur beter is dan de werkelijkheid. Echter ook.

Het zou een antwoord kunnen zijn op de vraag wat ‘Reve ons nog te vertellen heeft’. Alles, in feite.

Maar ja, dat is geen antwoord. Daarom wil ik de beginnende lezer meegeven dat ik het leerzaam vond, een leidsman te hebben die weliswaar van de ‘verkeerde kant’ was, zoals dat toen heette, maar die met afstand geestiger was dan iedere hetero die ik verzinnen kon. Maar echt met een straatlengte geestiger, bedoel ik dan. (En dat vind ik dertig jaar later nog steeds. Wat ook iets zegt over de ‘goede kant’, lijkt me.)

Toen ik 12 was, las ik Op weg naar het einde (1963) van Gerard Reve. Het mooist vond ik een passage waarin hij vertelt over een zielig poesje dat hij in Engeland op straat vindt. Dag en nacht is hij in de weer met hapjes en zalfjes. Zijn Engelse vriend wil het diertje wel houden en vraagt welk voer hij moet geven. ‘O, wat fijngesneden biefstuk’, begint Reve, ‘eigenlijk gewoon wat je zelf ook eet.’

De Engelse vriend richt zich hoog op en zegt: ‘I will certainly not give it what I eat!’ Reve staat versteld. Hoe kan iemand die altijd zo aardig en royaal is, zo reageren?

Het verhaal maakte diepe indruk op me. Een beroemde schrijver die over zielige poesjes schrijft! Ik sloot Reve in mijn hart, ook al omdat hij bevriend was met een andere grote held van mij: Simon Carmiggelt.

Die vriendschap kwam tot een einde toen Carmiggelt in een stukje schreef: ‘Er zijn te veel oude mensen.’ Volgens Reve betekende dat dat Carmiggelt oude mensen wilde laten doodmaken. In de jaren tachtig kwam Reve in het nieuws omdat hij in een interview met Boudewijn Büch racistische opmerkingen had gemaakt. De rel werd in talkshows op de televisie breed uitgemeten. Büch zei dat hij zijn ‘literaire vader’ verloren was. Zelfs Carmiggelt en Kees van Kooten mengden zich in de zaak door een ludiek interview in De Juinensche Courant, waarin Carmiggelt bekende oude mensen in elkaar te slaan en Kees van Kooten jammerde dat hij nu zijn ‘literaire opa’ verloren was.

Ik werd verscheurd. Moest ik nu tegen Reve zijn? Wat moest ik denken? De rel rond Reve kwam ter sprake in de Nederlandse les. ‘Meneer, wat vindt u dan van die racistische uitspraken?’, vroeg Evert. Meneer B., die op een tafeltje op de voorste rij zat, schudde slechts zijn hoofd en glimlachte zwijgend met de glimlach van de ingewijde. Ik was verliefd op mijn leraar Nederlands en had een hekel aan Evert, een vervelende kwast met een rode spencer en geplakt haar.

‘Maar wat vindt u er nou van?’, drong Evert aan. ‘Reve is toch gewoon een racist?’ Meneer B. gaf geen antwoord. Hij glimlachte weer, als iemand die geheime kennis bezat.

Altijd als ik aan Reve denk, is mijn eerste herinnering aan dat poesje in Op weg naar het einde en de tweede herinnering aan de ontgoocheling die ik ervoer bij die glimlach en het uitblijven van een duidelijk antwoord.

Als ik goed heb geteld worden er in de novelle Werther Nieland (1949) zevenmaal wreedheden jegens dieren begaan. Achtmaal begaat de 11-jarige hoofdpersoon Elmer wreedheden jegens vriendjes, of fantaseert daarover. Zijn sadisme strekt zich ook uit tot het plantenrijk. Onder het opschrift Plantenmartelingen beschrijft hij hoe je een dunne tak, die nog aan de plant vastzit, tegen het hek kunt vastspijkeren. ‘Dan gaat hij langzaam dood.’ Ook kun je erin snijden en er inkt op doen, zodat hij sterft – ‘maar het duurt heel lang’. Het verhaal begint met het verbrijzelen van takken van de ribesboom met een hamer en eindigt met het in stukken hakken van dunne takjes met een bijl.

Het wekt geen verbazing dat totalitaire regimes, al dan niet religieus van aard, dit soort literatuur op de index van verboden boeken plaatsen vanwege de smeerlapperij en de ontaarde teneur van angst en paranoia. Wie een nieuwe mens wil kweken, wordt niet graag herinnerd aan de onsmakelijke tekortkomingen van de oude mens.

Reve doet niet zijn best om onze sympathie wekken voor zijn verteller, een angstige jongen die overal complotten tegen zich vermoedt en vreest dat hem uit alle hoeken kwaad zal worden aangedaan. Waterwezens zullen hem aan zijn geslachtsdeel naar de diepte sleuren, Werther Nielands moeder zal een dun mes of een lange naald in zijn nek steken tot het merg is bereikt. Hij heeft soms mooie, Reviaanse gedachten, plechtstatig en absurd, die komisch werken. ‘Hij is een dier dat snoept’, denkt hij over Werther, ‘dat weet ik.’

Begiftigd met een scherpe blik identificeert Elmer meedogenloos de onvolkomenheden van zijn medemens. Een parade van ziekelijke stumpers trekt voorbij. Iedereen is bleek of geel van huid, die veelal schilferig, korstig en ontstoken is, en heeft brokkelige tanden en vet, vormeloos haar. Nooit schijnt de zon. Zestienmaal is het in Werther Nieland donker weer, dreigt er een buitje, regent het of heeft het net geregend.

Het ontwerp van het sadistische universum is van W.F. Hermans, de inrichting ervan komt Gerard Reve toe.

‘Mensen lezen geen Reve meer’, zeg ik opeens. Meteen heb ik spijt en ik voel mij bejaard, vooral nu ik zie hoe mijn collega probeert om niet al te meewarig te kijken.

‘Hoe weet je dat?’, zegt ze voorzichtig. ‘En... waarom is dat eigenlijk erg?’

Die eerste vraag is gemeen, want natuurlijk wéét ik niet of Reve nog gelezen wordt: mensen die Reve lezen doen dat in principe zonder mij te waarschuwen en ik heb geen boekhandels gebeld om het te checken.

‘Lees jij hem?’, vraag ik.

‘Nee’, zegt ze.

Vraag twee is nog gemener. Want het is uiteraard geen echte ramp als iemand niet meer wordt gelezen. Zo gaat het nu eenmaal. Er zijn ook zeepjes die niemand meer koopt, die verdwijnen dan op een gegeven moment uit het schap. Heel verdrietig, als je daar gevoelig voor bent – maar niet érg.

Bovendien snap ik best dat Reve verdwijnt: depressief gemijmer over minderjarige jongensbillen, verhalen over drankmisbruik of een God die allang niet meer bestaat, rare brieven aan dode mensen die nog vergetener zijn dan Reve zelf, en dat alles in een wonderlijke stijl die vijftig jaar geleden al archaïsch was.

‘En jij?’, vraagt ze.

‘Wat ik?’

‘Lees jij hem nog?’

Ik lach, en lieg: ‘Jazeker.’

Thuis, mijn jas nog aan, trek ik een willekeurig deeltje uit de kast: Tien vrolijke verhalen (1961). Wanneer las ik dit voor het laatst? Het eerste verhaal, Een lezing op het land, lees ik staand naast de bank – tot ik na vijf bladzijden moet gaan zitten van het lachen, wanneer de kinderen in het verhaal met een omgekeerde divan de trap af sleeën: ‘Eigenlijk bood het voertuig slechts plaats aan twee personen zodat de jongste zoon, ondanks zijn tranen, meestal van deelneming werd uitgesloten om dan, tot steeds groter wordende verbazing van de tentoonstellingbezoekers, met een lat op het meubilair van de huiskamer te gaan losranselen, het leder van zittingen en leuningen met de nog steeds in zijn wapen aanwezige spijkers kwistig perforerend.’

De wereld zal heus niet vergaan als dit niet meer gelezen wordt, ik vind alles prima – zolang ík het maar mag lezen.

‘Karpatenkop’, ‘bosneuker’, ‘liefdesdolk’, ‘liefdesroede’, ‘liefdesvriend’ en natuurlijk ‘jou moesten ze een brandende poppenwagen je kutwerk binnenrijden’: Gerard Reve heeft de Nederlandse taal verrijkt met vele nieuwe woorden en gevleugelde zinnen. ‘Moedig voorwaarts’ hoort daar overigens niet bij, schrijft Van Dale-hoofdredacteur Ton den Boon in ‘Het weer van alle mensen’ en 99 andere pareltjes uit het woordenboek van Gerard Reve, dat is verschenen ter gelegenheid van Reves honderdste geboortejaar (De Weideblik, € 20); die uitspraak werd een eeuw vóór Reves geboorte al gebezigd.

Van Jef Rademakers verscheen bij Borgerhoff & Lamberigts Gerards Godsverlangen – Gerard Reve en zijn eeuwige zoektocht naar het Onbereikbare (€ 22,99). Rademakers leerde Reve kennen in de jaren tachtig, toen hij nog tv-programma’s maakte, en hield tot in de jaren negentig contact met hem. ‘Misschien was Reve wel méér dan een schrijver’, schrijft Rademakers in het eerste hoofdstuk onder de titel Linea rectum naar de eeuwigheid. ‘Hij had ook iets van een priester. Het leek hemzelf niet uitgesloten dat hij na zijn dood heilig verklaard zou worden.’

Ook op andere manieren wordt komende week stilgestaan bij de honderdste geboortedag van Gerard Reve. Boekhandel Athenaeum in Amsterdam organiseert op 12 december een avond met een Reve-pubquiz, scènes uit de voorstelling Circus Reve en een lezing van schrijver Arie Storm. Het Literatuurmuseum in Den Haag komt op 14 december met een speciale podcast, Tien dagen Reve, en zet tussen 22 en 31 december – de periode die centraal staat in De avonden – elke dag een nieuwe aflevering online. En in de Amsterdamse Balie draagt acteur Hugo Koolschijn op 14 december Reves pleidooi uit het ‘Ezelsproces’ voor, waarin hij pleitte voor vrijheid van de kunst. Met een inleiding door schrijver Christiaan Weijts en een afsluitend gesprek van Yoeri Albrecht met schrijver Kristien Hemmerechts. (Wilma de Rek)

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next