Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Joris Henquet, Merlijn Kerkhof, Anna van Leeuwen of Herien Wensink stelling in de wereld van film, muziek, theater of beeldende kunst.
Kunnen kunstwerken beter worden beoordeeld door ‘peers’ – leden van dezelfde groep? ‘Vrouwentoneelstukken’ door vrouwen, werk van makers van kleur door critici van kleur, ‘queer voorstellingen’ door homo’s en lesbiennes?
In een tijd waarin de terechte roep om representatie klinkt, snap ik de gedachte. Maar toch: een hartgrondig ‘nee’. Alsjeblieft niet.
Het zou het werk van de recensent behoorlijk armzalig maken. Vrouwelijke critici hebben dan bijna niets meer te doen. En hoe ver moet je differentiëren? Wat doen we met een voorstelling over een Deense prins, een robot, over een massamoordenaar of een kannibaal?
De suggestie werd deze week gedaan in een discussie op theaterkrant.nl, toen daar een volgens mij (v) weergaloze voorstelling (Prima Facie, vijf sterren, ga dat zien) door de recensent aldaar (m) wat zuinigjes werd onthaald. Dit stuk is geschreven, geregisseerd en gespeeld door vrouwen, en gaat over seksueel geweld tegen vrouwen.
In een reactie onder de recensie werd (door een man) gesuggereerd dat de mannelijke criticus de voorstelling niet goed zou hebben kunnen beoordelen, omdat het hier ‘vrouwenkunst’ betrof, een nieuw, ingewikkeld, onontgonnen genre. ‘De theaterkritiek’, legde deze man uit, ‘heeft nog geen goede manier gevonden waarop emotioneel beladen voorstellingen van en door vrouwen kunnen worden beschouwd.’ En zo ging hij nog even door.
Vrouwelijke theatermakers zouden er niet op uit zijn om ‘een onderhoudend verhaal te vertellen of een nieuw inzicht over een interessant thema te tonen’, maar louter om hun persoonlijke stem luid te laten klinken. Hij noemt zulke voorstellingen ‘rituele performances’. Met gewone, rationele criteria kun je dit soort ‘volslagen oorspronkelijk werk’ niet beoordelen, wist hij. Waarop een andere man die onzalige suggestie deed.
Dit zijn ongetwijfeld aardige mensen die denken dat ze zich inzetten voor de emancipatoire zaak. Maar het voelt toch wat ongemakkelijk als mannen elkaar met seksistische stereotypen het wonderlijke genre ‘vrouwenkunst’ gaan mansplainen. Vandaar even een antwoord, namens de vrouwen.
De criticus in kwestie is weliswaar man, maar wel de wokeste onder de recensenten, en hij zal geen gelegenheid onbenut laten om een emancipatoire voorstelling te prijzen, zodra hij daar enigszins kans toe ziet. Ik vond dat hij ernaast zat, maar niet omdat hij man is. Verder was er een vrouwelijke criticus die de voorstelling ook niet geweldig vond (Het Parool), en een man die, net als ik, vijf sterren gaf (NRC). Hij wist deze vreemde, primitieve kunstvorm gelukkig wel te waarderen.
Dat is meteen het beste weerwoord op de roep om ‘peer-critici’. Alle critici mogen (nee: móéten) over kunstvormen van andere groepen, genders, minderheden en subculturen schrijven. Als het goed is, ontstijgt een kunstwerk uiteindelijk altijd de identiteit van de maker.
Soms zullen verschillen tussen maker en criticus – in leeftijd, kleur of gender – de oordeelvorming bemoeilijken, en ongetwijfeld zal de criticus zich weleens vergissen. Daar mag hij of zij op worden aangesproken. Maar van typecasten krijg je een saai, voorspelbaar en eenvormig kunstdebat.
Daarbij: een speciaal kunsthoekje inrichten voor de vrouw (of de biculturele of queer maker), en vervolgens terugdeinzen voor een oordeel, uit een soort eerbied voor ‘het vreemde’ – dat is niet respectvol, maar gevaarlijk.
Source: Volkskrant columns