Home

Functioneert het hart aantoonbaar slechter door wielrennen? Cardioloog Jorstad reageert

Nathan Van Hooydonck, Sep Vanmarcke en Wesley Kreder waren tot dit jaar profwielrenners, maar moesten stoppen nadat problemen met het hart aan het licht waren gekomen. Erger: de nog maar 20 jaar jonge wielrenner Mark Groeneveld zakte vorige maand een dag na een koers in Hongkong in elkaar en overleed. Vermoedelijk was het een hartaanval, stelt zijn Canadese ploeg XSpeed United.

Elk jaar zijn er zulke trieste berichten uit de wielerwereld; de lijst is lang van overleden renners waarbij een falend hart de doodsoorzaak is of lijkt. Wat zegt dat over deze sport: functioneert het hart aantoonbaar slechter door wielrennen?

Over de auteur

Robert Giebels schrijft voor de Volkskrant over wielrennen en Formule 1. Hij was correspondent in Azië, schreef over economie en won als politiek verslaggever de journalistieke prijs De Tegel.

Het antwoord op die vraag valt in drie delen uiteen, verklaart de toonaangevende sportcardioloog Harald Jorstad, die vanuit het Amsterdamse UMC mede leiding geeft aan grootschalig onderzoek naar de harten van honderden topsporters. ‘Grotendeels is het antwoord nee’, zegt de 43-jarige Noor in vlekkeloos Nederlands. ‘Een kleiner deel is ‘we weten het niet’. En een nog veel kleiner deel is ‘ja’.’

Dat kleine stukje ‘ja’ zit hem erin, zegt Jorstad, dat bijna geen sport het hart zo zwaar belast als wielrennen. ‘Bij het kijken naar het hart denken sportcardiologen grof gezegd in termen van duur, kracht en intensiteit. Wielrennen is fantastisch voor het begrip van wat het sporthart doet, want het heeft alles.’

Wielerkoersen duren uren en dat in een grote ronde drie weken achter elkaar. ‘Naast duurvermogen moet de renner veel kracht leveren, soms met een hele hoge intensiteit, met een sprintje bijvoorbeeld.’ Conclusie: ‘De belasting van het hart van een wielrenner is vrij extreem.’

Zo extreem dat Jorstad aan de hand van een MRI-scan van het hart van een topsporter kan zien dat hij of zij wielrenner is. Hij en zijn collega’s gaan ervan uit dat ieder mens ongeveer met dezelfde grootte van het hart begint en dat na tien jaar lang twintig, vijfentwintig uur per week fietsen op topniveau steeds groter wordt. ‘Wat we weten van onderzoek in de meest extreem belaste harten zoals van toprenners, is dat ze vaak een bijna twee keer zo’n groot hart hebben als mensen die niet sporten.’

Als iemand aanleg heeft voor een hartprobleem, legt Jorstad uit, kan die belasting een hartziekte naar boven brengen, die met minder belasting misschien niet of later in het leven tevoorschijn was gekomen. Om die reden worden wielrenners grondig gescreend.

Dat het hart van wielrenners bovengemiddeld wordt belast, wil volgens Jorstad beslist niet zeggen dat de sport zelf verantwoordelijk is voor hartproblemen. Dat is het ‘nee’ van het antwoord op de vraag of wielrennen het hart slechter maakt. Ieder mens heeft immers een bepaalde kans op het krijgen of ontwikkelen van hartafwijkingen.

Vroeger, toen het specialisme van Jorstad zijn plek begon te verwerven in de cardiologische wetenschap, kon de aanblik van een twee keer zo groot sporthart reden zijn om de eigenaar ervan te sommeren onmiddellijk te stoppen zich in te spannen. Immers, een vergroot hart kon een teken zijn van een ernstige hartziekte die zou kunnen leiden tot potentieel levensbedreigende hartritmestoornissen.

‘Cardiologen die geen ervaring hebben in sport, zien een potentieel ziek hart. Wij zitten met verschillende expertises en ervaringen in een wereldwijd panel en hebben samen tienduizenden sporters gezien. Wij kijken naar het hart en zeggen: nee, dit past precies bij, bijvoorbeeld, wielrenners.’ Andersom kan ook: ‘Dit hebben we nog nooit gezien bij een voetballer, wielrenner of roeier: zou dat kunnen duiden op een hartziekte?’

In het verleden, vertelt Jorstad, hebben we mensen verkeerd ‘uitgeboekt’ en zijn mooie sportcarrières in de knop gebroken. ‘Want we zeiden: stop met sporten want je hart is te groot. Terwijl we met de kennis van nu weten: dat was gewoon een perfect gezond sporthart.’

Hierin schuilt de grootste uitdaging voor sportcardiologen: topsporters enerzijds niet nodeloos hun broodwinning en plezier ontnemen en anderzijds ervoor zorgen ‘dat ze niet zichzelf verder de problemen in sporten’.

Want er is ook nog het ‘we weten het niet’-deel van het antwoord op de vraag of wielrennen schadelijk is voor het hart. Probleem is dat er begripsverwarring is over de hartproblemen die een renner nopen te stoppen, of erger. ‘Hartfalen is heel iets anders dan een hartaanval. En dat is weer heel iets anders dan een hartritmestoornis. En ook iets anders dan een hartinfarct.’

Bij hartfalen, begint Jorstad een spoedcollege, verliest het hart grofweg pompkracht. Hartfalen komt onder topsporters nauwelijks voor, want die hebben doorgaans geen zwakke hartspier. ‘Er kunnen uitzonderingen zijn, bijvoorbeeld in golf.’

Een hartinfarct is een verstopping van een bloedvat op het hart. ‘Dat kan daarna weer hartritmestoornissen geven en hartfalen. Hartaanval is een heel vaag begrip: er kan een hartinfarct mee worden bedoeld, maar ook een hartritmestoornis. Dat is wanneer het hart tot driehonderd keer per minuut ongecontroleerd aan het trillen is en geen bloed meer uitpompt. Dat leidt tot een hartstilstand.’

Maar, legt Jorstad uit, dan heb je het over levensbedreigende hartritmestoornissen vanuit de hartkamers die het bloed rondpompen. Een hartritmestoornis in de twee boezems, de bloedreservoirs, is niet levensbedreigend, maar kan voor de sporter soms minstens zo eng voelen. ‘Je hartslag wordt dan heel snel en onregelmatig, maar je gaat er zelden tot nooit aan dood.’

Sommige sporters overkomt dit boezemfibrilleren twee tot drie keer zo vaak als iemand die niet sport, weet Jorstad na onderzoek. ‘Als je dat een tiende van een seconde hebt als topsporter, bepaalt dat mogelijk het verschil tussen winst en een vijfde plaats. Als ons stervelingen dat overkomt, stoppen we even, halen een paar keer adem en gaan gewoon door.’ Het sportpubliek concludeert abusievelijk: hartfalen.

Begripsverwarring en alles op één hoop gooien, benadrukt Jorstad, maakt het onderzoek naar hartproblemen bij sporters moeilijk. Onderzoek naar de vraag of bepaalde type hartproblemen nu wel of niet vaker bij sporters of topsporters voorkomen. En bij welke sporten dan? ‘Daarvoor heb je toegang nodig tot alle data.’

Jorstad denkt dan aan langjarige gegevens, scans en metingen al dan niet na een autopsie. ‘Alles wat iets kan zeggen over de invloed die het beoefenen van de topsport heeft gehad op het problematische hart.’ En dan nog: hartproblemen kunnen ook oorzaken hebben die niets met de sportinspanningen te maken hebben.

Complicatie is dat data uit privacyoverwegingen niet altijd toegankelijk zijn. Wat volgens Jorstad helpt is dat vooral de afgelopen vijf à zes jaar steeds meer topsporters de weg naar de sportcardiologie weten te vinden. ‘Onze deur staat immers altijd open.’

Meer ‘patiënten’ betekent meer data en meer kennis, waardoor de sportadviezen van Jorstad en de zijnen steeds beter worden. En dat na jaren waarin sporters nodeloos stopten omdat dat advies niet kon worden gegeven.

Jorstad constateert meer aandacht en respect voor zijn expertise. Dat helpt bij het beantwoorden van de wezensvraag van topsporters over het hart: wat kan ik er wel mee doen en wat eventueel niet? Voorop staat dat sporten veel beter is voor het hart dan dat het een risico is. ‘Als je elke dag sport, ben je fors beter beschermd tegen een hartinfarct.’

Harald Jorstad begeleidde de voetballers Daley Blind en Christian Eriksen nadat ze voor het oog van miljoenen tv-kijkers een hartstilstand op het veld kregen. Dankzij een Implanteerbare Cardioverter Defibrillator (ICD), konden ze hun voetbalcarrière vervolgen, zij het niet in Italië waar het wettelijk verboden is met een ICD aan topsport te doen.

De inwendige versie van het apparaatje geeft bijna onmerkbaar stroomstootjes aan het hart wanneer het ritme niet normaal is. Als de kleine schokken niet helpen, geeft de ICD een stroomstoot, soms daarna nog een. Dat is een stevige klap die voelt als een harde stoot tegen de borst. Het overkwam Blind in een oefenwedstrijd. Met een gil ging hij tegen de grond zonder een tegenstander in de buurt.

Wielrennners Sonny Colbrelli en Nathan van Hooydonck dragen ook zo’n kastje in hun lichaam. Voor hen betekent dat wel het einde van hun sportcarrière. Want volgens de internationale wielerunie UCI is het beoefenen van een risicovolle sport zoals wielrennen onverenigbaar met het hebben van een ICD.

Colbrelli probeerde nog wel vergeefs een wielerlicentie te bemachtigen, maar voor Van Hooydonck was het meteen duidelijk dat hij moest stoppen. ‘Als er met mij iets gebeurt in een peloton en ik val, dan is het direct gevaarlijk voor renners om mij heen’, zei hij tegen de NOS. ‘Op een voetbalveld val je alleen. In het wielrennen heb je de omstandigheden niet onder controle.’

Maar wielrennen is wat Jorstad betreft niet altijd een collectieve bezigheid. Alleen fietsen op de wielerbaan of op de mountainbike in het bos, kan ook. Dat is de risicoafweging aan het individu. ‘Laat de keuze vooral aan de sporter en zijn medische team. Waarom zou een boogschutter met een ICD in Italië niet aan topsport mogen doen?’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next