Home

Herman van Veen gidst ons langs zijn favorieten, vanaf het landgoed dat hij stukje bij beetje bij elkaar zong

‘Wil je het terrein even zien?’ Met ferme pas loopt Herman van Veen (78) naar het golfkarretje in de schuur, jast hem in zijn achteruit en sjeest – opzij, opzij, opzij – over de weelderige paden van zijn landgoed bij Soest. Vijftien hectare voormalig weiland is het, ‘stukje bij beetje bij elkaar gezongen’. Behalve de zanger en zijn vrouw wonen er paarden, reeën, buizerds en egels. Hop, over een zelfgebouwde brug gaat het, onverschrokken door modderplassen, langs de overblijfselen van de boom die vorige maand pal achter hem neerstortte. Hij liep gewoon verder, kerngezond, zingend en zoals altijd met zin in de dingen. In januari staat hij voor de zeshonderdste keer in Carré, vaker dan Toon Hermans, Youp van ’t Hek of welke andere kleinkunstenaar dan ook. Uit zijn nummer Mazzel:

Loop zonder stok
Lees zonder bril
Eet wat ik wil
Slaap als een roos
En kan de speld nog
Horen vallen.

De voorstellingen van Herman van Veen zijn al jarenlang niet vernieuwend, maar nooit ouderwets geweest’, schreef deze krant een paar jaar geleden in een vijfsterrenrecensie. ‘Dat begrijp ik wel’, zegt Van Veen binnen aan tafel met die kenmerkend hese, een beetje gedragen stem, een kop koffie en twee speculaasjes. ‘Mijn werk is altijd zichzelf, ik heb nooit geprobeerd om iets anders te zijn.’

‘Zing toch gewoon wat je voelt’, adviseerde Ischa Meijer toen hij op zijn 22ste na het eerste succes van het woordeloze Harlekijnlied (‘Flubbligab snobbligab flopflapflee’) even niet wist hoe verder. Een paar maanden later trad hij op. ‘We waren eerst bij het DeLaMar geweest, maar daar wilden ze ons niet. Ze begrepen helemaal niet wat we – mijn conservatoriumvriend Laurens van Rooyen en ik – deden: het was geen cabaret, geen muziek, geen chansons; het leek nergens naar. Maar wij wilden wel heel graag in Amsterdam spelen, en via via konden we toen de kleine zaal van het Concertgebouw huren.

‘Na afloop kwam een van de veertig bezoekers naar me toe: ‘Dit is geen zaal voor u.’’ Het bleek de bedrijfsleider van Carré. ‘Toen ging het ineens snel. En zo gaat het nog, zelfs op deze leeftijd, dat iemand je ziet spelen en zegt: ‘Ik heb een theater in Chicago, zou u niet...? En dan zeg ik: ‘Natuurlijk komen we, gisteren als het moet.’

Onze gids dit weekeinde is een rubriek in Volkskrant Magazine waarin een bekend persoon (op velerlei terreinen) uit binnen- of buitenland ons gidst langs zijn of haar favorieten.

Het heeft hem een publiek gebracht dat inmiddels met drie generaties komt kijken. ‘Als kind kregen wij vroeger uw muziek van onze vader opgedrongen’, mailde een vrouw hem voor een voorstelling, ‘dit jaar zou hij 70 zijn geworden. Kunt u voor hem nog één keer dat vreselijk depressieve lied Ik ben vandaag zo vrolijk spelen?’

Ouder worden gaat vanzelf
En ook
Vanzelf weer over
Je doet het voor het eerst
Er gaat een wereld
Voor je dicht.

Toch denkt hij niet aan stoppen. Het is allemaal nog veel te leuk. Niet vanwege de 180 albums die hij maakte, de nationale en internationale prijzen of het landgoed (dat is nu echt groot genoeg), maar omdat elke avond weer anders is. ‘Van de week zat er een vrouw op de eerste rij, en die deed dit.’ (Knijpt zijn ogen eventjes dicht.) ‘Gewoon zo’n knikje als een moeder doet wanneer haar kind een mooie tekening heeft gemaakt. Die vertrouwelijkheid, daar kan ik enorm van genieten.’

Mazzel, mazzel
Wat zou je zonder
Mazzel
Mazzel mazzel
Wat zou je zonder
Mazzel.

‘Een jongetje in volwassen mannenkleren, dat kijkt naar een koperen mijnwerkerslamp. Iemand gaf me ooit een polaroid van dit schilderij. Ik deed ’m in mijn vioolkist, keek er thuis naar en dacht: dat had ik kunnen zijn. Wij woonden in Utrecht naast de gasfabriek. Vanuit mijn bed kon ik hem bijna aanraken: stinkend, dampend, zwart van de kolen en de rook. Mijn moeders was werd nooit wit.

‘Het gros van de vaders in mijn straat werkte op die fabriek, de toekomst van hun zoons lag er. En ik was ook zo’n jongetje, begrijp je? Als mijn zangjuf op school niet had gezegd: misschien moet jij dit jaar het kerstlied zingen, als het schoolhoofd me geen viool had geleend, dan was dat misschien ook míjn toekomst geweest. Maar op mijn 10de kwam de muziek en was ik ineens weg van die lamp, weg van dat licht in die mijn. Mijn wereld kantelde. Misschien ook mazzel.’

‘Elke zondag verzamelden we op de hoek van de Kievitdwarsstraat. De rechterhelft ging naar Elinkwijk, de linkerhelft naar DOS. Je begon met 12, bij de volgende straat was je met 25 en die groep werd alsmaar groter. Onderdeel te zijn van die massa die naar Galgenwaard liep, zingend, roepend, dat was een heerlijk gevoel. Ik krijg er nu nog de kriebels van.

‘Vraag me niet naar de namen van de spelers, maar bij elke uitslag kijk ik eerst naar wat FC Utrecht eraan heeft. Mag ik er iets serieus over zeggen? Ik kijk nu 68 jaar intensief voetbal, en wat ik het mooiste eraan vind, is het creëren van ruimte. Waar ruimte is, daar moet je bal in. Er zijn spelers die dat zien, en spelers die dat niet zien, maar zo simpel is het.’

‘‘Als mijn zuster nou haar billen verliest, dan krijg ik misschien haar fiets’, schreef ik ooit in een liedje. Zo graag wilde ik als jongen een fiets, en verrek, ik kreeg hem. Met blokken op de pedalen reed ik van Utrecht naar Soest. Dat licht door de bladeren, de weilanden. As ik hier toch eens kon wonen, dacht ik. Dat het veertig jaar later lukte, vind ik nog steeds bijzonder.

‘Toen we begonnen, was de tuin nog vrij klein, maar we konden er steeds een stukje van de boeren in de buurt bijkopen. Ik heb het allemaal teruggegeven aan de natuur. Het enige wat ik doe, is er een pad doorheen maaien en een beetje snoeien, braamstruiken bijvoorbeeld, maar verder ben ik vooral van kijken wat er gebeurt. En als je ziet wat er nu allemaal kruipt en fluit, dat is ongelofelijk, en het gaat gewoon vanzelf. Of je dat tuinieren kunt noemen? Misschien is het eerder beheren.’

‘Op het conservatorium studeerde ik zang en viool. Daarvoor moest ik de geestelijke liederen van Bach en zijn vioolconcerten onder de knie zien te krijgen. Vijf jaar ben ik met die man in de weer geweest, op het niveau van maten, tellen, noten. Toch wilde ik diep in mijn hart al mijn eigen verhalen vertellen, over kikkervisjes zingen, troubadour worden.

‘Maar ik wist ook: die eigen verhalen zijn bij lange na nog niet zo goed als wat ik nu studeer. Uiteindelijk heeft mijn leraar, de meesterviolist Carlo Van Neste, me geholpen. ‘Je kunt dit wel’, zei hij, ‘maar wíl je het ook?’ ‘Dat weet ik niet’, durfde ik uiteindelijk te zeggen. ‘Ik snap het’, zei hij, ‘maar dan geef ik je geen les meer’. Ik krijg het er nog warm van. Ik ben dus niet de violist geworden die ik wellicht had kunnen zijn, maar ik hou nog steeds van Bach.’

‘Deze serie gaat over een vrouwelijke stand-upcomedian in het New York van de jaren vijftig. Een enorm geëmancipeerde vrouw in een conservatieve mannenwereld, die keiharde grappen maakt over de samenleving waarbij ze eigenlijk geen nieuw materiaal hoeft te bedenken, maar gewoon gebruikt wat ze al heeft: haar schoonmoeder, haar vader, haar tante. Die het natuurlijk allemaal vreselijk vinden wat ze doet, maar ze doet het toch.

‘Wat ik er zo interessant aan vind, is dat het een enorm luchtige serie is, die telkens op driekwart van elke aflevering even heel serieus wordt, waarna, net als bij ons thuis vroeger, de Tweede Wereldoorlog om de hoek komt. Want dat entertainmentmilieu in New York is een samenraapsel van allerlei ontheemde mensen. Ik vind het verschrikkelijk goed.’

‘Haar taal biedt de ruimte voor je eigen gedachten. Dat vind ik ongelofelijk mooi. ‘Wat is het verband tussen olieprijzen en vluchtelingen? Wat is het verband tussen deemoed en armoede?’ Dat zijn fenomenale vragen. Zo treffend, zonder belerend te zijn. Je mag toch hopen dat elke politicus dat leest. Ze komen uit het gedicht Weesvragen, geschreven toen Anne Vegter Dichter des Vaderlands was. Nee, ik heb nooit gedacht: was die ene tekst maar van mij. Mijn taal bestaat uit gesprokkelde woorden, bij haar voel ik slechts pure bewondering.’

‘Na de val van de apartheid werd ik door de Nelson Mandela Foundation uitgenodigd in dit natuurpark. Misschien omdat een van mijn liedjes, Moenie weggaan nie, gebaseerd op het lied van Brel, symbool is geworden voor die tijd. Veel Afrikaners verlieten toen het land, en voor degenen die bleven werd het een soort lijflied, een teken van geloof in de nieuwe democratie. Ik was nog nooit in zo’n wildpark geweest.

‘Terwijl ik stond te wachten bij de receptie, draaide ik me even om en stond ik ineens oog in oog met een baviaan. We keken elkaar aan en er gebeurde iets tussen ons waardoor ik dacht: ik kom van de verkeerde kant van het hek. Een onvoorstelbaar vertrouwd gevoel, alsof ik daar zelf vandaan kwam. De schoonheid van die natuur, de zon die ondergaat zonder huizen, veertig zebra’s die synchroon naar je opkijken omdat je even hoest. Dat park heeft me betoverd. Hoe langer je er bent, des te sterker je voelt dat je een van die dieren bent, maar je wat merkwaardiger gedraagt.’

‘Elke ochtend, al sinds ze bestaan, eet ik drie rijstwafels met roomboter en De Ruijter-hagelslag, plus een vijf-minuten-eitje. Ik doe niets speciaals om gezond te blijven. Op de hometrainer zul je me nooit zien, maar het spelen houdt me jong, daar ben ik van overtuigd. Het is onvermijdelijk dat je nadenkt over het einde, maar ik heb toch het gevoel dat dat nog heel lang uit te stellen valt. Misschien denk ik zelfs dat het niet gaat gebeuren. Als je ziet hoe snel de wetenschap zich nu ontwikkelt, hoe onstopbaar kunstmatige intelligentie met onze evolutie verweven raakt en ons functioneren begrijpt... Dan ben ik ervan overtuigd dat ik hier nog heel lang kan blijven.’

14 maart 1945 Geboren in Utrecht.
1965 Theaterdebuut met soloprogramma Harlekijn.
1969 Suzanne (cover van Leonard Cohen).
1976 Geboorte Alfred J. Kwak.
1979 Opzij.
1982 Eerste optreden op Broadway (‘Een wonderkind’, schrijft The New York Times).
1984 Hilversum 3 (tekst van Willem Wilmink).
1986 (Ik ben vandaag) Zo vrolijk.
2004 Ontvangt de internationale prijs voor vrede, eenheid en waarheid: de World Peace Flame.
2008 Benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
2023 Nieuw boek Seizoenen en nieuw verzamelalbum In Vogelvlucht 3 verschijnt.
12 januari 2024 treedt voor de zeshonderdste keer op in theater Carré met De voorstelling. T/m 21 januari 2024 speelt Van Veen met zijn ensemble in theater Carré in Amsterdam. Daarna t/m juni 2024 in Nederlandse theaters.

Van Veen is vader van twee zoons en twee dochters, grootvader van drie kleinkinderen en woont met zijn echtgenoot Gaëtane Bouchez in Soest.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next