Karel de Grote en Iwan de Verschrikkelijke kent iedereen wel, maar er zijn nog veel meer heersers met opvallende bijnamen. Bart Funnekotter stelt ze aan u voor. Deze week: een voortreffelijk heerser tegen wil en dank.
De keizer van Brazilië zweefde tussen leven en dood. Pedro II was op reis door Europa opgenomen in een ziekenhuis in Milaan en had reeds het laatste oliesel ontvangen, toen hem op 22 mei 1888 het nieuws bereikte dat de slavernij in zijn land was afgeschaft. Met vochtige ogen sprak hij: „Demos graças a Deus. Grande povo! Grande povo!” (Wij danken God. Groots volk! Groots volk!) Niet veel later herrees hij van zijn ziekbed en reisde terug naar Brazilië, waar hij bedolven werd onder de affectie van zijn landgenoten. Alleen de grootgrondbezitters en het leger waren het oneens met hun keizer, zo werd spoedig duidelijk.
De tweede Pedro was de zoon van Pedro I, de eerste keizer van Brazilië. Zijn moeder overleed toen hij een jaar oud was en zijn vader deed in 1831 afstand van de troon en overleed drie jaar later. Pedro junior stond er dus al vroeg alleen voor, hoewel hij aanvankelijk werd bijgestaan door regenten. Op zijn veertiende werd hij meerderjarig verklaard, waarna hij de macht in Brazilië zelf in handen nam.
Dat deed hij uit plichtsbesef, maar niet van harte. Zijn hele leven zou Pedro II een moeizame relatie hebben met zijn ambt, ondanks dat hij zijn werk volgens zijn landgenoten prima deed en er zelfs naar huidige maatstaven voorbeeldige progressieve standpunten op nahield. Hij was vóór de vrijheid van meningsuiting, vóór een constitutionele monarchie en vóór de afschaffing van de slavernij. Daarnaast correspondeerde hij met de grote geesten van zijn tijd, mannen als Richard Wagner, Friedrich Nietzsche, Alexander Graham Bell en Louis Pasteur. Victor Hugo noemde hem de „kleinzoon van Marcus Aurelius”, de Romeinse filosoof-keizer uit de tweede eeuw. Pedro’s bijnaam o Magnânimo (de Grootmoedige) was dus ruimschoots verdiend.
Zijn gevecht voor de afschaffing van slavernij duurde decennia. Hij was van jongs af aan voornemens een einde te maken aan deze misstand. Al in 1850 dreigde hij met aftreden als de aanvoer van nieuwe slaven van overzee niet zou worden stopgezet. Hij kreeg zijn zin, maar wie op Braziliaanse bodem uit een onvrije moeder geboren werd, had nog steeds een leven als slaaf in het vooruitzicht.
Pedro vroeg het parlement om ook aan deze praktijk een eind te maken, en dat gebeurde uiteindelijk in 1871. Hij maakte hiermee de nodige vijanden, mensen die ervan overtuigd waren dat de Braziliaanse economie zou imploderen zonder slavenarbeid. De keizer zelf raakte ondertussen steeds meer uitgekeken op zijn werk.
De complete afschaffing van de slavernij in 1888 was daarom dus niet de bekroning van zijn regime, maar het begin van het einde. Het leger pleegde een jaar later een staatsgreep. Pedro verzette zich niet, ondanks smeekbeden van zijn medestanders. „Ik heb te hard gewerkt en ben moe. Ik ga rusten.”
De keizer vertrok naar Parijs, waar hij in armoede leefde en na twee jaar overleed. In Brazilië werd al snel duidelijk hoe belangrijk hij als verbindende factor was geweest. Het land ging decennia van bloedige politieke onrust tegemoet.
Source: NRC